Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6222

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-08-2002
Datum publicatie
07-08-2002
Zaaknummer
200105733/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200105733/1.

Datum uitspraak: 7 augustus 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats]

en

gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 februari 2001 heeft de gemeenteraad van Woerden, op voorstel van burgemeester en wethouders van 13 februari 2001, vastgesteld het bestemmingsplan "Hofwijk West".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 2 oktober 2001, kenmerk 2000REG002097i, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 19 november 2001, bij de Raad van State ingekomen op 20 november 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 9 januari 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 7 maart 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juli 2002, waar appellanten, in persoon van [appellanten], en verweerders, vertegenwoordigd door ing W.E.M. Corsten, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts zijn daar gehoord de gemeenteraad van Woerden, vertegenwoordigd door J.C. van Kats en K.M. Liang, ambtenaren van de gemeente, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Boer & Groen Wonen B.V.”, vertegenwoordigd door mr. S.W. Boot, advocaat te Rotterdam.

2. Overwegingen

2.1. Het plan heeft betrekking op het vrijwel driehoekige gebied aan de zuidwestzijde van Harmelen. Het gebied grenst aan de oostzijde aan de woonwijken Prinsenhof, Nassaupark en Koningshof en aan de westzijde aan de Hollandse Kade.

Het plan voorziet in het noordelijk deel van het plangebied in de bouw van 116 woningen. De desbetreffende gronden zijn voorzien van de bestemming “Woondoeleinden (W)”.

Bij het bestreden besluit hebben verweerders goedkeuring verleend aan het plan.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.3. Appellanten, bewoners van de aan de noordoostzijde van het plangebied gelegen woonwijk Prinsenhof, stellen dat de gemeente in de jaren tachtig de verwachting heeft gewekt dat Hofwijk West niet bebouwd zou worden.

Niet gebleken is dat de gemeenteraad, waarbij de bevoegdheid tot het vaststellen van bestemmingsplannen rust, ter zake gerechtvaardigde verwachtingen heeft gewekt. De Afdeling overweegt verder dat aan een bestemmingsplan in het algemeen geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. Op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen kan de gemeenteraad steeds andere bestemmingen en voorschriften in een plan opnemen. Niet gebleken is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een uitzondering gemaakt had moeten worden op dit uitgangspunt.

2.4. Appellanten voeren aan dat het aantal woningen dat in het plangebied is voorzien een overschrijding vormt van de aan de gemeente opgelegde woningbouwtaakstelling. Woningbouw ter plaatse is volgens appellanten verder niet noodzakelijk, aangezien recente prognoses over vijf jaar een woningoverschot voorspellen in de regio West-Utrecht.

2.4.1. Het op het streekplan gebaseerde woningbouwprogramma voor de gemeente Harmelen omvat 380 woningen voor de periode tot 2005, waarvan 230 woningen in de restcapaciteit en 150 woningen op nieuwe woningbouwlocaties. Het betoog van appellanten dat de tweede partiële herziening van het streekplan tot een wijziging van de woningbouwtaakstelling voor de voormalige gemeente Harmelen heeft geleid, kan niet worden gevolgd. Uit de stukken, waaronder in het bijzonder het deskundigenbericht, en het verhandelde ter zitting volgt dat de tweede partiële herziening van het streekplan voor de gemeente Harmelen slechts een aanpassing van de bebouwingscontour tot gevolg heeft gehad.

Niet in geding is dat vlak voor de vaststelling van het plan 232 woningen zijn opgeleverd die toegerekend kunnen worden aan de restcapaciteit. Op inbreidingslocaties zijn reeds 15 woningen opgeleverd. Het standpunt van verweerders dat de in het plan voorziene woningbouw geen overschrijding vormt van de woningbouwtaakstelling voor Harmelen acht de Afdeling juist.

2.4.2. De Afdeling overweegt het volgende omtrent de stelling van appellanten dat woningbouw ter plaatse niet noodzakelijk is, aangezien recente prognoses over vijf jaar een woningoverschot voorspellen in de regio West-Utrecht.

De gemeentelijke visie op het nieuwbouwbeleid is blijkens de plantoelichting gebaseerd op het op 2 april 1998 door de gemeenteraad van de gemeente Harmelen vastgestelde Volkshuisvestingsplan. De kwantitatieve woningbehoefte in de periode 1996-2015 is in dit plan geprognosticeerd op basis van het inwonertal op 1 januari 1995, zoals geregistreerd bij het CBS. Verder is uitgegaan van de gemiddelde bevolkingsprognose om de huishoudensamenstelling en aantallen te bepalen, waarbij de bouwprogramma’s die zijn opgegeven door de provincie en de gemeente uitgangspunt zijn geweest. Het woningmarktonderzoek West-Utrecht, dat in 1993/1994 is verricht door de Stichting voor ruimtelijk onderzoek en advies (hierna: STOGO) is gebruikt ter nuancering.

In het onderzoek van STOGO wordt op basis van de bevolkingsontwikkelingen en ontwikkelingen in de woningvoorraad onder meer de kwantitatieve woningbehoefte in West-Utrecht afgezet tegen de verwachte woningvoorraad in 2003. Voor geheel West-Utrecht wordt in de periode van 1993-2005 een tekort van circa 3.100 woningen verwacht. In Harmelen zou tot 2005 een aanvullende woningbehoefte bestaan van circa 360 woningen (waarbij geen rekening is gehouden met de vervangingsbehoefte). Het nieuwbouwprogramma voor Harmelen dient volgens STOGO tot 2000 in totaal 421 woningen te omvatten.

In het Volkshuisvestingsplan wordt op basis van voormeld onderzoek geconcludeerd dat het aantal huishoudens in Harmelen tot 2015 naar verwachting met ruim 500 zal toenemen, waardoor in de periode tussen 1996 en 2015 behoefte bestaat aan ongeveer 480 woningen. Niet is gebleken dat deze conclusie onjuist is. Appellanten hebben verder niet aannemelijk gemaakt dat het hiervoor genoemde onderzoek zodanige gebreken vertoont dat verweerders zich hierop bij het nemen van het bestreden besluit niet hadden mogen baseren. Gezien het vorenstaande acht de Afdeling het standpunt van verweerders dat voldoende behoefte bestaat aan nieuwbouw ter plaatse juist.

2.5. Appellanten vrezen verder dat de geprojecteerde woningbouw, gezien de afstand tot de bestaande woningen aan de [locatie] en de bebouwingsdichtheid, een inbreuk zal maken op hun woongenot en hun privacy. Zij zijn verder beducht voor waardevermindering van hun woningen.

2.5.1. De grens tussen het plangebied en de woonwijk Prinsenhof wordt gevormd door een watergang. De woningen [locatie] grenzen met hun tuinen aan deze watergang. De watergang is in het plan als zodanig bestemd, met dien verstande dat over een groot deel van de totale lengte een verbreding mogelijk is gemaakt tot circa 8 meter. De gronden ten westen van de watergang zijn in het plan overwegend voorzien van de bestemming “Woondoeleinden”.

2.5.2. In het noordelijk deel van het plangebied - het betreft de gronden ten westen van de watergang bij de woningen [locatie] - ligt een voormalige boerderij. Het plan brengt ter plaatse geen wijziging in de bestaande situatie. Het betoog van appellanten dat het plan in zoverre een inbreuk maakt op het woongenot en de privacy van de bewoners van deze woningen kan niet worden gevolgd.

2.5.3. De bestemming “Woondoeleinden”, voorzover gelegen ten westen van de watergang bij de woningen Prinsenhof [locatie], heeft een diepte van ongeveer 23 meter. De afstand tussen de aan de straatzijde gelegen bouwgrens en de grens tussen de bestemmingen “Water” en “Woondoeleinden” bedraagt circa 20 meter. Op deze gronden bedragen de maximum goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen ingevolge de daartoe strekkende aanduiding op de plankaart 3,5 respectievelijk 7 meter. Blijkens de planvoorschriften dienen de hoofdgebouwen met de voorgevel te worden opgericht in de aan de straatzijde gelegen bouwgrens. De hoofdgebouwen dienen verder binnen een afstand van 15 meter tot deze bouwgrens te worden gebouwd. De goothoogte van bijgebouwen mag maximaal 3 meter bedragen, terwijl de helling van de kap niet steiler mag zijn dan de kaphelling van het hoofdgebouw. Aaneengesloten bebouwing is niet uitgesloten, maar uit de bij het plan behorende stedenbouwkundige opzet kan worden opgemaakt dat het de bedoeling is om aan deze zijde vrijstaande woningen te realiseren.

Het vorenstaande komt erop neer dat het plan woningbouw toelaat in één bouwlaag met kap op een afstand van ongeveer 21 meter van de bestaande woningen [locatie]. Het standpunt van verweerders dat het plan hierdoor niet zal leiden tot een ontoelaatbare inbreuk op het woongenot en de privacy van de bewoners van deze woningen acht de Afdeling niet onredelijk.

2.5.4. Voorzover appellanten betogen dat het plan nadelige invloed heeft op de waarde van hun woningen overweegt de Afdeling dat geen grond bestaat voor het oordeel dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat verweerders hieraan in redelijkheid een doorslaggevend gewicht hadden moeten toekennen.

2.6. Appellanten betogen voorts dat het plan de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van de Hollandse Kade aantast. Zij hebben dienaangaande naar voren gebracht dat de in het plan opgenomen afstand van 10 meter tussen de nieuwbouw in het plangebied en de ten westen daarvan gelegen Hollandse Kade te gering is.

2.6.1. Niet in geding is dat voorzichtig moet worden omgegaan met de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van de Hollandse Kade. De gemeenteraad acht de in het plan opgenomen bufferzone van 10 meter tussen de kade en de voor nieuwbouw bestemde gronden daartoe afdoende. Verweerders achten dit gedeelte van het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Zij hebben hierbij betekenis toegekend aan de omstandigheid dat de openheid aan de westzijde van de Hollandse Kade behouden blijft.

2.6.2. In het noordwestelijk deel van het plangebied, parallel aan de Hollandse Kade, is over een lengte van circa 300 meter een bebouwingsstrook geprojecteerd. De aldaar aanwezige gronden zijn over een diepte van ongeveer 13 tot 15 meter bestemd voor “Woondoeleinden” met de nadere aanduiding “aanvullende situeringseis”. Het plan staat ter plaatse bebouwing toe met een maximum goothoogte van 6 meter, terwijl de bouwhoogte maximaal 9 meter mag bedragen. De bebouwingsstrook waar deze relatief forse bebouwing is toegestaan, strekt zich uit tot aan de hiervoor genoemde bufferzone. Gezien de stukken, waaronder in het bijzonder het deskundigenbericht, en het verhandelde ter zitting moet worden vastgesteld dat het plan aldus onmiskenbaar zal leiden tot een aantasting van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van de Hollandse Kade. De enkele omstandigheid dat de openheid aan de westzijde van de Hollandse Kade behouden blijft, zoals verweerders betogen, vermag hieraan niet af te doen.

2.7. Het vorenoverwogene in aanmerking nemende, moet worden geconcludeerd dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat verweerders, door het plan goed te keuren, hebben gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd. Nu er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hierna te melden wijze zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.8. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Utrecht van 2 oktober 2001, kenmerk 2000REG002097i, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden (W)" en de aanduiding “aanvullende situeringseis” zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart;

III. onthoudt goedkeuring aan het plandeel genoemd onder II.;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt gedeputeerde staten van Utrecht in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 28,75; het bedrag dient door de provincie Utrecht te worden betaald aan appellanten;

VII. gelast dat de provincie Utrecht aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 102,10) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.H. Lauwaars, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. K. Brink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.J. Aerts, ambtenaar van Staat.

w.g. Lauwaars w.g. Aerts

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2002

303.