Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6221

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-08-2002
Datum publicatie
07-08-2002
Zaaknummer
200103513/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eis ten aanzien van de mestafzet in bestemmingsplanvoorschrift in casu ruimtelijk relevant.

Weigering vergunning voor de bouw van vijf pluimveestallen en een bijgebouw.

Het hoger beroep van appellante betreft de grief dat de rechtbank heeft miskend dat B&W het bouwplan ten onrechte aan de beschrijving in hoofdlijnen vervat in art. 6b van de planvoorschriften hebben getoetst, omdat dit artikel geen planologische, maar uitsluitend milieubeschermende criteria bevat, hetgeen appellante in strijd acht met art. 10 WRO.

Ingevolge de in art. 6b van de planvoorschriften opgenomen beschrijving in hoofdlijnen is een nieuwe niet-grondgebonden veehouderij in principe als neventak van een grondgebonden bedrijf toegestaan als de mestafzet uitsluitend plaatsvindt op de akkerbouwgronden of weilanden ter plaatse en evenredig naar landbouwkundige behoefte en/of milieuwettelijke criteria verdeeld wordt over die gronden.

De ABRS acht die grief ongegrond. In de beschrijving in hoofdlijnen wordt de eis van ondergeschiktheid van nieuwe niet-grondgebonden veehouderij bij een grondgebonden bedrijf zoals gesteld in art.1.7 planvoorschriften gepreciseerd aan de hand van criteria die ook het milieu beogen te beschermen. Dergelijke criteria mogen in bestemmingsplanvoorschriften worden opgenomen, mits die voorschriften ook ruimtelijk relevant zijn. In het bestemmingsplan wordt onderscheid gemaakt tussen grondgebonden en niet-grondgebonden agrarische bedrijven. Uit de plantoelichting blijkt dat dit onderscheid is gebaseerd op de overweging van bescherming van de landschappelijke kwaliteit van het plangebied. De ABRS is met de rechtbank van oordeel dat het stellen van een eis met betrekking tot de mestafzet ruimtelijk relevant is. De omstandigheid dat als gevolg van de beperkte mogelijkheid tot mestafzet het aantal kuikens dat ter plaatse kan worden gehouden eveneens beperkt is, leidt voorts niet tot het oordeel dat daarmee eisen worden gesteld met betrekking tot de structuur van agrarische bedrijven als bedoeld in art. 10.1 WRO. B&W hebben het bouwplan terecht aan art. 6b getoetst.

Hoger beroep ongegrond.

Het college van burgemeester en wethouders van Middelharnis.

mrs. P. van Dijk, J.A.M. van Angeren, D.A.C. Slump

Wet op de Ruimtelijke Ordening 10

Bestemmingsplan “Landelijk gebied Middelharnis-Sommelsdijk na 4e herziening” van de gemeente Middelharnis

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2002/130 met annotatie van Van der Meijden
AB 2003/192 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
Milieurecht Totaal 2002/93
Module Ruimtelijke ordening 2002/1159
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200103513/1.

Datum uitspraak: 7 augustus 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats]

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 31 mei 2001 in het geding tussen:

appellante

en

burgemeester en wethouders van Middelharnis.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 juli 1998 hebben burgemeester en wethouders van Middelharnis (hierna: burgemeester en wethouders) geweigerd appellante vergunning te verlenen voor de bouw van vijf pluimveestallen en een bijgebouw op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 27 april 1999 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften van 22 december 1998, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 31 mei 2001, verzonden op 7 juni 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 juli 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 30 juli 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 11 maart 2002 hebben burgemeester en wethouders van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 mei 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. E. Beele, advocaat te

‘s-Hertogenbosch, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en F. ten Brinke, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op het perceel rust ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Landelijk Gebied Middelharnis-Sommelsdijk na 4e herziening” de bestemming “agrarische doeleinden (A)”.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de planvoorschriften zijn gronden met deze bestemming bestemd voor de bedrijfsvoering van agrarische bedrijven als omschreven in artikel 1, aanhef, onder 7, van de planvoorschriften.

Ingevolge artikel 1, aanhef, onder 7 van de planvoorschriften wordt onder een agrarisch bedrijf verstaan: een uit bedrijfseconomisch oogmerk opgezet akkerbouw of weidebouwbedrijf (grondgebonden), dan wel een uit genoemde bedrijfstypen samengesteld bedrijf, al dan niet met vee, eventueel daarbij in ondergeschikte mate opgenomen niet grondgebonden agrarische bedrijvigheid zoals pluimvee-, varkens-, rundvee-, of kalvermesterij of – fokkerij, evenwel met uitzondering van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf als bedoeld in het zestiende lid en met inachtneming van het zeventiende lid.

Ingevolge artikel 1, aanhef, onder 16, van de planvoorschriften wordt onder een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf verstaan: een agrarisch bedrijf dat uitsluitend of in overwegende mate gericht is op niet-grondgebonden veehouderij.

Ingevolge artikel 1, aanhef, onder 17, van de planvoorschriften wordt onder niet-grondgebonden veehouderij verstaan: een agrarische bedrijvigheid gericht op het houden, fokken of mesten van vee, zonder of nagenoeg zonder weidegang, in gebouwen met een benodigde bedrijfsvloeroppervalkte van meer dan 100 m2.

Ingevolge de in artikel 6b, aanhef en onder b, aanhef en sub 2, van de planvoorschriften opgenomen beschrijving in hoofdlijnen is een nieuwe niet-grondgebonden veehouderij in principe als neventak van een grondgebonden bedrijf toegestaan als de mestafzet uitsluitend plaatsvindt op de akkerbouwgronden of weilanden ter plaatse en evenredig naar landbouwkundige behoefte en/of milieuwettelijke criteria verdeeld wordt over die gronden.

2.2. Het bouwplan voorziet in de bouw van vijf pluimveestallen met een oppervlakte van 8072 m2. Burgemeester en wethouders hebben de vergunning geweigerd omdat zij van oordeel zijn dat het bouwplan in strijd is met artikel 6b, aanhef en onder b, aanhef en sub 2, (beschrijving in hoofdlijnen) van de planvoorschriften van het bestemmingsplan “Landelijk Gebied Middelharnis-Sommelsdijk, na 4e herziening”.

2.3. Het hoger beroep van appellante betreft uitsluitend de grief dat de rechtbank heeft miskend dat burgemeester en wethouders het bouwplan ten onrechte aan de beschrijving in hoofdlijnen vervat in artikel 6b van de planvoorschriften hebben getoetst, omdat dit artikel geen planologische, maar uitsluitend milieubeschermende criteria bevat, hetgeen appellante in strijd acht met artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: van de WRO). De Afdeling acht die grief ongegrond.

2.4. In de beschrijving in hoofdlijnen wordt de eis van ondergeschiktheid van nieuwe niet-grondgebonden veehouderij bij een grondgebonden bedrijf zoals gesteld in artikel 1, aanhef en onder 7, van de planvoorschriften gepreciseerd aan de hand van criteria die ook het milieu beogen te beschermen. Dergelijke criteria mogen in bestemmingsplanvoorschriften worden opgenomen, mits die voorschriften ook ruimtelijk relevant zijn.

In het bestemmingsplan wordt onderscheid gemaakt tussen grondgebonden en niet-grondgebonden agrarische bedrijven. Uit de plantoelichting blijkt dat dit onderscheid is gebaseerd op de overweging van bescherming van de landschappelijke kwaliteit van het plangebied. Nieuwe niet-grondgebonden veehouderij is in principe als neventak van een grondgebonden bedrijf toegestaan indien de niet-grondgebonden veehouderij ten dienste staat van de grondgebonden landbouw ter plekke, waarbij de mestafzet op landbouwkundige en milieuhygiënische verantwoorde wijze binnen de grondgebonden bedrijfsvoering ter plekke moet plaatsvinden.

De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het stellen van een zodanige eis van de mestafzet ruimtelijk relevant is.

De omstandigheid dat als gevolg van de beperkte mogelijkheid tot mestafzet het aantal kuikens dat ter plaatse kan worden gehouden eveneens beperkt is, leidt voorts niet tot het oordeel dat daarmee eisen worden gesteld met betrekking tot de structuur van agrarische bedrijven als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de WRO.

Aangezien op grond van het vorenstaande geen aanleiding bestaat artikel 6b van de planvoorschriften onverbindend te achten, hebben burgemeester en wethouders het bouwplan terecht aan deze bepaling getoetst.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. D.A.C. Slump, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Roelfsema

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2002

27-387.