Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6212

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-08-2002
Datum publicatie
07-08-2002
Zaaknummer
200200275/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200200275/1.

Datum uitspraak: 7 augustus 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 27 december 2001 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Reeuwijk.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 oktober 2000 hebben burgemeester en wethouders van Reeuwijk (hierna: burgemeester en wethouders) geweigerd aan appellant vrijstelling en bouwvergunning te verlenen ten behoeve van een reeds gerealiseerd tuinhuisje op het perceel [locatie], kadastraal bekend gemeente Reeuwijk, sectie [..], nummer […].

Bij besluit van 23 maart 2001 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie bezwaar- en beroepschriften, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 27 december 2001, verzonden op dezelfde datum, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 11 januari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 14 januari 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 18 maart 2002 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 juni 2002, waar appellant in persoon en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door E.S. ten Cate, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het reeds gerealiseerde bouwplan betreft een tuinhuisje bestemd voor de berging van tuingereedschappen en tuinmeubelen.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Plassen, natuur- en weidegebieden” rust op het betrokken perceel de bestemming ‘Natuurgebied en Wonen (N-W)’.

Ingevolge artikel 14, derde lid, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, gelden voor het bouwen op gronden met deze bestemming de aanduidingen op de kaart en de volgende bepalingen:

a. uitsluitend op de gronden die overeenkomstig artikel 6, eerste lid, onder a

zijn aangemerkt als bouwstede voor woningen mogen woningen en de

daarbijbehorende uitbouwen, bijgebouwen alsmede bouwwerken, geen

gebouwen zijnde, worden gebouwd, met dien verstande dat per

bouwstede ten hoogste één woning is toegelaten;

d. op de gronden die niet behoren tot een bouwstede mag niet worden

gebouwd.

Ingevolge artikel 14, zesde lid, van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in het derde lid, onder d, voor het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, buiten de bouwstede van een woning.

2.3. Vast staat dat het tuinhuisje is opgericht buiten de bouwstede voor woningen en daarmee in strijd is met de planvoorschriften.

Aangezien het tuinhuisje niet kan worden aangemerkt als een bouwwerk geen gebouw zijnde is aan de voorwaarden voor een binnenplanse vrijstelling niet voldaan.

2.4. Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat burgemeester en wethouders in redelijkheid toepassing van vrijstelling van het bestemmingsplan op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) hebben kunnen weigeren. Daartoe voert appellant aan dat bij hem verwachtingen zijn gewekt, gelet op het in het verleden door burgemeester en wethouders gevoerde ruimhartige beleid, en voorts dat het tuinhuisje geen afbreuk doet aan de omgeving.

2.5. Het betoog van appellant faalt. Burgemeester en wethouders hebben gesteld dat het verlenen van vrijstelling in strijd is met het uitgangspunt van het bestemmingsplan de bebouwing in het plassengebied terug te dringen en ook negatieve precedentwerking tot gevolg zou hebben.

Naar het oordeel van de Afdeling hebben burgemeester en wethouders op deze gronden in redelijkheid kunnen weigeren ten behoeve van het tuinhuisje vrijstelling te verlenen.

Dat door een van de wethouders tijdens een gesprek met appellant een toezegging zou zijn gedaan dat vrijstelling ten behoeve van het tuinhuisje zou worden verleend, is, nog daargelaten welke betekenis aan een dergelijke toezegging zou moeten worden gehecht, door burgemeester en wethouders gemotiveerd bestreden. Evenmin heeft appellant een rechtens te honoreren vertrouwen kunnen ontlenen aan de brief van de provincie Zuid-Holland van 25 april 2000, waarbij aan appellant ontheffing is verleend voor het hebben van voorzieningen, waaronder het tuinhuisje. Bovendien is appellant er in deze brief op gewezen dat de ontheffing andere vergunningen en/of ontheffingen niet overbodig maakt.

Tenslotte kan aan een ruimhartig beleid in het verleden, indien al gevoerd, geen aanspraak op vrijstelling worden ontleend.

2.6. Burgemeester en wethouders moesten derhalve, gelet op het dwingend bepaalde in artikel 44, aanhef en onder c, van de Woningwet, de bouwvergunning weigeren. De rechtbank is terecht en op goede gronden tot hetzelfde oordeel gekomen.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Wilbers-Taselaar

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2002

71-394.