Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6210

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-08-2002
Datum publicatie
07-08-2002
Zaaknummer
200200141/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200200141/1.

Datum uitspraak: 7 augustus 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Maastricht van 5 december 2001 in het geding tussen:

appellante

en

burgemeester en wethouders van Onderbanken.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2001 hebben burgemeester en wethouders van Onderbanken (hierna: burgemeester en wethouders) een bezwaarschrift van appellante tegen het niet tijdig doorzenden van haar aanvraag van restauratie-subsidie niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie bezwaar- en beroepschriften, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 5 december 2001, verzonden op diezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 januari 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 21 januari 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 12 februari 2002 hebben burgemeester en wethouders van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van burgemeester en wethouders. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juli 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. J.J.G. Palmen, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 15, tweede lid, van het Besluit rijkssubsidiëring restauratie monumenten 1997 (hierna: het Besluit) zenden burgemeester en wethouders van een niet-budgethoudende gemeente de aanvraag, vergezeld van een door hen opgestelde berekening van de hoogte van de subsidiabele restauratiekosten, binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag door aan gedeputeerde staten.

2.2. Burgemeester en wethouders hebben de aanvraag van appellante van 12 maart 2000 en de door hen opgestelde berekening van de subsidiabele restauratiekosten niet binnen de in voormeld artikel 15, tweede lid, van het Besluit gestelde termijn aan gedeputeerde staten doorgezonden. De gemeente Onderbanken is een niet-budgethoudende gemeente.

2.3. Tussen partijen is thans niet in geschil dat burgemeester en wethouders niet op de aanvraag van 12 maart 2000 konden beslissen, omdat de bevoegdheid daartoe aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen toekomt. Het bezwaar van appellante was echter mede gericht tegen het niet-nemen van een dergelijk besluit door burgemeester en wethouders. Nu burgemeester en wethouders terzake geen besluit konden nemen, had het bezwaar in zoverre ongegrond verklaard dienen te worden. Dit heeft de rechtbank miskend.

Het bezwaarschrift van appellante van 19 februari 2001 strekt voor het overige ten betoge dat burgemeester en wethouders haar van een door hen opgestelde berekening van de hoogte van de subsidiabele restauratiekosten vergezelde aanvraag van 12 maart 2000 alsnog doorzenden aan gedeputeerde staten. Door dat op 22 maart 2001 te doen, zijn burgemeester en wethouders in zoverre aan het bezwaar tegemoet gekomen en had appellante op 24 april 2001 geen belang meer bij het gemaakte bezwaar. Het was in zoverre niet-ontvankelijk. De rechtbank heeft het beroep in zoverre terecht ongegrond verklaard.

2.4. Het besluit van 24 april 2001 komt, voorzover is nagelaten het bezwaar tegen het niet-nemen van een besluit op de aanvraag door burgemeester en wethouders ongegrond te verklaren, voor vernietiging in aanmerking. Het hoger beroep is in zoverre gegrond. De uitspraak van 5 december 2001 dient in zoverre te worden vernietigd.

De Afdeling zal doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen door het bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre alsnog gegrond te verklaren en het besluit van 24 april 2001 te vernietigen. Zij ziet aanleiding om op na te melden wijze in de zaak te voorzien en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.5. Burgemeester en wethouders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Maastricht van 5 december 2001, kenmerk AWB 01/715 BELEI E V, voorzover daarbij niet onder gedeeltelijke gegrondverklaring van het beroep het besluit van burgemeester en wethouders van Onderbanken van 24 april 2001 ten dele is vernietigd;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gedeeltelijk gegrond;

IV. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Onderbanken van 24 april 2001, voorzover daarbij niet het bezwaar tegen het niet-beslissen op de aanvraag ongegrond is verklaard;

V. verklaart het bezwaar in zoverre ongegrond;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit, voorzover dit is vernietigd;

VII. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VIII. veroordeelt burgemeester en wethouders van Onderbanken in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Onderbanken aan appellante te worden betaald;

IX. gelast dat de gemeente Onderbanken aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 267,10 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Sparreboom

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2002

195-209.