Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6207

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-08-2002
Datum publicatie
07-08-2002
Zaaknummer
200103986/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200103986/1.

Datum uitspraak: 7 augustus 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4. burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk,

en

gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 maart 1998 heeft de gemeenteraad van Oisterwijk, op voorstel van burgemeester en wethouders van 3 maart 1998, vastgesteld het bestemmingsplan "Buitengebied, deel Moergestel". Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 20 oktober 1998, no. 196336, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Bij uitspraak van 5 januari 2001, no. E01.98.0653, heeft de Afdeling het besluit van verweerders van 20 oktober 1998 gedeeltelijk vernietigd.

Verweerders hebben bij besluit van 3 juli 2001, no. 766172, een nieuwe beslissing omtrent goedkeuring genomen. Dit besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 9 augustus 2001, bij de Raad van State ingekomen op 13 augustus 2001, appellanten sub 2 bij brief van 10 september 2001, bij de Raad van State ingekomen op 11 september 2001, appellant sub 3 bij telefaxbericht van 11 september 2001, en appellanten sub 4 bij brief van 11 september 2001, bij de Raad van State ingekomen op 13 september 2001, beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 12 december 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 maart 2002, waar appellant sub 1 vertegenwoordigd door mr. S.L.M. van Haaren, gemachtigde, appellanten sub 2 vertegenwoordigd door mr. A.A. Fasting, gemachtigde, appellant sub 3 vertegenwoordigd door mevrouw mr. M.A. de Boer, gemachtigde, appellanten sub 4 vertegenwoordigd door mevrouw ing. F.J.M. Bergevoet, ambtenaar van de gemeente, en verweerders, vertegenwoordigd door P.H.G.M. Jansen, ambtenaar bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is namens de gemeenteraad van Oisterwijk mevrouw ing. F.J.M. Bergevoet, voornoemd, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.3. Appellant sub 1 stelt dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben onthouden aan artikel 10.2.2, sub a, 1ste volzin, van de planvoorschriften voorzover betrekking hebbende op het plandeel met de bestemming "Semi- en niet-agrarische bedrijven" en de subbestemming "stalling van caravans e.t.q. (s 1)" wat betreft de gronden aan de [locatie] alsmede aan de bestemming "Agrarisch gebied met abiotische waarden" voor dit perceel. Appellant stelt daarenboven dat verweerders ten onrechte een nieuwe beslissing hebben genomen aangezien de Afdeling hiertoe geen opdracht heeft gegeven. Voorts heeft appellant gesteld dat verweerders de uitspraak van de Afdeling niet in acht hebben genomen. Ten onrechte hebben verweerders niet zelf onderzoek gedaan naar de exploitatiemogelijkheden van zijn bedrijf, maar dit overgelaten aan het gemeentebestuur. Dit leidt, aldus appellant, tot vertraging. Verder acht appellant onjuist het standpunt van verweerders dat voor de uitbreidingsmogelijkheden van zijn bedrijf het streekplanbeleid bepalend is.

2.3.1. Verweerders hebben goedkeuring aan het bovengenoemde planvoorschrift en plandeel onthouden omdat gezien de uitspraak van de Afdeling nader inzicht nodig is in de feitelijke situatie waarin het bedrijf van appellant zich bevindt. Dit vereist, aldus verweerders, nader onderzoek dat door het gemeentebestuur verricht moet worden. Verweerders gaan ervan uit dat de resultaten van dit onderzoek worden afgewogen tegen het provinciale beleid en zullen leiden tot een zodanige regeling dat in geen geval strijdigheid met het streekplan, dat uitgaat van redelijke uitbreidingsmogelijkheden, zal ontstaan. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting doelen verweerders hierbij op uitbreidingsmogelijkheden van 15%.

2.3.2. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 5 januari 2001, E01.98.0653, onder meer het volgende overwogen:

“In het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak is vermeld dat het onzeker is of het bedrijf met de in het plan voorziene uitbreidingsregeling voldoende exploitatiemogelijkheden heeft. De Afdeling ziet geen reden daarover anders te oordelen.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat verweerders in dit geval ten onrechte bij de totstandkoming van het bestreden besluit niet hebben bezien welke gevolgen de in het plan opgenomen uitbreidingsregeling kan hebben voor de exploitatie van het bedrijf van appellant sub 7.

Gelet hierop is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. In verband hiermee is het beroep van appellant sub 7 gegrond en bestaat aanleiding het bestreden besluit te vernietigen voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan de uitbreidingsmogelijkheid van 15% neergelegd in artikel 10.2.2, aanhef en onder a, van de planvoorschriften wat betreft de gronden met de bestemming "Semi- en niet-agrarische bedrijven" en de subbestemming "stalling van caravans e.t.q.

(s 1)" aan de [locatie] en voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan de gronden met de bestemming "Agrarisch gebied met abiotische waarden" aan de [locatie].”

2.3.3. Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening wordt het bestemmingsplan aan de goedkeuring van gedeputeerde staten onderworpen.

Ingevolge het tweede lid, eerste volzin, beslissen gedeputeerde staten omtrent de goedkeuring binnen twaalf weken of, indien tegen het vastgestelde plan tijdig bedenkingen zijn ingebracht krachtens artikel 27, binnen zes maanden na afloop van de termijn van terinzageligging, bedoeld in artikel 26.

Gelet op deze bepalingen bestaat voor verweerders de verplichting te beslissen omtrent de goedkeuring van het door de gemeenteraad vastgestelde bestemmingsplan.

Indien de Afdeling het besluit omtrent de goedkeuring geheel of ten dele vernietigt dienen verweerders een nieuw besluit te nemen, aangezien na vernietiging niet meer aan die verplichting is voldaan.

Op verweerders rustte derhalve de verplichting opnieuw een besluit te nemen, wat betreft het vernietigde deel van hun besluit van 20 oktober 1998. De omstandigheid dat de Afdeling verweerders niet ingevolge artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft opgedragen een nieuw besluit te nemen doet hieraan niet af.

2.3.4. Gezien voormelde uitspraak is de Afdeling voorts van oordeel dat verweerders een nader onderzoek naar de feiten en omstandigheden betreffende het bedrijf van appellant nodig hebben kunnen achten. Deze uitspraak staat er niet aan in de weg en evenmin is het onredelijk dat verweerders het geraden hebben gevonden dat het gemeentebestuur dit onderzoek verricht. Nu de uitkomst van dit onderzoek bepalend zal zijn voor het antwoord op de vraag of en, zo ja, welke uitbreidingsmogelijkheden in het plan worden opgenomen, ligt het in de rede dat dit onderzoek in de besluitvormingsfase voorafgaand aan de planvaststelling en derhalve door het gemeentebestuur wordt uitgevoerd. Voorts neemt de Afdeling in dit verband in aanmerking dat de termijn waarbinnen verweerders opnieuw een beslissing dienden te nemen over de onderhavige onderdelen van het plan was beperkt tot zes maanden na verzending van de uitspraak van 5 januari 2001.

Gelet op het vorenstaande kon bij het bestreden besluit het standpunt worden ingenomen dat onvoldoende is onderzocht en dusdoende onduidelijk is welke uitbreidingsmogelijkheden voor het bedrijf passend zijn. Derhalve hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de uitbreidingsmogelijkheden zoals die thans in meergenoemde onderdelen van het plan zijn voorzien in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Geoordeeld moet derhalve worden dat zij op zich terecht goedkeuring hebben onthouden aan deze onderdelen van het plan.

2.3.5. Ten aanzien van de door appellant sub 1 bestreden motivering zoals aan deze onthouding van goedkeuring ten grondslag gelegd, overweegt de Afdeling het volgende.

Deze motivering laat zich aldus begrijpen dat, indien op basis van het onderzoek tot uitbreidingsmogelijkheden voor het bedrijf wordt besloten, deze in ieder geval de in het streekplan neergelegde norm van 15% niet te boven mogen gaan. In meergenoemde uitspraak van de Afdeling ligt evenwel het oordeel besloten dat het in voorkomend geval, afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek, aangewezen kan zijn te voorzien in uitbreidingsmogelijkheden van meer dan 15%. De motivering van de onthouding van goedkeuring schiet tekort voorzover dit laatste daarin niet tot uitdrukking is gebracht. In verband hiermee is het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep van appellant is in zoverre gegrond zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voorzover daarbij goedkeuring is onthouden aan artikel 10.2.2, sub a, 1ste volzin, van de planvoorschriften voorzover betrekking hebbende op het plandeel met de bestemming "Semi- en niet-agrarische bedrijven" en de subbestemming "stalling van caravans e.t.q. (s 1)" wat betreft de gronden aan de [locatie] alsmede aan de bestemming "Agrarisch gebied met abiotische waarden" voor dit perceel. Nu de Afdeling, zoals hiervoor reeds is overwogen, van oordeel is dat op zich terecht goedkeuring is onthouden aan deze onderdelen van het plan, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in zoverre goedkeuring te onthouden aan het plan.

Het bovenstaande brengt met zich dat het gemeentebestuur bij het maken van een planherziening ter voldoening aan artikel 30, voornoemd, als motivering van de onthouding van goedkeuring in acht dient te nemen hetgeen de Afdeling hiervoor heeft aangegeven.

2.4. Appellanten sub 2, 3 en 4 stellen dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben onthouden aan de plandelen met de bestemmingen "Agrarisch gebied" en "Agrarisch gebied met abiotische waarden" met de differentiatie "dalvormige laagte (G)" wat betreft de gronden die liggen tussen de Driehuizerweg, Floraweg, Heizenschedijk/Goyardsdijk en de zuidelijke plangrens. Appellanten sub 2 en 3 stellen dat nu blijkens de tellingen het aantal grutto’s is afgenomen het gebied niet waardevol is voor weidevogels. Zij twijfelen bovendien aan de betrouwbaarheid van deze tellingen. Verder is er ten onrechte geen onderzoek uitgevoerd naar de aantrekkelijkheid van het gebied voor weidevogels. Een aanlegvergunningenstelsel is voor appellanten te bezwarend. Appellanten sub 4 stellen dat het agrarisch gebruik niet verder behoort te worden beperkt dan strikt noodzakelijk. Verschillende percelen in het gebied zijn in het verleden omgezet in bouwland. In het landinrichtingsplan is het gebied voorzien voor agrarisch gebruik.

2.4.1. Verweerders hebben evengenoemde plandelen in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening. Hiertoe hebben zij overwogen dat ter voldoening aan de uitspraak van de Afdeling van 5 januari 2001, E01.98.0653, op 24 april en 30 mei 2001 tellingen hebben plaatsgevonden. Daaruit blijkt dat het aantal grutto’s weliswaar enigszins is afgenomen maar dat daarmee het gebied in de ogen van verweerders belangrijke (potentiële) waarden blijft behouden als natuurkerngebied voor weidevogels en onderdeel behoort te blijven vormen van de provinciale Groene Hoofdstructuur. De aanwezigheid van natuurwaarden betekent dat een op deze waarde gerichte bestemming en bescherming moet worden opgenomen. Een aanlegvergunningenplicht is voor bepaalde werkzaamheden noodzakelijk en doelmatig. Verweerders achten de aan dit gebied gegeven bestemmingen dan ook niet aanvaardbaar.

2.4.2. De Afdeling neemt het volgende in aanmerking.

De in geding zijnde plandelen zijn in de Ecologische Bouwstenennota aangeduid als “natuurkerngebied voor weidevogels” en maken deel uit van de provinciale Groene Hoofdstructuur. Blijkens vogeltellingen van 24 april en 30 mei 2001 bevinden zich ongeveer vier gruttoparen in het gebied waarop de plandelen betrekking hebben. In 1999 waren ter plekke zeven paren geteld. Er is geen grond voor het oordeel dat verweerders niet aan de hand van deze tellingen voor dit gebied nog altijd een op de aanwezige natuurwaarde gerichte bestemming en aanlegvergunningenplicht aangewezen hebben kunnen achten. De stelling van appellanten dat op de vogeltellingen niet kan worden afgegaan enkel op de grond dat deze tellingen zijn gedaan door ambtenaren van de provincie is onvoldoende om aan de deugdelijkheid van die tellingen te twijfelen. Aan bovenstaand oordeel draagt voorts bij dat het onderhavige gebied een verbinding vormt tussen het gebied ten noorden en ten zuiden daarvan waar respectievelijk zeventien en vier gruttoparen zijn geteld.

Wat betreft de door appellanten tegen de voorgestane bestemmingsregeling met een aanlegvergunningenstelsel aangevoerde bezwaren moet in aanmerking genomen worden dat blijkens de stukken, en zoals appellanten ook stellen, nu reeds een groot deel van de plandelen uit bouwland bestaat en dat het tijdelijk omzetten van grasland in bouwland, zij het met vergunning, mogelijk zal blijven. Een aanlegvergunningenstelsel zal naar het oordeel van de Afdeling dan ook niet zodanige bezwaren voor appellanten met zich brengen dat verweerders hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan het met de voorgestane bestemmingsregeling gediende belang. Dat de plandelen in het kader van het landinrichtingsplan voor “De Hilve” zijn aangewezen voor voortgezet agrarisch gebruik doet aan dit oordeel niet af.

Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Zij hebben daarom terecht goedkeuring onthouden aan de in geding zijnde plandelen.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen zijn ongegrond.

2.5. Ten aanzien van appellant sub 1 dienen verweerders op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Ten aanzien van appellanten sub 2, 3 en 4 bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van appellant sub 1 gegrond;

II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 3 juli 2001, no. 766172, voorzover daarbij goedkeuring is onthouden aan artikel 10.2.2, sub a, 1ste volzin, van de planvoorschriften voorzover betrekking hebbende op het plandeel met de bestemming "Semi- en niet-agrarische bedrijven" en de subbestemming "stalling van caravans e.t.q. (s 1)" wat betreft de gronden aan de [locatie] alsmede aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met abiotische waarden" voor dit perceel;

III. onthoudt goedkeuring aan de onder II vermelde planonderdelen;

IV. bepaalt dat onderdeel III van deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voorzover dit is vernietigd;

V. verklaart het beroep van appellanten sub 2, 3 en 4 ongegrond;

VI. veroordeelt gedeputeerde staten van Noord-Brabant in de door appellant sub 1 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 683,92, waarvan een gedeelte groot € 644,37 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de provincie Noord-Brabant te worden betaald aan appellant sub 1;

VII. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellant sub 1 het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 102,10) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en dr. J.J.C. Voorhoeve en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.P. de Rooy, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. De Rooy

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2002

59-316.