Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6205

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-08-2002
Datum publicatie
07-08-2002
Zaaknummer
200104311/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200104311/1.

Datum uitspraak: 7 augustus 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 9 augustus 2001 in het geding tussen:

appellanten

en

burgemeester en wethouders van Leiderdorp.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2001 hebben burgemeester en wethouders van Leiderdorp (hierna: burgemeester en wethouders) aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een dakopbouw op de woning, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 19 juni 2001 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Commissie Beroep- en Bezwaarschriften van 28 mei 2001, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 9 augustus 2001, verzonden op 14 augustus 2001, heeft de president van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de president) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 27 augustus 2001, bij de Raad van State ingekomen op 29 augustus 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 30 oktober 2001 is van vergunninghouder een schriftelijke uiteenzetting over de zaak ontvangen.

Bij brief van 6 november 2001 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 mei 2002, waar appellanten in persoon en bijgestaan door mr. M. Goedkoop, advocaat te Alphen aan den Rijn, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door J.C. Borst, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Verder is daar vergunninghouder, vertegenwoordigd door mr. M.J.H.M. Verhoeven, advocaat te Den Haag, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het bestemmingsplan “Zijllaan en Meijepolder 1969” (hierna: het plan) rust op het betrokken perceel de bestemming “Eensgezinshuizen in open bebouwing met bijbehorende erven (EO)”.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, onder e, van de planvoorschriften moet de goothoogte van de als zodanig aangewezen woningen ten minste 5 meter bedragen en mag deze hoogte niet meer dan 6 meter bedragen.

Ingevolge artikel 30 I, eerste lid en onder a, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, mogen bouwwerken die op het tijdstip van de tervisielegging van het plan reeds bestaan en die afwijken van het plan, gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, of met ten hoogste 10% van de bestaande afmetingen worden uitgebreid.

2.2. Appellanten betogen dat de bouwvergunning in strijd met het van toepassing zijnde overgangsrecht van het plan is verleend.

2.3. De woning is gebouwd in de jaren 20 van de vorige eeuw. Totdat de dakopbouw daarop werd geplaatst, is het oorspronkelijke ontwerp van de woning niet gewijzigd. Niet in geschil is dat voordat uitvoering werd gegeven aan het bouwplan, de goothoogte van de woning 6,50 meter bedroeg. Dit betekent dat op het bouwwerk artikel 30 I, eerste lid en onder a, van de planvoorschriften van toepassing is.

2.4. Ingevolge artikel 30 I, eerste lid en onder a, van de planvoorschriften mogen de bestaande afmetingen van de daarin vermelde bouwwerken met niet meer dan 10% worden uitgebreid. Voor de verbouwing bedraagt de voorgevel blijkens de bij de aanvraag gevoegde bouwtekeningen 7,05 meter. Na de verbouwing bedraagt de nok van de woning 9,65 meter. Hieruit volgt dat het bouwplan een uitbreiding omvat die in strijd is met het plan. Dat het bouwplan op zichzelf niet strijdig is met het plan doet niet af aan de toepasselijkheid van artikel 30 I, eerste lid en onder a, van de planvoorschriften. De bestaande strijdigheid van het bouwwerk als geheel wordt immers niet opgeheven. Gelet op artikel 30 I, eerste lid en onder a, van de planvoorschriften valt evenmin in te zien dat de bewoordingen “bestaande afmetingen” slaan op de afmetingen zoals die elders in de planvoorschriften zijn opgenomen. Deze bewoordingen hebben betrekking op de bestaande afmetingen van het bouwwerk dat afwijkt van het plan.

2.5. Nu niet is gebleken dat krachtens het plan of anderszins met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling daarvan is verleend, is de bouwvergunning in strijd met artikel 44, aanhef en onder c, van de Woningwet verleend. De rechtbank heeft dit miskend. Het betoog van appellanten treft doel.

2.6. Het hoger beroep is gegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank behoorde te doen, zal de Afdeling het beroep van appellanten gegrond verklaren en de beslissing op bezwaar van 19 juni 2001 vernietigen.

2.7. Burgemeester en wethouders dienen op hierna te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 9 augustus 2001, AWB 01/2527 WW44 en AWB 01/2526 WW44;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Leiderdorp van 19 juni 2001 waarvan appellanten bij brief van 20 juni 2001, kenmerk ROM/ILN/1471, in kennis zijn gesteld;

I. draagt burgemeester en wethouders van Leiderdorp op om binnen tien weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen en dit aan appellant toe te zenden;

V. veroordeelt burgemeester en wethouders van Leiderdorp in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1288,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Leiderdorp te worden betaald aan appellanten;

VI. gelast dat de gemeente Leiderdorp aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (totaal € 358,49) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van Staat.

w.g. van Ettekoven w.g. Huijben

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2002

313.