Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6203

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-08-2002
Datum publicatie
07-08-2002
Zaaknummer
200200312/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Besluit milieu-effectrapportage 1994
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2003, 32
Module Ruimtelijke ordening 2002/3784
JOM 2006/763
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200200312/1.

Datum uitspraak: 7 augustus 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting Brabantse Milieufederatie", gevestigd te Tilburg, en anderen,

appellanten,

en

gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2001, kenmerk 697685, hebben verweerders beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan “Bosgebied-West” van de gemeente Son en Breugel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft dit besluit vernietigd bij uitspraak van 31 augustus 2001, no. 200101378/5.

Naar aanleiding van genoemde uitspraak hebben verweerders bij besluit van 23 oktober 2001, kenmerk 744650, opnieuw beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan “Bosgebied-West”. Dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 10 januari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 11 januari 2002, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juli 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. J.M.E. Kessels, advocaat te Venlo, en [gemachtigde], en verweerders, vertegenwoordigd door J.V. Nefkens, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts zijn daar gehoord de gemeenteraad van Son en Breugel, vertegenwoordigd door mr. J.A.M. van der Velden, advocaat te Rotterdam, en de stichting “Stichting Golf”, vertegenwoordigd door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.3. Het beroep richt zich tegen de mogelijkheden die het plan biedt om een golfterrein aan te leggen in het zuidoostelijk deel van het plangebied. Appellanten betogen dat de aanleg van het golfterrein een activiteit betreft waarvoor de m.e.r.-beoordelingsprocedure, zoals bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer moet worden gevolgd.

2.4. Ter zitting hebben verweerders en de gemeenteraad betoogd dat deze beroepsgrond niet-ontvankelijk moet worden verklaard, aangezien deze beroepsgrond niet eerder in de procedure naar voren is gebracht.

Appellanten ageren in hun zienswijzen en bedenkingen tegen het plandeel waaraan de bestemming “Golfbaan” is toegekend. De beroepsgrond dat voor de aanleg van het golfterrein de m.e.r.-beoordelingsprocedure gevolgd moet worden, vindt hierin zijn grondslag. Gelet hierop bestaat geen aanleiding het beroep in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren.

2.5. Verweerders hebben in het bestreden besluit overwogen dat voor het plan geen m.e.r.-beoordeling behoeft plaats te vinden, aangezien ingevolge artikel II van het Besluit milieu-effectrapportage 1994, zoals gewijzigd bij besluit van 7 mei 1999 (hierna: het Besluit), de wijziging van het Besluit niet van toepassing is, zodat naar hun oordeel het plan beoordeeld dient te worden aan de hand van de oude versie van het Besluit milieu-effectrapportage 1994.

2.6. In bovengenoemd artikel II is, voorzover hier van belang, bepaald dat indien voor 14 maart 1999 met betrekking tot een activiteit als bedoeld in artikel 7.2. of 7.4. van de Wet milieubeheer mededeling is gedaan van een ontwerp onderscheidenlijk een voorontwerp van een besluit bij de voorbereiding waarvan een milieu-effectrapport moet worden gemaakt en dit ontwerp onderscheidenlijk dit voorontwerp ter inzage is gelegd, het voor dat tijdstip geldende recht van toepassing blijft.

Voorzover in dit artikel wordt gesproken van een voorontwerp overweegt de Afdeling dat dit begrip in de Wet op de Ruimtelijke Ordening niet voorkomt. Ook in de wetsgeschiedenis zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat aan dit begrip juridische betekenis moet worden toegekend. Zoals de Afdeling reeds heeft overwogen in haar uitspraak van 29 augustus 2001, no. 200001987/1 (BR 2002/137) dient bij de toepassing van artikel II wat betreft de vraag welk recht van toepassing is, dan ook uitgegaan te worden van het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan.

Het ontwerp-bestemmingsplan is met ingang van 17 februari 2000 ter inzage gelegd, zodat ingevolge artikel II van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 de vraag of voor het plan een m.e.r.-beoordeling had moeten plaatsvinden, beoordeeld moet worden aan de hand van de ingaande 6 juli 1999 gewijzigde versie van het Besluit milieu-effectrapportage 1994.

2.7. Ingevolge onderdeel D 10.2 van de bijlage bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994, voorzover hier van belang, is de aanleg, wijziging, of uitbreiding van een golfbaan voorzover de activiteit betrekking heeft op gronden met een andere dan een agrarische bestemming en op 9 holes of meer m.e.r.-beoordelingsplichtig en wel bij de vaststelling van het ruimtelijk plan dat als eerste in de mogelijke aanleg, wijziging of uitbreiding voorziet.

2.8. Het plan voorziet in de aanleg van een golfbaan met 9 holes op gronden met een andere dan enkel een agrarische bestemming. De Afdeling constateert voorts dat (de vaststelling van) het bestemmingsplan moet worden beschouwd als het besluit dat als eerste in de aanleg van een golfbaan met 9 holes voorziet. Verweerders zijn er in het bestreden besluit derhalve ten onrechte vanuit gegaan dat de m.e.r.-beoordelingsplicht niet gold.

2.9. Geconcludeerd moet worden dat het plan is vastgesteld in strijd met het bepaalde in artikel 7.27, derde lid, van de Wet milieubeheer. Door het plan niettemin goed te keuren, hebben verweerders gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.10. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd. Nu rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hierna te melden wijze in de zaak te voorzien en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit. In verband hiermee behoeft hetgeen appellanten overigens naar voren hebben gebracht geen bespreking meer.

2.11. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 23 oktober 2001, kenmerk 744650, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan de bestemming “Golfbaan”;

III. onthoudt goedkeuring aan de bestemming “Golfbaan”;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voorzover dit is vernietigd;

V. veroordeelt gedeputeerde staten van Noord-Brabant in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 448,11, waarvan een gedeelte groot € 322,18 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat provincie Noord-Brabant aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.H. Lauwaars, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. K. Brink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.J. Aerts, ambtenaar van Staat.

w.g. Lauwaars w.g. Aerts

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2002

303.