Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6202

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-08-2002
Datum publicatie
07-08-2002
Zaaknummer
200103250/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200103250/1.

Datum uitspraak: 7 augustus 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzoek van:

[verzoekers], wonend te [woonplaats]

om herziening van de uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2001, no. 200001621/1,

1. Procesverloop

Bij uitspraak van 18 januari 2001, no. 200001621/1, heeft de Afdeling het hoger beroep van verzoekers tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 22 februari 2000, reg.no. 99/370 GEMW, ongegrond verklaard en deze uitspraak bevestigd. De uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2001 is aangehecht.

Bij brief van 19 juni 2001, bij de Raad van State ingekomen op 5 juli 2001, hebben verzoekers verzocht die uitspraak te herzien. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 17 december 2001 hebben burgemeester en wethouders een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 mei 2002, waar appellanten in persoon en bijgestaan door mr. H.S. Weeda, gemachtigde, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. R. Lever, advocaat te Leiden, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 17 oktober 1995 is aan verzoekers een vergunning verleend voor het bouwen van een serre achter de achtergevel van de woning, van [locatie] te [plaats] overeenkomstig de bij het besluit gevoegde gewaarmerkte tekeningen van het bouwplan. Nadien is door ambtenaren van de gemeente vastgesteld dat de serre niet overeenkomstig deze tekeningen is gebouwd. Naar aanleiding hiervan hebben burgemeester en wethouders bij besluit van 6 augustus 1998 aan verzoekers een last onder dwangsom opgelegd. Dit besluit was onder meer aan de orde bij de voormelde uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2001.

2.2. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de Afdeling op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2.3. Volgens verzoekers is inmiddels vast komen te staan dat tijdens de behandeling van de aanvraag die tot het besluit van 17 oktober 1995 heeft geleid, de bij de aanvraag overgelegde tekeningen zonder hun toestemming zijn vervangen door andere tekeningen. Daartoe verwijzen zij naar een op hun verzoek verricht onderzoek door de inspecteur van de ruimtelijke ordening en naar verklaringen die naar aanleiding van een daarmee verband houdende aangifte ten overstaan van de politie zijn afgelegd. Verzoekers betogen dat hieruit volgt dat zij artikel 40 van de Woningwet niet hebben overtreden en dat de last onder dwangsom derhalve ten onrechte is opgelegd. Zij menen dat de voormelde omstandigheden tot een andere uitkomst van de uitspraak van 18 januari 2001 zouden hebben geleid.

2.4. Het uitvoeren van het voormelde onderzoek en het afleggen van evenbedoelde verklaringen dateren op zichzelf van na de uitspraak van 18 januari 2001 doch betreffen feiten en omstandigheden die zich voor die uitspraak hebben voorgedaan. Onderzoek en verklaringen hebben immers betrekking op hetgeen zich ten aanzien van de bewuste aanvraag heeft voorgedaan dan wel zou hebben voorgedaan. In zoverre gaat het om nieuw bewijs ten aanzien van de door verzoekers – ook in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van 18 januari 2001 – eerder betrokken stellingen van feitelijke aard. Hiermee is gegeven dat het onderhavige verzoek niet wordt ondersteund met feiten en omstandigheden die verzoekers niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn voor die uitspraak.

2.5. Voorts klagen verzoekers over de bejegening door ambtenaren van de gemeente en rechters van de rechtbank te Den Haag. Volgens verzoekers geeft deze bejegening blijk van de wijze waarop met hun belangen wordt omgesprongen. Nog los van het feit dat het verzoek in zoverre evenmin wordt ondersteund met feiten en omstandigheden die bij verzoekers vóór de uitspraak van 18 januari 2001 niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, betreft het hier feiten en omstandigheden die, waren zij de Afdeling eerder bekend geweest, niet tot een ander oordeel zouden hebben kunnen leiden.

2.6. Hetgeen verzoekers hebben aangevoerd ten aanzien van het schikkingsvoorstel van burgemeester en wethouders waarop zij bij brief van 9 mei 2001 hebben gereageerd, kan niet tot herziening van de uitspraak van 18 januari 2001 leiden. Het verzoek heeft in zoverre betrekking op feiten en omstandigheden die zich na deze uitspraak hebben voorgedaan en kunnen reeds daarom geen grond zijn voor herziening.

2.7. Gelet op het vorenstaande bevat het verzoek geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het verzoek moet worden afgewezen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van Staat.

w.g. van Ettekoven w.g. Huijben

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2002

313.