Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6192

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-08-2002
Datum publicatie
07-08-2002
Zaaknummer
200104802/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200104802/1.

Datum uitspraak: 7 augustus 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8] en [appellant sub 9], allen te [woonplaats],

en

burgemeester en wethouders van Zevenhuizen-Moerkapelle,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 augustus 2001, kenmerk 5167/2000, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een vleeskuiken- en akkerbouwbedrijf op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummer […]. Dit aangehechte besluit is op 16 augustus 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 26 september 2001, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag per fax, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 29 oktober 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 april 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerders, vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen.

Voorts is vergunninghouder als partij gehoord, bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Ingevolge artikel 3:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, kan een ieder binnen vier weken na de dag waarop het ontwerp van het besluit ter inzage is gelegd, daartegen bij het bestuursorgaan schriftelijk bedenkingen inbrengen.

Ingevolge artikel 13.4, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, voorzover hier van belang, geschiedt, indien de aanvraag om een vergunning betrekking heeft op een inrichting, de terinzagelegging, bedoeld in artikel 3:19 van de Algemene wet bestuursrecht, in ieder geval op het gemeentehuis van de gemeente waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak is of zal zijn gelegen, en wordt van het ontwerp gelijktijdig mededeling gedaan door niet op naam gestelde kennisgeving aan de gebruikers van gebouwde eigendommen die in de directe omgeving van de inrichting liggen, voorzover zodanige kennisgeving kan dienen om het beoogde doel te bereiken.

2.1.1. Niet in geschil is dat de termijn voor het inbrengen van bedenkingen gesteld in artikel 3:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht eindigde op 3 mei 2001.

2.1.2. Verweerders hebben gesteld dat het bedenkingenschrift van onder meer [appellant sub 8] en [appellant sub 5] van 3 mei 2001, op 4 mei 2001 omstreeks 00:15 uur, en derhalve niet tijdig, per fax bij de gemeente is ingekomen. Zij hebben in dit verband gewezen op de tijdsaanduiding die op het faxbericht staat aangegeven.

Appellanten hebben zich op het standpunt gesteld dat [appellant sub 8] en [appellant sub 5] tijdig bedenkingen tegen het ontwerp-besluit hebben ingebracht, nu zij het bedenkingenschrift van 3 mei 2001 op dezelfde dag omstreeks 23:20 uur per fax naar verweerders hebben verzonden.

2.1.3. In beginsel moet ervan worden uitgegaan dat de fax bij de gemeente is ingekomen op de datum en het tijdstip die zijn vermeld op het faxbericht. Dit beginsel lijdt slechts uitzondering indien de indieners aannemelijk maken dat de fax eerder is binnengekomen.

Eerst ter zitting hebben appellanten een elektronische gespecificeerde gespreksregistratie van KPN overgelegd waaruit huns inziens valt af te leiden dat het bedenkingenschrift van onder meer [appellant sub 8] en [appellant sub 5] van 3 mei 2001 op dezelfde dag omstreeks 23.20 uur per fax naar verweerders is gestuurd. De andere partijen zijn ter zitting in de gelegenheid gesteld hiervan kennis te nemen. Door het eerst ter zitting overleggen van dit stuk zijn deze partijen naar het oordeel van de Afdeling niet in hun procesvoering belemmerd. De elektronische gespecificeerde gespreksregistratie van KPN kan derhalve bij het oordeel van de Afdeling omtrent de ontvankelijkheid van het beroep van [appellant sub 8] en [appellant sub 5] worden betrokken.

Uit de elektronische gespecificeerde gespreksregistratie van KPN komt naar voren dat op 3 mei 2001 om 23:20 uur gedurende 7 minuten en 12 seconden contact heeft plaatsgevonden tussen het telefaxapparaat van de gemachtigde van appellanten en dat van verweerders. Uit de elektronische gespreksregistratie blijkt verder dat op 3 mei 2001 na 23.20 uur niet nogmaals contact heeft plaatsgevonden tussen het telefaxapparaat van de gemachtigde van appellanten en dat van verweerders. Ook vermeldt de elektronische gespreksregistratie geen contact met het telefaxapparaat van verweerders op 4 mei 2001. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat appellanten voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat [appellant sub 8] en [appellant sub 5] tijdig bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp-besluit. Het beroep van [appellant sub 8] en [appellant sub 5] is daarom op grond van artikel 20.6, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer ontvankelijk.

2.1.4. [Appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 6] en [appellant sub 9] hebben geen bedenkingen tegen het ontwerp-besluit ingebracht. Zij zijn echter van mening dat hun dit redelijkerwijs niet kan worden verweten, aangezien verweerders in strijd met artikel 13.4, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer niet aan alle gebruikers van gebouwde eigendommen in de directe omgeving van de inrichting een kennisgeving van het ontwerp-besluit hebben gestuurd. Zij zijn voorts van mening dat het bestreden besluit om deze reden dient te worden vernietigd.

Verweerders hebben gesteld dat aan alle vereisten voor de bekendmaking van het ontwerp-besluit is voldaan.

2.1.5. Niet in geschil is dat de genoemde appellanten gebruikers zijn van gebouwde eigendommen in de directe omgeving van de inrichting.

De Afdeling stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat verweerders naar de gebruikers van gebouwde eigendommen aan de [locaties] een kennisgeving als bedoeld in artikel 13.4, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer hebben gestuurd. Verweerders hebben echter andere gebruikers van gebouwde eigendommen in de directe omgeving van de inrichting, waaronder de genoemde appellanten die wonen aan de [locaties], ten onrechte geen kennisgeving, welke had kunnen dienen om het beoogde doel te bereiken, gestuurd. Ter zitting is gebleken dat de afstand van deze woningen tot de inrichting niet noemenswaardig verschilt van die van de woningen aan de gebruikers waarvan verweerders wel een kennisgeving hebben gestuurd. Dit betekent dat [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 6] en [appellant sub 9] redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen tegen het ontwerp-besluit te hebben ingebracht en dat hun beroep op grond van artikel 20.6, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet milieubeheer ontvankelijk is. Dit betekent tevens dat het bestreden besluit zich niet verdraagt met artikel 13.4, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer. De Afdeling ziet geen aanleiding de schending van dit vormvoorschrift te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat niet valt uit te sluiten dat nog andere gebruikers van gebouwde eigendommen in de directe omgeving van de inrichting zijn belemmerd in hun mogelijkheden om hun bedenkingen kenbaar te maken en beroep in te stellen tegen het bestreden besluit.

2.2. Het beroep van appellanten is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Het beroep behoeft voor het overige geen bespreking.

2.3. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten van appellanten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Zevenhuizen-Moerkapelle van 7 augustus 2001, kenmerk 5167/2000;

III. veroordeelt burgemeester en wethouders van Zevenhuizen-Moerkapelle in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 669,55, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle te worden betaald aan appellanten;

IV. gelast dat de gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 102,10) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. E.M.H. Hirsch Ballin en mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. De Vink

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2002

154-399.