Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6055

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2002
Datum publicatie
31-07-2002
Zaaknummer
200202311/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vreemdelingenwet 2000
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/243
AB 2002, 340

Uitspraak

Raad

van State

200202311/1.

Datum uitspraak: 11 juni 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 12 februari 2002 in het geding tussen:

[vreemdeling]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 december 2001 heeft appellant (hierna: de staatssecretaris) een herhaalde aanvraag van [vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 12 februari 2002, verzonden op 28 maart 2002, heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 25 april 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 7 mei 2002 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 mei 2002, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door drs. N.H.A. Arkenbosch, ambtenaar in dienst van het ministerie, en de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. L. Vellenga-van Nieuwkerk, advocaat te Alkmaar, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan.

Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan de aanvraag, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, wanneer niet zulke feiten of omstandigheden worden vermeld.

2.2. In grief 1 en 2, in onderlinge samenhang bezien, wordt betoogd dat de rechtbank de door de vreemdeling bij de herhaalde aanvraag overgelegde kopieën van een oproep en een arrestatiebevel ten onrechte heeft aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb.

2.2.1. De grieven falen. Zij miskennen dat de staatssecretaris zijn beslissing om toepassing te geven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, omdat alsnog overgelegde documenten niet als rechtens relevante nova kunnen worden aangemerkt, niet kan baseren op de enkele grond dat de documenten zijn overgelegd ter toelichting van in de vorige asielprocedure naar voren gebrachte feiten en omstandigheden, waarover reeds onherroepelijk is beslist.

In een dergelijk geval kan de staatssecretaris slechts toepassing geven aan voornoemde bepaling, indien hij op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat de alsnog ingebrachte documenten in het kader van de behandeling van de oorspronkelijke aanvraag hadden kunnen en derhalve ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 hadden behoren te worden overgelegd.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden verwezen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de Staatssecretaris van Justitie in de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) te worden betaald aan de vreemdeling.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. M. Vlasblom en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.U. Kallan, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Kallan

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2002

15-385.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift

de Secretaris van de Raad van State

voor deze,