Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6017

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-07-2002
Datum publicatie
31-07-2002
Zaaknummer
200104141/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200104141/1.

Datum uitspraak: 31 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Middelburg van 12 juli 2001 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Veere.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 december 1996 hebben burgemeester en wethouders van Veere (hierna: burgemeester en wethouders) aan de [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor de bouw van een toiletgebouw op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 16 juli 1999 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 12 juli 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 20 augustus 2001, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Op 31 januari 2002 is bij de Raad van State een reactie ontvangen van [vergunninghouder].

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 juni 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. J. Wouters, advocaat te Middelburg, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. J. den Boer, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Tevens zijn daar gehoord [vergunninghouder].

2. Overwegingen

2.1. Vooropgesteld wordt dat de Afdeling, gelet op het zich bij de stukken bevindende afschrift van de bouwvergunning, geen aanleiding ziet om eraan te twijfelen dat de bouwvergunning van 30 december 1996 daadwerkelijk is verleend.

2.2. Ingevolge artikel 6:7, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van die wet geschiedt bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Ingevolge artikel 6:11, van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.3. Het besluit is op 30 december 1996 op de voorgeschreven wijze aan vergunninghouder bekendgemaakt. Appellant heeft zijn bezwaarschrift eerst op 21 april 1999 ingediend. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift was op dat moment verstreken.

2.4. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat burgemeester en wethouders de termijnoverschrijding ten onrechte niet verschoonbaar hebben geacht. Hij is van mening dat, nu de bouwaanvraag en de bouwvergunning op onjuiste wijze zijn gepubliceerd, hem niet kan worden verweten dat hij geen rechtsmiddelen heeft benut. Dit betoog faalt. Vast staat dat zowel de bouwaanvraag als het besluit tot vergunningverlening op onjuiste wijze zijn gepubliceerd. Uit de publicaties in het huis-aan-huis-blad “De Faam” in februari 1997 blijkt echter duidelijk dat de vergunning een toiletgebouw betrof op het perceel van vergunninghouder. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is voorts gebleken dat appellant in 1997 van de vergunningverlening op de hoogte was. Gelet op het voorgaande is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat, nu hij eerst op 21 april 1999 een bezwaarschrift heeft ingediend, er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.M. van Angeren, Voorzitter, en mr. C.A. Terwee-van Hilten en mr. P.A. Offers, Leden,

in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van Staat.

w.g. van Angeren w.g. Huijben

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2002

27-422.