Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6010

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-07-2002
Datum publicatie
31-07-2002
Zaaknummer
200105045/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2002, p. 136 (nr.3)

Uitspraak

200105045/1.

Datum uitspraak: 31 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Assen van 4 september 2001 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Hoogeveen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2000 hebben burgemeester en wethouders van Hoogeveen (hierna: burgemeester en wethouders) een verzoek van appellant om schadevergoeding afgewezen.

Bij besluit van 11 september 2000 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Commissie voor de bezwaar- en beroepschriften van 22 augustus 2000, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 4 september 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Assen (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 8 oktober 2001, bij de Raad van State ingekomen op 12 oktober 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 21 november 2001 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 februari 2002, waar [appellant] in persoon en bijgestaan door mr. W.B. van den Berg, advocaat te Meppel, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door J.P. Wind, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1 Bij brief van 15 juni 1999 heeft appellant burgemeester en wethouders verzocht hem toestemming te verlenen om in het pand [locatie] te [plaats] een kleinschalige massagesalon te drijven. In antwoord hierop hebben burgemeester en wethouders appellant bij brief van 25 juni 1999 medegedeeld dat de vestiging van een kleinschalige massagesalon op dit perceel past binnen de geldende bestemming. Bij besluit van 2 september 1999 hebben zij geweigerd appellant bouwvergunning te verlenen voor de verbouwing van genoemd pand tot massagesalon op de grond dat het gebruik in strijd is met de bestemming. Bij brief van 14 september 1999 heeft appellant burgemeester en wethouders vervolgens medegedeeld dat de exploitatie van de massagesalon die middag een aanvang zou nemen. Laatstgenoemden hebben appellant daarop bij besluit van 15 september 1999 onder oplegging van een dwangsom gelast zijn bedrijf met onmiddellijke ingang te sluiten.

Appellant heeft burgemeester en wethouders vervolgens bij brief van 16 september 1999 aansprakelijk gesteld voor de hieruit voor hem voortvloeiende schade.

De Voorzitter van de Afdeling heeft bij uitspraak van 20 maart 2000 in zaak nr. 199903698/1 de hoger beroepen van appellant, voorzover betreffende de gehandhaafde weigering om bouwvergunning te verlenen en de gehandhaafde last om het bedrijf te sluiten, ongegrond geoordeeld. Daartoe is overwogen dat ingevolge het bestemmingsplan op het perceel zaken in de sector dienstverlening zijn toegestaan, dat erotische dienstverlening evenwel niet is toegestaan en dat het ervoor moet worden gehouden dat de massagesalon tot deze laatste vorm van dienstverlening moet worden gerekend. Het door appellant onder verwijzing naar voormelde brief van 25 juni 1999 gedane beroep op het vertrouwensbeginsel is verworpen, op grond van de overweging dat uit deze brief niet zonder meer volgt, dat ook de vestiging van een massagesalon in de door appellant uiteindelijk gekozen vorm en opzet is toegestaan.

Burgemeester en wethouders hebben daarop het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

2.2 Naar appellant heeft gesteld bestaat de schade uit onder meer de kosten die met de huur van het pand waren gemoeid, verhuiskosten, gederfde inkomsten als gevolg van het opzeggen door appellant en zijn toenmalige echtgenote van hun betrekkingen, de kosten van de verbouwing van het pand en de aanschaf van inventaris, gederfde inkomsten als gevolg van de onmogelijkheid van exploitatie, kosten van juridische bijstand en accountantskosten.

2.3 Voor zover appellant aan zijn verzoek om schadevergoeding ten grondslag heeft gelegd dat voormelde besluiten van 2 en 15 september 1999 jegens hem onrechtmatig zijn, wordt overwogen dat deze besluiten, gelet op voormelde uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling van 20 maart 2000, formele rechtskracht hebben verkregen en derhalve zowel wat inhoud als wijze van totstandkoming betreft moeten worden geacht rechtmatig te zijn.

2.3.1 Voor zover appellant zijn verzoek om schadevergoeding heeft gegrond op de onrechtmatigheid jegens hem van voormelde brief van 25 juni 1999, wordt overwogen dat, al aangenomen dat de inhoud van deze brief kan worden aangemerkt als een besluit, als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, uit voormelde uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling van 20 maart 2000 volgt dat appellant uit deze brief, die betrekking had op een kleinschalige massagesalon, niet zonder meer het vertrouwen kon ontlenen dat de vestiging van een erotische massagesalon was toegestaan en dat tegen het gebruik van het pand voor dat doel niet zou worden opgetreden. Daarbij wordt nog overwogen dat niet is gebleken dat burgemeester en wethouders van appellants plannen voor de vestiging van een dergelijke massagesalon destijds wel op de hoogte waren en dat zij voorts in voormelde brief van appellant van 15 juni 1999, waarin uitsluitend wordt gesproken van de vestiging van een kleinschalige massagesalon, geen aanleiding hebben hoeven zien om bij appellant nadere inlichtingen in te winnen over de aard van het bedrijf dat hij wilde gaan voeren. Dat appellant zijn informatie terzake heeft beperkt, moet voor zijn rekening en risico blijven.

2.4 Voor zover appellant heeft beoogd te stellen dat de afwijzing van zijn verzoek strijd oplevert met het beginsel van de “égalité devant les charges publiques”, kan zijn beroep evenmin slagen. De weigering van de bouwvergunning is in overeenstemming met de wet en heeft appellant niet in een positie gebracht waarin hij schade lijdt die niet voor zijn rekening behoort te worden gelaten. Datzelfde oordeel geldt met betrekking tot het dwangsombesluit van 15 september 1999. Voorts ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat appellant als gevolg van de brief van 25 juni 1999 schade heeft geleden die niet voor zijn rekening behoort te blijven. Veeleer is de schade het gevolg van het feit dat appellant slechts beperkte informatie heeft verstrekt over de aard van zijn bedrijf.

2.5 Uit het vorenstaande volgt dat burgemeester en wethouders het verzoek om schadevergoeding hebben mogen afwijzen en dat de rechtbank terecht tot de slotsom is gekomen dat het besluit van 11 september 2000 niet voor vernietiging in aanmerking komt.

2.6 Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Boer, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Boer

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2002

201.