Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6006

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-07-2002
Datum publicatie
31-07-2002
Zaaknummer
200106290/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Bouwregelgeving 2002/78

Uitspraak

200106290/1.

Datum uitspraak: 31 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

burgemeester en wethouders van Den Haag,

appellanten,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Den Haag van 27 november 2001 in het geding tussen:

[partij], wonend te [woonplaats]

en

appellanten.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2000 hebben appellanten [partij] aangeschreven, onder aanzegging van bestuursdwang, om de doorgetrokken beplating over de bovenlichten van het pand op het perceel [locatie] (hierna: het perceel) te verwijderen.

Bij besluit van 11 september 2000 hebben appellanten het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften van 5 september 2000, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 27 november 2001, verzonden op 3 december 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te Den Haag (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en burgemeester en wethouders opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 20 december 2000, bij de Raad van State ingekomen op 21 december 2000, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 19 maart 2002 heeft [partij] een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juni 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. R. Sakkee, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. [Partij] is met bericht van verhindering niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 43, eerste lid, onder e, van de Woningwet is geen bouwvergunning vereist voor het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard aan een bouwwerk, met dien verstande dat die veranderingen geen betrekking hebben op de draagconstructie van het bouwwerk, geen uitbreiding van het bebouwde oppervlak plaatsvindt en het bestaande, niet wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd.

2.1.1. Zoals de Afdeling reeds herhaaldelijk heeft overwogen – zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 maart 1998, zaak nr. H01.97.0200 (gepubliceerd Gst. 7083,12) – dient de term “van niet-ingrijpende aard” niet alleen in bouwkundige maar ook in stedenbouwkundige zin te worden opgevat. Bij dat laatste aspect spelen zowel het planologische als het feitelijke effect dat de ter beoordeling staande verandering op de omgeving heeft een rol.

2.1.2. Gelet op de ter zitting getoonde foto’s is de Afdeling van oordeel dat als gevolg van het doortrekken van de beplating over de bovenlichten het bestaande gevelbeeld met architectonische waardevolle kenmerken ingrijpend wordt aangetast. Interessante elementen van de kozijnen zijn door de beplating weggewerkt. Burgemeester en wethouders hebben daarom terecht kunnen aannemen dat hier geen sprake is van een verandering van niet-ingrijpende aard zoals bedoeld in artikel 43, eerste lid, onder e, van de Woningwet.

2.2. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat voor het doortrekken van de beplating geen bouwvergunning was vereist.

2.3. Het hoger beroep is gegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling zelf op het beroep van [partij] beslissen.

2.4. Vaststaat dat [partij] de beplating heeft doorgetrokken zonder de benodigde bouwvergunning. Derhalve waren burgemeester en wethouders bevoegd handhavend op te treden.

2.5. Alleen in bijzondere gevallen kan van het bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van handhavend optreden tegen de illegale situatie. Een bijzonder geval kan worden aangenomen indien concreet zicht bestaat op legalisering daarvan.

2.6. Door [partij] is in beroep aangevoerd dat burgemeester en wethouders zich bij hun besluitvorming niet op het negatieve welstandsadvies van 16 juni 1999 hadden mogen baseren. Anders dan [partij] is de Afdeling echter van oordeel dat het advies conform het bepaalde in artikel 9.1 en 9.2 van de Welstandsverordening tot stand is gekomen. Blijkens de notulen van de vergadering van de voltallige welstandscommissie gehouden op 23 juni 1999, is ingestemd met het voorgestelde advies van 16 juni 1999. Derhalve is voldaan aan de vereisten dat voor het vaststellen van een advies tenminste drie leden aanwezig dienen te zijn en dat een advies door een meerderheid moet worden gedragen. Er bestaat dan ook geen grond om te oordelen dat burgemeester en wethouders niet in redelijkheid op het negatieve advies van de welstandscommissie mochten afgaan. Op grond van het voorgaande is het niet aannemelijk dat alsnog een bouwvergunning zal worden verleend.

2.7. Ook overigens is uit de stukken en uit hetgeen ter zitting naar voren is gebracht naar het oordeel van de Afdeling niet gebleken van een bijzonder geval, op grond waarvan moest worden afgezien van handhavend optreden. Voor het pand van Albert Heijn, waarnaar appellant heeft verwezen, is bouwvergunning verleend en het betreft bovendien een moderne gevel. Voorts staat vast dat de beplating van de Euroslagerij is aangebracht voor 1992. Burgemeester en wethouders hebben hieromtrent aangegeven dat voor deze datum aangebrachte beplating wordt gedoogd, tenzij er uit oogpunt van welstand ernstige bezwaren tegen bestaan. Daarvan was bij dit pand geen sprake. Dat de beplating na 1992 is gerenoveerd, doet aan het voorgaande niet af.

2.8. De conclusie is dan ook dat er geen grond is voor het oordeel dat burgemeester en wethouders bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid hebben kunnen besluiten zoals zij hebben gedaan. Het beroep van [partij] dient alsnog ongegrond te worden verklaard.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Den Haag van 27 november 2001, kenmerk AWB 00/11446 GEMWT;

III. verklaart het bij de rechtbank door [partij] ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Roelfsema

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2002

58-406.