Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6004

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-07-2002
Datum publicatie
31-07-2002
Zaaknummer
200104910/1 en 200105604/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200104910/1 en 200105604/1.

Datum uitspraak: 31 juli 2002.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Roermond van 22 augustus 2001 in het geding tussen:

appellanten

en

burgemeester en wethouders van Beesel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 februari 2000 hebben burgemeester en wethouders van Beesel (hierna: burgemeester en wethouders) met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals dat luidde tot 3 april 2000, aan de gemeente Beesel vrijstelling en vergunning verleend voor de aanleg van twee rotondes op de percelen, kadastraal bekend gemeente Beesel, sectie […], nummers […],[…],[…] en […] (alle gedeeltelijk), sectie […], nummer […] (gedeeltelijk) en sectie […], nummers […], […], […], […],[…], […],[…] en […] (alle gedeeltelijk), plaatselijk bekend kruising Rijksweg/Bergerhofweg/Heerstraat (hierna: de Zuidkom) en kruising Rijksweg/Maasstraat/Klaashofweg (hierna: de Noordkom).

Bij besluit van 8 mei 2000 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 september 2000, verzonden op 8 september 2000 heeft de president van de arrondissementsrechtbank te Roermond (hierna: de president) de daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 april 2001 heeft de Voorzitter van de Afdeling het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de president van 7 september 2000 vernietigd, de bij de rechtbank ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit van burgemeester en wethouders van 8 mei 2000 vernietigd en burgemeester en wethouders opgedragen om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen en dit op de voorgeschreven wijze bekend te maken.

Bij besluit van 24 juli 2001 hebben burgemeester en wethouders de bezwaren tegen hun besluit van 10 februari 2000 wederom ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie van advies voor de bezwaar- en beroepschriften van 20 april 2000, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraken van 22 augustus 2001, verzonden op die dag, en 25 september 2001, verzonden op 3 oktober 2001, heeft de president de daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraken zijn aangehecht.

Tegen de uitspraak van 22 augustus 2001 hebben appellanten sub 1 bij brief van 1 oktober 2001, bij de Raad van State ingekomen op 3 oktober 2001 hoger beroep ingesteld. Zij hebben hun hoger beroep aangevuld bij brief van 10 november 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Tegen de uitspraak van 25 september 2001 hebben hebben appellanten sub 2 bij brief van 10 november, bij de Raad van State ingekomen op 13 november 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 8 januari 2002 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juli 2002, waar appellanten sub 1, vertegenwoordigd door gemachtigde, appellanten sub 2, vertegenwoordigd door gemachtigde, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door J.L. Stoop, advocaat te Maastricht, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De aanleg van de noordkom is gedeeltelijk in strijd met de bestemmingsplannen “Reuver Noord, 1e herziening”, “Reuver Noord, 2e herziening” en “Buitengebied”. De aanleg van de zuidkom is gedeeltelijk in strijd met de bestemmingsplannen “Buitengebied” en “Partieel Uitbreidingsplan [locatie]”. Teneinde de aanleg van de rotondes niettemin mogelijk te maken, hebben burgemeester en wethouders met toepassing van de zogeheten anticipatieprocedure aanlegvergunningen verleend. Ten behoeve van de nieuwe besluitvorming na de uitspraak van de Voorzitter van 5 april 2001 heeft de raad op 23 april 2001 een nieuw voorbereidingsbesluit genomen voor de betreffende gebieden en hebben gedeputeerde staten op 10 juli 2001 de benodigde verklaringen van geen bezwaar afgegeven. Aan de formele vereisten om toepassing te geven aan de anticipatieprocedure was derhalve voldaan.

2.2. Aan het besluit van 24 juli 2001 liggen het “Reconstructie-onderzoek rotondes te Reuver” van 1 juni 2001 en het rapport van 21 juni 2001 van Cauberg-Huygen ten grondslag. In deze rapporten wordt geconcludeerd dat geen sprake is van een geluidstoename van meer dan 2 dB(A), zodat in zoverre geen sprake is van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder. Volgens appellanten is bij het opstellen van de rapporten van onjuiste invoergegevens uitgegaan. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting hebben burgemeester en wethouders voldoende aannemelijk gemaakt dat bij het opstellen van de rapporten gebruik is gemaakt van geactualiseerde gegevens. Mogelijk toekomstige ontwikkelingen zijn buiten beschouwing gelaten. Als in de directe omgeving van de rotondes een nieuw bedrijventerrein zal worden ontwikkeld, zal daarvoor een nieuwe infrastructuur worden aangelegd. Hieruit volgt dat de president terecht heeft geoordeeld dat burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten beschikten over een genoegzaam en deugdelijk onderbouwd inzicht over de geluidssituatie ter plaatse.

2.3. De beslissing om al dan niet te anticiperen dient te berusten op een afweging van het belang van onmiddellijke uitvoering van de werken tegen het belang dat eerst de uitkomst van de bestemmingsplanprocedure wordt afgewacht. Daarbij is de te verlangen mate van spoedeisendheid afhankelijk van de omvang van de inbreuk op het geldende planologische regime alsmede van de uitstraling die het project op de omgeving heeft. Indien de inbreuk op de bestaande planologische situatie gering is, behoeven minder zware eisen te worden gesteld aan de mate van spoedeisendheid van de werken en aan het planologische kader waarop wordt vooruitgelopen.

2.4. Appellanten betogen dat de aanleg van de rotondes onvoldoende urgent is en dat een voor het toepassen van de anticipatieprocedure toereikend planologisch toetsingskader ontbreekt.

2.4.1. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de rotondes worden aangelegd op plaatsen waar zich thans kruispunten bevinden. De rotondes worden grotendeels gesitueerd binnen het bestaande wegprofiel. Het gedeelte dat wordt gesitueerd in strijd met de op de gronden liggende bestemmingen is gering van omvang. Gelet hierop is de president terecht tot het oordeel gekomen dat sprake is van een geringe inbreuk op het bestaande planologische regime ter plaatse.

2.4.2. Voorts is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat de aanleg van de rotondes nodig is om de verkeersveiligheid te bevorderen. De bestaande kruisingen komen uit de ongevalstatistieken naar voren als primaire verkeersonveilige locaties in de gemeente. Rijkswaterstaat wenst dat voor het gehele tracé van Rijksweg 271 maatregelen worden getroffen om de verkeersveiligheid te bevorderen. Als de gemeente Beesel niet mee kan gaan in de door Rijkswaterstaat in verband hiermee gemaakte planning bestaat het risico dat deze maatregelen pas over enkele jaren kunnen worden uitgevoerd, hetgeen ongewenst wordt geacht.

2.4.3. Gezien de geringe inbreuk op de planologische situatie kan niet worden staande gehouden dat de mate van urgentie van het bouwplan en het planologisch kader waarop wordt vooruitgelopen, bestaande uit een ten behoeve van het bouwplan genomen voorbereidingsbesluit, niet voldoen aan de eisen die daaraan in dit geval dienen te worden gesteld. De president is op goede gronden tot hetzelfde oordeel gekomen.

2.5. Wat betreft de door appellanten voorgestelde alternatieven voor de aanleg van de rotondes overweegt de Afdeling dat burgemeester en wethouders dienden te beslissen omtrent het voorgelegde plan. Toen dit op zichzelf aanvaardbaar bleek, kon het bestaan van alternatieven slechts tot het onthouden van medewerking nopen, indien door gebruikmaking van een alternatief een aanzienlijk beter resultaat kon worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Niet is gebleken dat een dergelijk geval zich hier voordeed.

2.6. Wat betreft het bezwaar van appellanten met betrekking tot de inspraak overweegt de Afdeling dat ter zitting is komen vast te staan dat in 1997 een inspraakavond is gehouden. Daarvan is in een huis-aan-huis-blad kennis gegeven. Het alternatief van de rotondes is daar te sprake geweest. Van strijd met de inspraakverordening is derhalve geen sprake. Het beroep mist op dit punt feitelijke grondslag.

2.7. Gezien het vorenstaande is de president terecht tot het oordeel gekomen dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat burgemeester en wethouders ten onrechte aan het belang van de verbetering van de verkeersveiligheid ter plaatse een groter gewicht hebben toegekend dan aan de belangen van appellanten.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.M. van Angeren, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Bastein, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Angeren w.g. Bastein

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2002.

13.