Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6001

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-07-2002
Datum publicatie
31-07-2002
Zaaknummer
200105626/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200105626/1.

Datum uitspraak: 31 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 5 oktober 2001 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Haaren.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 1998 hebben burgemeester en wethouders van Haaren (hierna: burgemeester en wethouders) appellant, onder aanzegging van bestuursdwang, aangeschreven om een in oprichting zijnde tunnelkas op het perceel [locatie] te [plaats] binnen vier weken na verzending van dit besluit te verwijderen.

Bij besluit van 7 oktober 1999 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie behandeling bezwaar- en beroepschriften van 21 september 1998, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij besluit van 28 oktober 1999 hebben burgemeester en wethouders dit besluit ingetrokken. Dit besluit is aangehecht.

Bij besluit van 10 november 2000 hebben burgemeester en wethouders de bezwaren van appellant opnieuw ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 5 oktober 2001, verzonden op 10 oktober 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 7 november 2001, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 6 december 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juli 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door gemachtigde, zijn verschenen. Burgemeester en wethouders zijn, met bericht, niet ter zitting verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De rechtbank is op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat voor de oprichting van de tunnelkas een bouwvergunning is vereist en dat een dergelijke vergunning nimmer is aangevraagd of verleend, zodat burgemeester en wethouders bevoegd waren appellant, onder aanzegging van bestuursdwang, aan te schrijven om de deels reeds gebouwde tunnelkas te verwijderen.

2.2. Evenzeer is de rechtbank, in het kader van de vraag of burgemeester en wethouders terecht geen bijzondere omstandigheden aanwezig hebben geacht om van bestuursdwang af te zien, op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat de vrijstellingsmogelijkheden van het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied 1996” en artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening geen ruimte bieden de tunnelkas alsnog te legaliseren, evenmin als het overgangsrecht van artikel 26 van het bestemmingsplan daartoe mogelijkheden biedt.

Ten aanzien van het in hoger beroep herhaalde betoog dat burgemeester en wethouders het recht om door middel van bestuursdwang tegen de tunnelkas op te treden hadden verwerkt, overweegt de Afdeling dat de rechtbank dit beroep op rechtsverwerking op goede gronden heeft verworpen.

Ter zitting in hoger beroep heeft appellant gesteld dat hem eerst onlangs is gebleken dat de tunnelkas geen 3,62 m, maar slechts 3,45 m hoog is, zodat de rechtbank in haar uitspraak van onjuiste gegevens is uitgegaan. Dit betoog kan reeds hierom niet slagen, nu, wat er ook zij van de hoogte van de tunnelkas, de oprichting daarvan op grond van de geldende planvoorschriften al niet is toegestaan, omdat – naar niet in geschil is – niet is voldaan aan de voorwaarde dat oprichting van een tunnelkas uitsluitend mag plaatsvinden in aansluiting aan een agrarisch bouwblok. Dat appellant, naar eigen zeggen, ten onrechte in het bestemmingsplan geen agrarisch bouwblok is toegekend, is reeds in het kader van de totstandkoming van het bestemmingsplan “Buitengebied 1996” aan de orde geweest. Dit plan was ten tijde hier van belang in werking getreden en dit bezwaar van appellant kan in deze procedure geen rol spelen.

2.3. Ook het betoog van appellant dat de rechtbank ongemotiveerd aan het door hem gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel is voorbijgegaan, faalt. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het gelijkheidsbeginsel niet geschonden geacht. De rechtbank heeft zich daarbij gebaseerd op de gegevens, zoals door burgemeester en wethouders bij brief van 25 juli 2001 verstrekt over alle door appellant genoemde gevallen en waaruit valt af te leiden dat in gevallen, waarin, gelijk in het geval van appellant, legalisering niet mogelijk is, door burgemeester en wethouders ook handhavend wordt opgetreden. Ter zitting in hoger beroep heeft appellant erkend dat er van moet worden uitgegaan dat de rechtbank zijn reactie van 22 augustus 2001 op genoemde brief van burgemeester en wethouders bij de beoordeling van het geschil heeft betrokken.

Tot slot deelt de Afdeling het oordeel van de rechtbank dat burgemeester en wethouders niet gehouden waren in het besluit van 10 november 2000 een nieuwe begunstigingstermijn op te nemen. Anders dan appellant ongemotiveerd heeft gesteld, is niet gebleken dat zulks in strijd met de Algemene wet bestuursrecht zou zijn. Evenmin is gebleken dat de gestelde termijn voor appellant te kort zou zijn om aan de last te kunnen voldoen.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Boot

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2002

202.