Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5997

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-07-2002
Datum publicatie
31-07-2002
Zaaknummer
200105745/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200105745/1.

Datum uitspraak: 31 juli 2002.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

TeleAd B.V., gevestigd te Noordwijk,

appellante,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 10 oktober 2001 in het geding tussen:

[verzoekers], wonend te [woonplaats]

en

burgemeester en wethouders van Noordwijk.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 augustus 1999 hebben burgemeester en wethouders van Noordwijk (hierna: burgemeester en wethouders) afwijzend beslist op het verzoek van [verzoekers] om handhavend op te treden tegen het gebruik door appellante van het pand [locatie] te [plaats] als kantoor.

Bij besluit van 23 mei 2000 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie voor bezwaar- en beroepschriften van 4 april 2000, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 10 oktober 2001, verzonden op die dag, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 20 november 2001, bij de Raad van State ingekomen op 22 november 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 21 december 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij besluit van 27 november 2001 hebben burgemeester en wethouders de bezwaren van [verzoekers] tegen hun besluit van 24 augustus 1999 wederom ongegrond verklaard.

Bij brief van 26 januari 2002 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juli 2002, waar burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door F. van Asselt, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [verzoeker]als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Spinozaweg”. Het perceel is daarin bestemd tot “Eengezinshuizen, villa’s, klasse B met bijbehorende voorzieningen”. Vast staat dat het gebruik van het pand als kantoorruimte hiermee in strijd is.

2.2. Bij besluit van 24 november 1987 hebben burgemeester en wethouders aan [vergunninghouder] vergunning verleend voor het verbouwen van de woning tot kantoor. Blijkens de stukken hebben zij de vergunning desbewust verleend met het oog op het (voortzetten van het) gebruik als kantoor. Het in geding zijnde gebruik van het pand moet dan ook geacht worden rechtstreeks voort te vloeien uit de door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning. Hieruit volgt dat burgemeester en wethouders niet bevoegd waren tegen het door [verzoekers] gewraakte gebruik van het pand op te treden. Reeds hierom dienden zij het daartoe strekkende verzoek af te wijzen en deze afwijzing in bezwaar te handhaven. Burgemeester en wethouders zijn dan ook tot een juiste beslissing gekomen. De rechtbank heeft dit miskend.

2.3. Gezien het vorenstaande is de Afdeling, anders dan de rechtbank, van oordeel dat burgemeester en wethouders terecht het standpunt hebben ingenomen dat hun brief van 13 juni 1996 een mededeling van informatieve aard bevat en niet op rechtsgevolg is gericht. Aan de brief van 27 april 1987, waarnaar in deze brief is verwezen, komt evenmin de betekenis toe die de rechtbank daaraan heeft toegekend. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten om in laatstgenoemde brief een vrijstelling van de destijds geldende planvoorschriften te lezen.

2.4. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat aan de bouwvergunning geen voorwaarde met betrekking tot het parkeren op eigen terrein is verbonden. De hiervoor genoemde brief van burgemeester en wethouders van 27 april 1987 maakt van deze vergunning geen deel uit. Wel zijn op de bij de vergunning behorende tekening negen parkeerplaatsen ingetekend. Als al kan worden gesproken van een verplichting voortvloeiend uit de bouwvergunning dat deze parkeerplaatsen moeten worden aangelegd – voor het aanleggen van parkeerplaatsen is immers geen bouwvergunning vereist - dan is aan die verplichting voldaan. Anders dan [verzoekers] betogen kan daaruit geen verdergaande verplichting worden afgeleid.

2.5. Ten slotte hebben burgemeester en wethouders terecht overwogen dat voor het plaatsen van parkeerbeugels en een vuilcontainer geen bouwvergunning is vereist.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep van [verzoekers] ongegrond verklaren. Hieruit volgt dat het verzoek om schadevergoeding dient te worden afgewezen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.8. Een redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat - naar analogie van artikel 41, vijfde lid – het griffierecht door de Secretaris van de Raad van State aan appellante wordt terugbetaald.

2.9. Gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak hebben burgemeester en wethouders bij besluit van 27 november 2001 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Zij hebben daarbij de bezwaren van [verzoekers] tegen hun besluit van 24 augustus 1999 wederom ongegrond verklaard. Gelet op de vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en de ongegrondverklaring van het beroep van [verzoekers] tegen het besluit van 23 mei 2000 was er voor het nemen van de nieuwe beslissing op bezwaar geen plaats. Het besluit van 27 november 2001 komt derhalve eveneens voor vernietiging in aanmerking.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 10 oktober 2001, AWB 00/7876/BOUWB;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Noordwijk van 27 november 2001

V. gelast dat de Secretaris van de Raad van State aan appellante het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 306,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.M. van Angeren, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Bastein, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Angeren w.g. Bastein

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2002.

13.