Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5990

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-07-2002
Datum publicatie
31-07-2002
Zaaknummer
200004938/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2002, 339
M en R 2003, 21

Uitspraak

200004938/1.

Datum uitspraak: 31 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de stichtingen "Stichting Milieufederatie Limburg" en "Stichting Het Limburgs Landschap", respectievelijk gevestigd te Sittard en Maastricht,

2. de vereniging "Vereniging tot Redding van de St. Pietersberg", gevestigd te Maastricht,

3. de vereniging "Milieugroep Sint Pieter", gevestigd te Maastricht,

4. het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Riemst (België),

appellanten,

en

gedeputeerde staten van Limburg,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 augustus 2000 hebben verweerders aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “ENCI-Maastricht B.V.” een vergunning onder voorschriften ingevolge de Grondwaterwet verleend voor het onttrekken van grondwater ten behoeve van het winnen van kalksteen op de percelen kadastraal bekend gemeente St. Pieter, Sectie B, nummers 4218, 4069 en 3965. De onttrekking mag tot 1 januari 2008 maximaal 1.000.000 m3 per jaar en 91.667 m3 per maand bedragen. Vanaf 1 januari 2008 mag de onttrekking maximaal 1.100.000 m3 per jaar en 91.667 m3 per maand bedragen.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 18 oktober 2000, bij de Raad van State ingekomen op 19 oktober 2000, appellante sub 2 bij brief van 20 oktober 2000, bij de Raad van State ingekomen op 23 oktober 2000, appellante sub 3 bij brief van 19 oktober 2000, bij de Raad van State ingekomen op 20 oktober 2000, en appellanten sub 4 bij brief van 17 oktober 2000, bij de Raad van State ingekomen op 19 oktober 2000, beroep ingesteld. Appellante sub 2 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 20 november 2000. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 30 augustus 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 28 februari 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juli 2002, waar appellanten sub 1, vertegenwoordigd door [gemachtigden], appellante sub 2, vertegenwoordigd door mr. J. Gepken, advocaat te Roermond, appellante sub 3, vertegenwoordigd door mr. J.H.A. van der Grinten, advocaat te Amsterdam, en J. Smeets-Druncks, appellanten sub 4, vertegenwoordigd door mr. J.H.A. van der Grinten, advocaat te Amsterdam, en F. Thewissen, ambtenaar van de gemeente, en verweerders, vertegenwoordigd door ing. P.E.H.M.E. Klinckhamers, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Tevens is daar namens vergunninghoudster mr. M.R.J. Baneke, advocaat te Nijmegen, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Appellante sub 2 voert aan dat in verband met de daling van het streefpeil van oppervlakte wateren een milieu effect rapport had moeten worden opgesteld.

De Afdeling overweegt dat er in het onderhavige geval geen sprake is van een structurele verlaging van het streefpeil van een oppervlaktewater zodat het opstellen van een milieueffectrapport op grond van activiteit C.27.3 van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 niet noodzakelijk moet worden geacht. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.

2.2. Appellanten sub 1, 2, 3 en 4 voeren aan dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de alternatieven voor grondwateronttrekking. Zij stellen hierbij dat het onderzoek naar alternatieve natte wintechnieken is verouderd.

Verweerders voeren aan dat de extra energie behoefte voor het drogen van nat gewonnen mergel dusdanig hoog is dat dit niet als een reëel alternatief kan worden beschouwd.

De Afdeling stelt, mede gelet op het deskundigenbericht, vast dat er geen gelijkwaardige alternatieven voor droge mergelwinning bestaan. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de conclusies van de notitie van 15 oktober 1992 waar verweerders zich op baseren niet als verouderd kunnen worden beschouwd. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat er geen redelijke alternatieven voor de droge winning van mergel beschikbaar zijn. Deze beroepsgronden treffen derhalve geen doel.

2.3. Appellante sub 2 voert aan dat verweerders ten onrechte geen termijn als gesteld in artikel 14b van de Grondwaterwet hebben gesteld, nu dit nodig is in het belang van het ontwikkelen van een alternatief voor de onttrekking van grondwater.

Nu, gelet op het overwogene onder 2.2, geen redelijke alternatieven beschikbaar zijn kan deze beroepsgrond geen doel treffen.

2.4. Appellanten sub 2 en sub 3 voeren aan dat het verlenen van de vergunning niet in overeenstemming is met het door het rijk en de provincie gehanteerde anti-verdrogingsbeleid. Alle appellanten voeren in dit kader aan dat voorafgaande aan de vergunningverlening onvoldoende onderzoek naar de mogelijkheden van compenserende maatregelen heeft plaatsgevonden.

Het bestreden besluit is ten aanzien van de verdrogingsproblematiek getoetst aan het “Provinciaal Waterhuishoudingsplan Limburg 1991-1995” en de provinciale nota “Evaluatie en Actualisatie Waterhuishoudingsplan Limburg 1991-1995”. Het hierin verwoorde beleid komt er in het kort op neer dat er in principe alleen onttrekkingsvergunningen kunnen worden verleend als er geen haalbare alternatieven zijn en als de effecten minimaal in lijn zijn met het stand-still principe. Bij ontgrondingen biedt het beleid de mogelijkheid dit te bereiken door het voorschrijven van compenserende maatregelen. Een uitbreiding van de winning in zogenoemde aandachtsregio’s, waar in het onderhavige geval sprake van is, is volgens het door verweerders gehanteerde beleid alleen mogelijk indien door onderzoek wordt aangetoond dat de nieuwe totaal gewonnen hoeveelheid grondwater in de regio geen nadelige effecten met zich meebrengt.

Verweerders stellen dat er geen haalbare alternatieven zijn en dat de grondwateronttrekking ten opzichte van een referentieperiode niet is toegenomen. Tevens stellen verweerders dat andere onttrekkingen in de regio fors zijn verminderd en dat vergunningvoorschrift 5 ziet op het doen van onderzoek naar de haalbaarheid van mitigerende maatregelen in het Jekerdal.

De Afdeling stelt vast dat in het door verweerders gehanteerde beleid het jaar 1989 als ijkpunt wordt aangehouden. Uitgaande van de feitelijke onttrekking van 644.350 m3 in het jaar 1989 is er met de onderhavige vergunning sprake van een aanzienlijke toename van de hoeveelheid onttrokken grondwater. Vast staat echter dat de onttrekking in dit jaar veel lager was dan gebruikelijk zodat de onttrekking in 1989 niet als representatief kan worden aangemerkt. In de in 1993 verleende vergunning op grond van de Grondwaterwet is sprake van een onttrekking van maximaal 1.000.000 m3 per jaar.

Er vanuit gaande dat deze hoeveelheid wel als representatief kan worden beschouwd stelt de Afdeling vast dat met de nieuwe vergunning een uitbreiding van de onttrekking plaatsvindt. Tevens stelt de Afdeling vast dat er, hoewel de winning in een zogenoemd aandachtsgebied is gelegen, geen onderzoek heeft plaatsgevonden waarmee is aangetoond dat de winning in samenhang met andere onttrekkingen geen nadelige effecten heeft. Het door verweerders gehanteerde “Geohydrologisch onderzoek ENCI, IWACO” van 12 augustus 1999 kan niet als een zodanig onderzoek worden aangemerkt. Verweerders hebben deze afwijking van het door hen gehanteerde beleid noch in het bestreden besluit noch anderszins gemotiveerd. De stelling van verweerders dat elders in de regio minder water wordt onttrokken betekent niet dat vast staat dat de onderhavige onttrekking geen nadelige effecten in het Jekerdal en directe omgeving met zich meebrengt. Deze stelling kan dan ook niet als een motivering van de afwijking van het door verweerders gehanteerde beleid worden beschouwd. Evenmin heeft voorafgaande aan de vergunningverlening onderzoek naar het treffen van mogelijke compenserende maatregelen plaatsgevonden. Ook dit is in strijd met het door verweerders gehanteerde beleid. Van bijzondere omstandigheden, in de zin van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht, die een afwijking van het door verweerders gevoerde beleid zouden rechtvaardigen is niet gebleken.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit reeds hierom niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Dit besluit dient dan ook, onder gegrondverklaring van het beroep, te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.5. Gelet op het bovenstaande behoeven de overige bezwaren van appellanten geen bespreking meer.

2.6. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Limburg van 29 augustus 2000;

III. veroordeelt gedeputeerde staten van Limburg in de door appellanten sub 1 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; de door appellanten sub 2 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; de door appellanten sub 3 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 697,51, welk bedrag voor een deel groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; de door appellanten sub 4 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; de bedragen dienen door de provincie Limburg te worden betaald aan appellanten;

IV. gelast dat de provincie Limburg aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 204,20 voor alle appellanten) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. K. Brink en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Klap

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2002

315.