Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5987

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-07-2002
Datum publicatie
31-07-2002
Zaaknummer
200105376/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200105376/2.

Datum uitspraak: 31 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging "Vereniging Milieu-Offensief", gevestigd te Wageningen,

appellante,

en

burgemeester en wethouders van Meerlo-Wanssum,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 september 2001 hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] een vergunning verleend voor het veranderen van een pluimveehouderij aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummers […]. Dit aangehechte besluit is op 21 september 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 1 november 2001, bij de Raad van State ingekomen op 5 november 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 14 januari 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 mei 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerders, vertegenwoordigd door W.J.G.M. Gossens, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [vennoot], en bijgestaan door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting heeft appellante het beroep voorzover het ziet op het aantal emittenten ingetrokken.

2.2. De verleende vergunning heeft betrekking op het houden van 175.000 legkippen in twee stallen (Groen Label BB93.06.008). Eerder is voor deze inrichting een vergunning verleend op 8 januari 2001.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4. Appellante heeft bezwaren aangevoerd met betrekking tot de cumulatieve stankhinder.

2.4.1. Verweerders hebben blijkens het bestreden besluit bij de beoordeling van de cumulatieve stankhinder het rapport “Beoordeling cumulatie stankhinder door intensieve veehouderij” (Publikatiereeks Lucht 46) gehanteerd. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerders voor de bepaling van de categorie-indeling voor de woningen aan de [locatie] het Beleidskader stankhinderbeoordeling veehouderijen (verder: het Beleidskader) en de Handreiking veehouderij en stankhinder (verder: de Handreiking) hebben toegepast.

2.4.2. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 21 april 1998, no. E03.97.0115 (AB 1998, 199), voor zover hier van belang, geoordeeld, en ziet geen reden thans anders te oordelen, dat de in de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) neergelegde inzichten met betrekking tot de aanvaardbaarheid van door intensieve veehouderijen veroorzaakte stankhinder, voorzover het betreft de in de Richtlijn opgenomen indeling in omgevingscategorieën, onvoldoende draagkrachtig zijn gemotiveerd.

Een en ander leidt ertoe dat het bevoegd gezag zich bij de toepassing van de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer niet zonder een voldoende milieuhygiënische onderbouwing kan baseren op de in de Richtlijn opgenomen indeling in omgevingscategorieën.

In het Beleidskader is de bij de Handreiking opgestelde Beleidsnotitie inzake de categorieverschuiving van de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 ten opzichte van de Brochure veehouderij en stankhinder 1985 (hierna: de Beleidsnotitie) als beleidsregel vastgesteld en besloten de Handreiking te hanteren als nadere invulling van de Richtlijn.

In de Beleidsnotitie is aangegeven om welke reden de categorie-indeling van de Richtlijn kan worden aanvaard. De Beleidsnotitie geeft een algemene schets van maatschappelijke ontwikkelingen die zich doorgaans in het buitengebied hebben voorgedaan. Hierbij gaat het om de opheffing van agrarische bedrijven, het ontstaan van burgerwoningen en een toename van recreatie in het buitengebied. Daarnaast worden als feitelijke ontwikkelingen genoemd veranderingen in het aantal en de omvang van agrarische bedrijven, alsmede de modernisering ervan. Hieraan wordt de verwachting gekoppeld dat de totale stankuitstoot in de regio in de toekomst zal afnemen, alsmede dat vanaf de inwerkingtreding van de brochure Veehouderij en Hinderwet (hierna: de brochure) sprake is geweest van een aanzienlijke stankreductie in de agrarische sector. Voorts wordt gesteld dat veel burgerwoningen in het buitengebied oorspronkelijk als agrarische woning zijn gebouwd en dat burgers bewust kiezen voor wonen in het buitengebied ondanks stankemissie, veroorzaakt door agrarische bedrijven.

De Handreiking bevat, voorzover hier van belang, een nadere invulling van de categorie-indeling van de Richtlijn. Deze invulling houdt in dat criteria zijn opgesteld op basis waarvan kan worden beoordeeld welke categorie van toepassing is. De Handreiking kan daarbij voor zowel de individuele als de gebiedsgerichte beoordeling worden gebruikt.

Zoals de Afdeling in genoemde uitspraak van 21 april 1998 heeft aangegeven, steunt het standpunt van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer dat sprake is van een verschuiving van het normatieve oordeel over de aanvaardbaarheid van stankhinder niet op enig onderzoek, hetgeen wel ten grondslag was gelegd aan de in bijlage 6 van de brochure opgenomen indeling in omgevingscategorieën. Ook de Beleidsnotitie en de Handreiking berusten niet op enig onderzoek op dit punt. Dit geldt ook voor het betoog in de Beleidsnotitie over de afname van de stankemissie in het buitengebied in het verleden en in de toekomst, nog daargelaten of dat een grondslag zou kunnen bieden voor versoepeling van de normstelling.

Gezien het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit, voorzover daarin bij de beoordeling van de cumulatieve stankhinder veroorzaakt door de onderhavige veehouderij de categorie-indeling uit de Richtlijn is toegepast, in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht omdat het niet wordt gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering.

2.5. Het beroep is gegrond. Nu het bestreden besluit reeds om de hiervoor uiteengezette reden dient te worden vernietigd, laat de Afdeling de door haar ambtshalve te beoordelen vraag of het bestreden besluit in overeenstemming is met de Richtlijn 96/61/EG van de Raad van de Europese Unie van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging onbeantwoord en behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking.

2.6. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Meerlo-Wanssum van 17 september 2001;

III. veroordeelt burgemeester en wethouders van Meerlo-Wanssum in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Meerlo-Wanssum te worden betaald aan appellante;

IV. gelast dat de gemeente Meerlo-Wanssum aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 204,20) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. H. Beekhuis en mr. J.R. Schaafsma, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. De Vink

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2002

154-396.