Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5981

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-07-2002
Datum publicatie
31-07-2002
Zaaknummer
200101673/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200101673/1.

Datum uitspraak: 31 juli 2002.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2000 heeft de gemeenteraad van Schipluiden,

op voorstel van burgemeester en wethouders van 23 mei 2000,

vastgesteld het bestemmingsplan "Look-west".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 9 januari 2001, DRGG/ARB/00/6104A, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 4 april 2001, bij de Raad van State ingekomen op 5 april 2001, beroep ingesteld.

Deze brief is aangehecht.

Verweerders hebben geen verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 20 september 2001. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juli 2002, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. A.P. van Delden,

en verweerders, vertegenwoordigd door P. Severijns, zijn verschenen.

Voorts is daar G.C. van Zomeren gehoord namens de gemeenteraad van Schipluiden.

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2. Het plan heeft betrekking op een gebied ten westen van de kern Den Hoorn. Met het plan wordt beoogd ruimte te bieden voor de bouw van ongeveer 650 woningen en bijbehorende voorzieningen en ongeveer 1,30 hectare bedrijfsterrein ten behoeve van kleinere bedrijven in de dienstverlenende, wetenschappelijke en distributiesector.

Verweerders hebben bij hun bestreden besluit het plan grotendeels goedgekeurd.

2.3. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.4. Appellant stelt dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plandeel met de bestemming “Woongebied – uit te werken (W-uw 1, 2, 3)”. Ter zitting is gebleken dat zijn bezwaren uitsluitend nog betrekking hebben op de aanduiding “secundaire verkeersontsluiting” ter plaatse van het [locatie 1]. Hij stelt dat zijn woning aan de [locatie] ten onrechte dient te verdwijnen als gevolg van de voorziene ontsluitingsweg. Hij meent dat de noodzaak van de voorziene ontsluitingsweg niet is aangetoond en stelt dat aan zijn perceel de aanduiding “te handhaven bestaande bebouwing” dient te worden toegekend.

2.5. Verweerders hebben geen reden gezien het bestreden plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Zij hebben overwogen dat de noodzaak van de voorziene ontsluitingsweg op deze plaats is aangetoond. Zij menen dat de aanduiding “te handhaven bestaande bebouwing” terecht niet is toegekend aan de woning aan de [locatie].

2.6. De Afdeling neemt het volgende in aanmerking.

De voorziene ontsluitingsweg ligt in het verlengde van de Voordijkshoorn en is in verband hiermee niet alleen van belang voor de ontsluiting van Look-west, maar vormt tevens een volwaardige ontsluiting rondom de kern van Den Hoorn. Het standpunt van verweerders dat de noodzaak van de voorziene ontsluitingsweg op de aan de orde zijnde plaats is aangetoond, acht de Afdeling in verband hiermee niet onredelijk.

Ingevolge artikel 2.1 van de planvoorschriften bestaat de van het plan deel uitmakende kaart uit drie kaarten, waaronder plankaart 3 met de dwarsprofielen. In artikel 1.1, onder 4, van de planvoorschriften wordt in de beschrijving in hoofdlijnen bepaald dat bij de realisering van het bestemmingsplan de op plankaart 3 gegeven aanwijzingen in acht dienen te worden genomen met betrekking tot de wegprofielen.

Uit plankaart 3, profiel B, blijkt dat ter hoogte van [locatie] een ontsluitingsweg is opgenomen met een profiel van 22 meter. Hierin zijn opgenomen een 2 meter breed talud aan weerszijden van een 2 meter brede singel, een berm van 1,5 meter en van 2,5 meter, een parkeerruimte van 2 meter, een goot van 0,50 meter, twee fietsstroken van 1,20 meter, een rijweg van 5,0 meter en een voetpad van 2,1 meter.

Vast staat dat aan de westelijke zijde van de Look een profielbreedte van 11 meter wordt gehanteerd. Het standpunt van appellant dat deze profielbreedte ook ter hoogte van zijn perceel moet worden gehanteerd, aangezien de woning dan niet hoeft te verdwijnen, onderschrijft de Afdeling niet. Daarbij neemt zij in aanmerking dat uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, is af te leiden dat bij een profielbreedte van 11 meter het woonklimaat van appellant ernstige hinder van het passerende verkeer zal ondervinden. Gelet hierop hebben verweerders ervan mogen uitgaan dat ook bij een profielbreedte van 11 meter de woning van appellant niet kan worden gehandhaafd.

Ter zitting is gebleken dat door het gemeentebestuur overleg is gestart over de mogelijkheid voor appellant een nieuwe woning te bouwen op het na aanleg van de ontsluitingsweg overblijvende perceelsgedeelte. De Afdeling is in verband hiermee van oordeel dat aannemelijk is dat de bestemming “Woongebied – uit te werken (W-uw 1, 2, 3)” nader aangeduid als “secundaire verkeersontsluiting” voor het aan de orde zijnde perceel binnen de planperiode zal worden verwezenlijkt.

2.7. Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bestreden plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben verleend aan bedoeld plandeel.

Het beroep van appellant is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en dr. J.J.C. Voorhoeve en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Klein

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2002.

176-418.