Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5977

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-07-2002
Datum publicatie
31-07-2002
Zaaknummer
200004004/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2002-7175, 3
Module Ruimtelijke ordening 2002/3397

Uitspraak

200004004/1.

Datum uitspraak: 31 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. [appellant sub 1],

2. [appellant sub 2], beide wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Haarlem van 5 juli 2000 in het geding tussen:

appellante sub 1

en

burgemeester en wethouders van Haarlem.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 februari 1996 hebben burgemeester en wethouders van Haarlem (hierna: burgemeester en wethouders) positief beslist op de door [partij] ingediende bouwmelding voor een reeds geplaatste bergruimte op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 13 augustus 1996 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door [naam rechtspersoon] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 december 1997, verzonden op die dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Haarlem (hierna: de rechtbank) de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd, het besluit van 23 februari 1996 herroepen en conform het bepaalde in artikel 42, derde lid, van de Woningwet medegedeeld dat het gemelde bouwwerk een bouwwerk is als bedoeld in het Besluit meldingplichtige bouwwerken, doch dat het desalniettemin niet mag worden gebouwd, tenzij burgemeester en wethouders met inachtneming van het bepaalde in artikel 19a, eerste lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) ingevolge artikel 18a van die wet vrijstelling verlenen van het ter plaatse als bestemmingsplan geldende uitbreidingsplan “Tuindorp-Zuid-West, Wijziging A”.

Bij uitspraak van 8 februari 1999, no. H01.98.0084, heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank bevestigd en de brief van appellante sub 1 van 9 maart 1998 als bezwaarschrift gericht tegen de van rechtswege ontstane vrijstelling als bedoeld in artikel 18a van de WRO aan burgemeester en wethouders doorgezonden.

Bij besluit van 13 april 1999 hebben burgemeester en wethouders het door appellante sub 1 gemaakte bezwaar tegen de van rechtswege ontstane vrijstelling ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie beroep- en bezwaarschriften van 10 maart 1999, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 5 juli 2000, verzonden op 13 juli 2000, heeft de rechtbank het daartegen door appellante sub 1 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 13 augustus 2000, bij de Raad van State ingekomen op 22 augustus 2000, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brieven van 18 november 2000 en 26 mei 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 18 maart 2002 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 mei 2002, waar appellante sub 1 in persoon, vergezeld van [gemachtigde], is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan geen beroep worden ingesteld tegen een op bezwaar of in administratief beroep genomen besluit door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten geen bezwaar te hebben gemaakt of administratief beroep te hebben ingesteld tegen het oorspronkelijke besluit. Ingevolge artikel 6:24 van de Awb is deze regeling in hoger beroep van overeenkomstige toepassing. Nu appellante sub 2 geen bezwaar heeft gemaakt en geen beroep bij de rechtbank heeft ingesteld, terwijl niet is gebleken van feiten of omstandigheden die dit kunnen rechtvaardigen, is het door haar ingestelde hoger beroep derhalve

niet-ontvankelijk.

2.2. De Afdeling heeft bij uitspraak van 8 februari 1999, no. H01.98.0084, geoordeeld dat de onderhavige bergruimte een bouwwerk betreft als bedoeld in het Besluit meldingplichtige bouwwerken en dat deze bergruimte is geplaatst in strijd met artikel 7, tweede lid, van de voorschriften bij het ter plaatse als bestemmingsplan geldende uitbreidingsplan “Tuindorp Zuid-West, wijziging A”. De rechtbank heeft dit oordeel bij de aangevallen uitspraak terecht als uitgangspunt genomen. Het hoger beroep is gericht tegen het oordeel van de rechtbank inzake het door burgemeester en wethouders gevolgde advies van de Schoonheidscommissie alsmede tegen het oordeel van de rechtbank inzake de door burgemeester en wethouders in het kader van artikel 18a van de WRO gemaakte belangenafweging.

2.3. Appellante sub 1 (hierna: appellante) betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat burgemeester en wethouders af mochten gaan op het uitgebrachte welstandsadvies en dit zonder nadere motivering aan het bestreden besluit ten grondslag mochten leggen. Dit betoog treft doel. Vast staat dat appellante in de bezwaarschriftenprocedure gemotiveerd heeft bestreden dat de bergruimte aan redelijke eisen van welstand voldoet. Nu het advies van de Schoonheidscommissie een zogeheten stempeladvies betreft, hadden burgemeester en wethouders dit niet zonder nadere motivering aan de beslissing op bezwaar ten grondslag mogen leggen. De Afdeling vindt bevestiging voor dit oordeel in het door appellante in beroep overgelegde tegenadvies van [naam rechtspersoon], [naam rechtspersoon] en [naam rechtspersoon]] van 6 augustus 1999, waarin wordt gesteld dat de bergruimte noch op zichzelf, noch in relatie met de omgeving aan redelijke eisen van welstand voldoet alsook in de door appellante in hoger beroep overgelegde adviezen van de landschapsarchitect [naam rechtspersoon] van 7 augustus 2000 en van de architect [naam rechtspersoon] van 22 augustus 2000, waarin gelijkluidende standpunten zijn ingenomen. Voorts acht de Afdeling van betekenis dat tussen de Schoonheidscommissie en appellante contact is geweest over het bouwplan en dat de commissie in reactie daarop appellante bij brief van 10 augustus 2000 heeft medegedeeld dat de commissie ten tijde van het stempeladvies niet op de hoogte was van de situatie ter plaatse. De Afdeling komt dan ook tot de slotsom dat het welstandsadvies onzorgvuldig tot stand is gekomen zodat burgemeester en wethouders dit advies ook om die reden niet hebben kunnen volgen. Uit het voorgaande volgt dat het besluit van 13 april 1999 niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering alsmede is genomen in strijd met de vereiste zorgvuldigheid. Dit besluit is dan ook genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, en artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft dit miskend.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het bij de rechtbank ingestelde beroep dient alsnog gegrond te worden verklaard. De bestreden beslissing op bezwaar komt eveneens voor vernietiging in aanmerking. Burgemeester en wethouders dienen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak, waarbij tevens opnieuw aandacht dient te worden besteed aan de in het kader van artikel 18a van de WRO vereiste belangenafweging.

2.5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 2] niet-ontvankelijk;

II. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 1] gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Haarlem van 5 juli 2000, AWB 99-4384 WRO19 V10 G112 K2;

IV. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

V. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Haarlem van 13 april 1999, CS/BO/99/449;

VI. draagt burgemeester en wethouders van Haarlem op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;

VII. gelast dat de gemeente Haarlem aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 256,39) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.M. van Angeren, Voorzitter, en mr. C.A. Terwee-van Hilten en mr. J.E.M. Polak, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Angeren w.g. Roelfsema

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2002

47-398.