Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5974

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-07-2002
Datum publicatie
31-07-2002
Zaaknummer
200200280/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200200280/1.

Datum uitspraak: 31 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging "Vereniging Milieu-Offensief", gevestigd te Wageningen,

appellante,

en

burgemeester en wethouders van Ede,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 november 2001, kenmerk WM/2001-054, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een veehouderij op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit aangehechte besluit is op 6 december 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 16 januari 2002, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag per fax, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 februari 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 21 maart 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 juni 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, gemachtigde, en verweerders, vertegenwoordigd door ing. G.H. Landeweerd, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord vergunninghouder, bijgestaan door [gemachtigde].

De stichting "Stichting Wakker Dier" heeft zich blijkens de aangehechte brief van 13 juni 2002 teruggetrokken als mede-appellante in dit beroep.

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit hebben verweerders een revisievergunning verleend voor het houden van 65 melkkoeien, 60 stuks vrouwelijk jongvee en 1.160 vleesvarkens. Eerder is voor de inrichting op 1 augustus 2000 een revisievergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend voor het houden van 38 melkkoeien, 60 stuks vrouwelijk jongvee en 784 vleesvarkens.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan

wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3. Appellante voert aan dat sprake is van ontoelaatbare stankhinder. Zij stelt dat niet wordt voldaan aan de afstandseisen van de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn), waarbij zij onder meer wijst op de afstand van de inrichting tot de woningen [locatie] en [locatie]. Verder stelt zij dat met voorschrift 10, dat een emissiepuntverplaatsing voorschrijft, de grondslag van de aanvraag wordt verlaten en dat verweerders de cumulatieve stankhinder onjuist hebben beoordeeld.

2.3.1. Bij de beoordeling van de van de inrichting te duchten stankhinder hebben verweerders de Richtlijn gehanteerd. Voorzover het de indeling in omgevingscategorieën betreft, hebben zij toepassing gegeven aan de brochure Veehouderij en Hinderwet. Bij de beoordeling van de cumulatie van stankhinder hebben verweerders het rapport "Beoordeling cumulatie stankhinder door intensieve veehouderij" (Publicatiereeks Lucht, nummer 46) tot uitgangspunt genomen.

2.3.2. Verweerders hebben voorschrift 10 aan de vergunning verbonden om aan de afstandseisen van de Richtlijn te kunnen voldoen. In voorschrift 10 is bepaald dat de ventilatoruitlaten van stal L, in afwijking van de vergunningaanvraag, dienen te worden geplaatst ten zuiden van de nok van deze stal, op minimaal 1 meter uit de nok.

De Afdeling is van oordeel dat de in voorschrift 10 vermelde voorziening, nu de ventilatoruitlaten deel blijven uitmaken van de stal, weliswaar niet in de aanvraag is vermeld, maar niet zozeer ingrijpend van aard is, dat het opnemen van dit voorschrift ertoe leidt dat een andere inrichting wordt vergund dan waarvoor vergunning is aangevraagd. Verweerders hebben zich dan ook op goede gronden op het standpunt gesteld dat hetgeen is voorgeschreven in voorschrift 10 blijft binnen de grondslag van de aanvraag.

2.3.3. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat wordt voldaan aan de afstandseisen van de Richtlijn. Zij zijn er daarbij vanuit gegaan dat de ziekenboeg niet behoeft te worden aangemerkt als het dichtstbijgelegen emissiepunt van de inrichting, aangezien in de ziekenboeg alleen incidenteel dieren worden gehouden.

Niet in geschil is dat op grond van de Richtlijn tussen de woning aan de [locatie] en het dichtstbijgelegen emissiepunt van de inrichting een afstand van minimaal 80 meter in acht moet worden genomen. Evenmin is in geschil dat de afstand tussen de woning aan de [locatie] en de ziekenboeg van de inrichting ongeveer 60 meter bedraagt.

De Afdeling overweegt dat de ziekenboeg moet worden aangemerkt als een stal waarin (zieke) dieren worden gehouden. Uit de bestreden vergunning blijkt niet dat deze uitsluitend bedoeld is voor rundvee, zodat aangenomen moet worden dat in de ziekenboeg ook varkens worden gehouden. De ziekenboeg moet als stalruimte worden betrokken bij de beoordeling van de afstand tussen een stankgevoelig object en de veehouderij. Nu verweerders ten aanzien van de woning aan de [locatie] de ziekenboeg niet hebben aangemerkt als het dichtstbijgelegen emissiepunt van de inrichting, en ten aanzien van deze woning niet wordt voldaan aan de op grond van de Richtlijn in acht te nemen afstand, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet berust op een deugdelijke motivering.

2.3.4. De Afdeling overweegt verder dat verweerders bij de beoordeling van de afstand tot de woning [locatie] ervan zijn uitgegaan dat (rundvee)stal F mechanisch wordt geventileerd, waarbij bij de afstandsmeting als emissiepunt geldt de ventilatoruitlaat van deze stal die is gelegen op een afstand van iets meer dan de normafstand van 50 meter. De Afdeling acht evenwel op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting onvoldoende aannemelijk geworden dat stal F volledig mechanisch wordt geventileerd. Bij natuurlijk geventileerde stallen moet op grond van de Richtlijn bij de afstandsmeting de dichtst bij staande ventilatie-uitlaat worden aangehouden. Nu verweerders dit in het bestreden besluit hebben miskend berust het besluit op dit onderdeel evenmin op een deugdelijke motivering en is het in strijd met artikel 3:46 van de Wet milieubeheer.

2.3.5. Wat de van de inrichting te duchten cumulatieve stankhinder betreft, hebben verweerders zich op het standpunt gesteld dat vergunningverlening mogelijk is, ondanks het feit dat het veebestand wordt uitgebreid en sprake is van een overbelaste situatie ten aanzien van de woning aan de [locatie]. In dit verband hebben verweerders aangevoerd dat de totale cumulatieve stankbelasting ten aanzien van de woning aan de [locatie] is afgenomen, nu bij de toepassing van artikel 8, vierde lid, van de Interimwet ammoniak en veehouderij de vergunningen voor de inrichtingen aan de [locatie], de [locatie] en de [locatie] (gedeeltelijk) zijn ingetrokken.

De Afdeling overweegt, onder verwijzing naar haar uitspraak van 25 november 1999, no. E03.97.1590, JM 2000/24, dat het nodig is dat verweerders duidelijke en kenbare uitgangspunten hanteren om in een concreet geval te kunnen beoordelen of zij zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat een afname van het totaal aan nadelige gevolgen voor het milieu aanvaarbaar kan worden geacht of niet. In het onderhavige geval hebben verweerders aan de hand van de gemeentelijke notitie 'stanksaldering in een overbelaste situatie' beoordeeld of ten aanzien van de woning aan de [locatie] sprake is van een aanvaardbare situatie. Verweerders hebben noch in de notitie, noch ter zitting aangetoond dat de in deze notitie neergelegde norm dat minimaal een afname van 50% van de cumulatieve stankbelasting moet worden gerealiseerd, berust op milieuhygiënische inzichten. Verweerders hebben derhalve niet aan de hand van een objectieve norm beoordeeld of sprake is van een aanvaardbare situatie. Het bestreden besluit berust derhalve ook wat betreft dit onderdeel niet op een deugdelijke motivering en is in strijd met artikel 3:46 van de Wet milieubeheer.

2.4. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2.5. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Ede van 27 november 2001, kenmerk WM/2001-054;

III. veroordeelt burgemeester en wethouders van Ede in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Ede te worden betaald aan appellante;

IV. gelast dat de gemeente Ede aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd en mr. K. Brink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Den Broeder

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2002

243-399.