Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5970

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-07-2002
Datum publicatie
31-07-2002
Zaaknummer
200200981/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200200981/1.

Datum uitspraak: 31 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Haarlem van 19 december 2001 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Haarlem.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2000 hebben burgemeester en wethouders van Haarlem (hierna: burgemeester en wethouders) geweigerd aan appellant bouwvergunning te verlenen voor het vervangen en vergroten van een steiger aan de [locatie] te Haarlem (hierna: de steiger).

Bij besluit van 10 april 2001 (hierna: de beslissing op bezwaar) hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Kamer uit de commissie beroep- en bezwaarschriften van 26 maart 2001, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 19 december 2001, verzonden op 8 januari 2002, heeft de arrondissementsrechtbank te Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 15 februari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 18 februari 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 maart 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 8 mei 2002 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juli 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. M.B.Ph. Geeraedts, advocaat te ‘s-Hertogenbosch, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. S.A. Snijders, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Zuiderpolder” rust op het perceel waar de steiger is gesitueerd de bestemming “water”. Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de voorschriften behorende bij dit bestemmingsplan zijn de op de kaart voor water aangewezen gronden uitsluitend bestemd voor watergangen, sloten en oeverstroken, met daarbij behorende andere bouwwerken. De steiger is daarmee in strijd.

2.2. Ter zitting is bevestigd dat tussen partijen niet in geschil is dat appellant geen beroep op het overgangsrecht, dat is neergelegd in artikel 29 van de planvoorschriften, toekomt en dat een beroep op de in artikel 27 van de planvoorschriften opgenomen binnenplanse vrijstelling faalt.

2.3. Vast staat dat ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar niet was voldaan aan de wettelijke vereisten voor het volgen van een anticipatieprocedure, als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke ordening, zoals dat luidde voor 3 april 2000, inhoudende dat voor het betrokken gebied een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening van het bestemmingsplan ter in zage is gelegd. Burgemeester en wethouders waren dan ook niet bevoegd om een vrijstelling te verlenen als bedoeld in artikel 19 van de WRO. Het oordeel van de rechtbank dat burgemeester en wethouders terecht hebben afgezien van medewerking aan een vrijstelling op grond van dit artikel, is juist. Bovendien is namens burgemeester en wethouders ter zitting medegedeeld dat zij niet voornemens zijn de aanleg van dit soort steigers positief te bestemmen.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Ouwehand

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2002

224-378