Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5968

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-07-2002
Datum publicatie
31-07-2002
Zaaknummer
200201074/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2003, 188 met annotatie van A.R. Neerhof
Module Ruimtelijke ordening 2002/3235
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200201074/1.

Datum uitspraak: 31 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Assen van 10 januari 2002 in het geding tussen:

appellanten

en

burgemeester en wethouders van Hoogeveen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 augustus 2001 hebben burgemeester en wethouders van Hoogeveen (hierna: burgemeester en wethouders) geweigerd op het verzoek van appellanten handhavend op te treden tegen de feitelijke bedrijfsactiviteiten van [vergunninghouder] op het perceel grond aan het Krakeel, tussen de nummers [locatie 1] en [locatie 2], te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 20 november 2001 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften van 7 november 2001, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 10 januari 2001 (lees: 2002), heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te Assen (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 19 februari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 20 februari 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 21 maart 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 3 mei 2002 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juli 2002, waar appellanten in persoon, bijgestaan door gemachtigde, zijn verschenen. Burgemeester en wethouders zijn niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Landelijk Gebied” heeft het perceel de bestemming “Agrarisch gebied zonder bebouwing (A)”. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de kaart voor “Agrarisch gebied zonder bebouwing (A)” aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf met de daarbij behorende andere bouwwerken en andere werken. Ingevolge het tweede lid mogen op deze gronden geen gebouwen worden opgericht.

2.2. Bij besluit van 26 maart 1999 is aan [vergunninghouder] met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening bouwvergunning en vrijstelling verleend voor de bouw van een loods met vijf tunnelkassen ten behoeve van een kwekerij.

2.3. In afwijking van de verleende vrijstelling is [vergunninghouder] naast kwekerijactiviteiten ook groothandelactiviteiten op het perceel gaan verrichten. De nadruk in de bedrijfsvoering ligt op de groothandelactiviteiten. Niet in geschil is dat deze activiteiten in strijd zijn met het bestemmingsplan.

2.4. Indien door een belanghebbende derde uitdrukkelijk is verzocht om tegen een illegale situatie op te treden, kan alleen in bijzondere gevallen van handhavend optreden worden afgezien.

2.5. Een bijzonder geval als hiervoor bedoeld kan zich onder meer voordoen indien concreet zicht bestaat op legalisering van de illegale situatie. Hiervan is geen sprake. Burgemeester en wethouders zijn niet voornemens gebleken voor de groothandelsactiviteiten een procedure als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening te volgen, zodat de illegale situatie blijft bestaan tot het moment dat een nieuw bestemmingsplan voorziet in de groothandel op het perceel. Dat de op het perceel verrichte bedrijfsactiviteiten in overeenstemming zijn met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan “Buitengebied Zuid” rechtvaardigt niet, los van het gegeven dat ten tijde van de beslissing op bezwaar slechts een nog niet aan de gemeenteraad voorgelegd voorontwerp van het bestemmingsplan gereed was, dat deze thans in strijd met het geldende bestemmingsplan plaats hebben. Dat de op het perceel verrichte activiteiten in overeenstemming zijn met de Structuurvisie detailhandel Hoogeveen kan hier niet aan afdoen.

2.6. Een bijzonder geval als boven bedoeld kan zich voorts voordoen indien door burgemeester en wethouders het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat van handhavend optreden zal worden afgezien. Daarbij geldt echter dat een bij de overtreder van een wettelijk voorschrift opgewekt vertrouwen geen afbreuk kan doen aan de in beginsel bestaande aanspraak van een omwonende op handhaving van het bestemmingsplan. Anders dan de voorzieningenrechter is de Afdeling van oordeel dat niet valt in te zien dat de in beginsel bestaande aanspraak van een omwonende op handhaving van het bestemmingsplan in dit geval moet wijken voor het bij Van der Linden opgewekt vertrouwen. De vrijstelling had, zoals uit de stukken blijkt, enkel betrekking op de bouw van een loods met tunnelkassen ten behoeve van een kwekerij, niet op het vestigen van een groothandel. Ook in de publicatie in de Hoogeveensche Courant van 30 september 1998 waarin burgemeester en wethouders de gelegenheid bieden schriftelijk bedenkingen naar voren te brengen tegen hun voornemen tot het verlenen van de vrijstelling wordt uitsluitend gesproken over een kwekerij. De stelling van burgemeester en wethouders dat zij wel de bedoeling hebben gehad eveneens medewerking te verlenen aan het vestigen van de groothandel, kan daar niet aan afdoen, te meer nu burgemeester en wethouders in hun schrijven van 13 juli 2001 aan appellanten uitdrukkelijk aangeven dat de werkzaamheden van het bedrijf zijn veranderd van kwekerij in planten en bomen naar groothandel in planten en bomen, met als gevolg dat de activiteiten van het bedrijf niet meer vallen onder het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer, maar onder het Besluit opslag- en transportbedrijven. Voorts biedt de eenmalig gebruikte aanduiding “stekbedrijf annex handelsbedrijf” in het advies van de Werkcommissie Afwijking Bestemmingsplannen van 30 november 1998 aan gedeputeerde staten van Drenthe, naar welk advies gedeputeerde staten in hun besluit van 11 december 1998 hebben verwezen, naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende grond om aan te nemen dat gedeputeerde staten geen bezwaren hebben tegen de groothandel, reeds omdat genoemd advies is toegesneden op de kwekerijactiviteiten. Voorzover al sprake zou zijn van het kenbaar zijn bij gedeputeerde staten van het voornemen om ook een groothandel op het perceel te vestigen, is daarin evenmin grond gelegen om aan te nemen dat sprake is van bij [vergunninghouder] gewekte verwachtingen, nu de verklaring van geen bezwaar niet ziet op het vestigen van een groothandel maar enkel op de bouw van een loods met tunnelkassen ten behoeve van een kwekerij.

2.7. Dat burgemeester en wethouders op 5 maart 2002 een gedoogbesluit hebben genomen waarin is vervat dat zij tot het van kracht worden van het bestemmingsplan Buitengebied Zuid de met de op 26 maart 1999 verleende vrijstelling strijdige situatie gedogen, kan aan het voorgaande niet afdoen, reeds omdat dit besluit pas na de beslissing op bezwaar is genomen.

2.8. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de voorzieningenrechter zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 20 november 2001 alsnog gegrond verklaren en dit besluit vernietigen.

2.9. Burgemeester en wethouders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Assen van 10 januari 2002, 01/751 en 01/954 GEMWT;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Hoogeveen van 20 november 2001, 01-21.600-BOWO/HP;

V. draagt burgemeester en wethouders op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;

VI. veroordeelt burgemeester en wethouders van Hoogeveen in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 695,41, welk bedrag voor een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Hoogeveen te worden betaald aan appellanten;

VII. gelast dat de gemeente Hoogeveen aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 267,10) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Roelfsema

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2002

378.