Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5963

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-07-2002
Datum publicatie
31-07-2002
Zaaknummer
200106366/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:51
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2002/276
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200106366/1.

Datum uitspraak: 31 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting "Stichting Rechtsbijstand Friesland", gevestigd te Leeuwarden,

appellante,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden van 19 november 2001 in het geding tussen:

appellante

en

de raad voor rechtsbijstand te Leeuwarden.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 december 1999 heeft de raad voor rechtsbijstand te Leeuwarden (hierna: de raad) een verzoek van appellante om subsidie in de kosten van het verlenen van rechtsbijstand in asielzaken met ingang van 1 januari 2000, afgewezen.

Bij besluit van 10 oktober 2000 heeft de raad het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Commissie voor bezwaar en beroep van de raad, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 19 november 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 20 december 2001, bij de Raad van State ingekomen op 21 december 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 13 maart 2002 heeft de raad een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 mei 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. A. Speksnijder, directeur van appellante, en de raad, vertegenwoordigd door mr. A.B. van Rijn, advocaat te Den Haag, en mr. P.T. Huisman, directeur van de raad, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit heeft de raad de aanvraag van appellante voor een subsidie in de loonkosten rechtsbijstand in asielzaken voor het jaar 2000 afgewezen.

2.2. De rechtbank heeft overwogen dat artikel 7, gelezen in samenhang met artikel 13, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wet) aan de raad de bevoegdheid verleent de gesubsidieerde rechtsbijstand op te dragen aan andere instanties, zij het dat artikel 7 eist dat de raad toezicht houdt op de uitvoering van die rechtsbijstand en zorgdraagt voor de doelmatigheid ervan. Op de in de aangevallen uitspraak weergegeven gronden is de rechtbank, samengevat, tot het oordeel gekomen dat het toezicht van de raad op de Stichting Rechtsbijstand Asiel Noord en Oost Nederland (hierna: SRA), voldoende is gewaarborgd. Met betrekking tot de door artikel 7 van de Wet geëiste doelmatigheid heeft de rechtbank overwogen dat het door de raad gevoerde beleid, inhoudend dat de rechtsbijstand in asielzaken met het oog op de kwaliteit en effectiviteit ervan wordt geconcentreerd bij de SRA, de grenzen van een redelijke en doelmatige beleidsbepaling niet te buiten gaat.

2.3. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wet, is de raad belast met de organisatie van de verlening van rechtsbijstand in het ressort en met het toezicht op de uitvoering daarvan. De raad draagt zorg voor een zo doelmatig mogelijke besteding van de hem ter beschikking staande middelen.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de Wet, stelt de raad voor elk kalenderjaar een jaarplan op. Het jaarplan wordt van kracht zodra het door de Minister is goedgekeurd.

2.4. Appellante kan niet worden gevolgd in haar betoog dat de rechtbank heeft miskend dat de overheveling van de gehele rechtsbijstand in asielzaken naar de SRA met uitsluiting van appellante in strijd met artikel 7 van de Wet is.

2.4.1. Uit artikel 7 van de Wet vloeit immers voort dat de raad de bevoegdheid toekomt beleid te voeren bij de besteding van ter beschikking gestelde middelen ten behoeve van de verlening van rechtsbijstand, welke beleidsvrijheid hij heeft ingevuld door middel van het jaarplan/de jaarplannen. Voor dit oordeel kan steun worden gevonden in de wetsgeschiedenis (TK 1991-1992, 22 609, nr. 3), waaruit blijkt dat er in de Wet voor is gekozen het hele beleid ten aanzien van de gefinancierde rechtsbijstand onder te brengen bij de raad, die zijn beleid in een jaarplan vastlegt.

2.4.2. Het door de raad op dit punt gevoerde beleid houdt in dat met ingang van 1 januari 1996 de rechtsbijstand in asielzaken wordt geconcentreerd bij de SRA en appellante van het verlenen van deze vorm van rechtsbijstand, en daarmee van subsidie, wordt uitgesloten.

Op de in de aangevallen uitspraak vermelde gronden heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat in het beleid het toezicht op de uitvoering van de rechtsbijstand en de zorg voor de doelmatigheid van de besteding van de middelen, welke eisen de Wet de raad stelt bij de uitvoering van zijn taak, voldoende zijn gewaarborgd. Van de door appellante gestelde strijdigheid van het beleid met – artikel 7 van – de Wet, is geen sprake. Er is mitsdien geen grond voor het oordeel dat de raad, gegeven de belangen die hem ten tijde van de totstandbrenging van voren vermelde beleidsregel bekend waren of behoorden te zijn, in redelijkheid niet tot het vaststellen van de beleidsregel heeft kunnen komen.

De toepassing ervan op appellante houdt in dat zij voor het jaar 2000 geen aanspraak heeft op subsidie voor het verlenen van rechtsbijstand in asielzaken.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de raad van zijn bevoegdheid tot afwijking van zijn beleid gebruik had behoren te maken.

2.5. Appellante heeft voorts betoogd dat het bepaalde in artikel 4:51 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zich verzet tegen weigering van de gevraagde subsidie.

2.5.1. In 1995 heeft de raad besloten de rechtsbijstand in asielzaken onder te brengen bij de SRA en appellante ingaande 1 januari 1996 niet langer in aanmerking te laten komen voor het verlenen van rechtsbijstand in asielzaken op basis van een toevoeging. In 1995 is hiertoe een samenwerkingsovereenkomst gesloten met de raad voor rechtsbijstand te Arnhem. De subsidie voor deze vorm van rechtsbijstand zal door de raad voortaan aan de SRA worden betaald en niet langer aan appellante. Met ingang van 1 januari 1996 is de subsidie aan appellante beëindigd. Voor de jaren 1996 en 1997 heeft de raad een overgangsregeling getroffen, voor de jaren 1998 en 1999 heeft de raad bemiddeld bij een door de SRA afgegeven werkgarantie voor de juristen van appellante; de in dit kader verrichte activiteiten heeft de raad indirect gesubsidieerd.

2.5.2. Gelet op deze feiten was een weigering met inachtneming van de redelijke termijn als waarin artikel 4:51 van de Awb voorziet, uitsluitend in 1996 aan de orde en kan de beëindiging van de subsidie in de onderhavige procedure niet meer aan de orde komen.

2.6. Voorts kan, anders dan appellante heeft betoogd, niet worden staande gehouden dat de raad appellante toezeggingen heeft gedaan om door middel van afzonderlijke financiering na 1 januari 2000 te blijven voorzien in de kosten van rechtsbijstand in asielzaken. Onder overneming van de motivering van de rechtbank wordt geoordeeld dat de brief van appellante aan de raad van 9 september 1999, waaruit naar haar stellen een toezegging blijkt, niet als zodanig kan worden opgevat, waaraan de Afdeling toevoegt dat deze brief uitsluitend de weergave door appellante van een gesprek van haar met de raad bevat.

2.7. Hetgeen appellante verder in hoger beroep heeft aangevoerd vormt een herhaling van haar betoog bij de rechtbank en kan, nu het oordeel van de rechtbank hierover op juiste gronden berust, niet tot een ander oordeel leiden.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-Van Bilderbeek w.g. Wolff

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2002

238.