Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5961

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-07-2002
Datum publicatie
31-07-2002
Zaaknummer
200103657/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning en vrijstelling (19.3 WRO jo. art. 20.1.a.1 Bro 1985) voor keuken en berging. Het bouwplan voorziet in een gebouw met een oppervlakte van 44,27 m2 en een inhoud van 221,56 m3 op 1 meter van de erfgrens. In de uitbreiding is ruimte voor een berging en de keuken en blijkens de bouwtekening ook voor een doucheruimte met toilet en wastafel. Voorts is er een vaste trap ingetekend en er is een verdieping aangebracht met twee slaapkamers. B&W hebben geconcludeerd dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan omdat het niet voldoet aan de eisen dat het hoofdgebouw binnen het op de plankaart aangegeven bebouwingsvlak en op minimaal 4 meter van de zijdelingse perceelsgrens dient te worden opgericht. Omdat het bestemmingsplan op de plaats waar de uitbreiding is voorzien een bijgebouw met de afmetingen van het bouwplan toelaat, hebben zij gemeend dat daarvoor ex art. 19.3 WRO vrijstelling kan worden verleend. De ABRS acht het de vraag of een bijgebouw met een volume als het onderhavige bouwplan, hoewel de maatvoering niet met het bestemmingsplan in strijd is, ter plaatse als een reële mogelijkheid is te zien.

In aanmerking daarbij genomen dat het bouwplan een gebruik mogelijk maakt dat ten opzichte van hetgeen het bestemmingsplan toelaatbaar acht een wezenlijk andere is - immers, het gebruik als bijgebouw is van geheel andere aard dan het gebruik dat wordt gemaakt van een hoofdgebouw - is de ABRS van oordeel dat B&W ten onrechte in het besluit op bezwaar bij de belangenafweging uitsluitend in aanmerking hebben genomen dat een bijgebouw van dezelfde afmetingen ter plaatse ingevolge het geldende bestemmingsplan zonder meer zou zijn toegestaan, zonder daarbij de hiervoor genoemde belangen van appellant te betrekken.

Appellant heeft met het oog op zijn belangen juist gewezen op dat gebruik.

Gegrond hoger beroep.

Het college van burgemeester en wethouders van Venlo.

mrs. J.A.M. van Angeren, C.A. Terwee-van Hilten, J.E.M. Polak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2003, 415
M en R 2002, 237K
Gst. 2002-7174, 6
Module Ruimtelijke ordening 2002/2551

Uitspraak

200103657/1.

Datum uitspraak: 31 juli 2002.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [plaats],

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Roermond van 14 juni 2001 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Venlo.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2000 hebben burgemeester en wethouders van Venlo (hierna: burgemeester en wethouders) voor zover thans van belang aan de [partij] bouwvergunning verleend voor het oprichten van een keuken en een berging aan de [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 10 oktober 2000 hebben burgemeester en wethouders alsnog vrijstelling krachtens artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) in samenhang met artikel 20, eerste lid, onder a, sub 1, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) verleend en het tegen het besluit van 26 juni 2000 door appellant gemaakte bezwaar voor het overige ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 14 juni 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 23 juli 2001, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 9 augustus 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 9 november 2001 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 mei 2002, waar appellant, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. J. Maas, advocaat te Venlo, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door J.M.G. Vincken, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op het perceel rust, voor zover hier van belang, ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Herungerberg-Zuid” de bestemming “Eengezinshuizen, bungalows met bijbehorende erven, klasse E”.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de bij dit plan behorende voorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de bestemmingskaart als zodanig aangewezen gronden uitsluitend bestemd voor de bouw van woningen in één laag met dien verstande dat:

a. de eengezinshuizen alleen mogen worden gebouwd binnen het op de bestemmingskaart aangegeven bebouwingsoppervlak;

f. de breedte van het hoofdgebouw ten hoogste 60% van de perceelsbreedte mag bedragen;

g. de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrenzen ten minste 4.00 meter zal bedragen, tenzij op de bestemmingskaart een andere maat is aangegeven;

i. de inhoud van het hoofdgebouw ten minste 400 m3 en ten hoogste 900 m3 mag bedragen.

Ingevolge artikel 9, tweede lid, voor zover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in het eerste lid, onder f,g en i, tot overschrijding van de aangegeven maten en percentage met ten hoogste 20% en van het bepaalde in het eerste lid, onder i. tot vergroting van de inhoud tot 1000 m3 indien de oppervlakte ten minste 1200 m2 bedraagt.

2.2. Niet in geschil is dat er sprake is van een uitbreiding van het hoofdgebouw, welke in strijd is met de hierboven genoemde voorschriften. Burgemeester en wethouders hebben daarom toepassing gegeven aan artikel 19, derde lid, van de WRO in samenhang met artikel 20, eerste lid, onder a, sub 1, van het Bro.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, onder a, sub 1, van het Bro komen voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO in aanmerking een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft.

2.3. Appellant betoogt allereerst dat de rechtbank heeft miskend dat het begrip “bebouwde kom” in artikel 20 in de eerste plaats gedefinieerd dient te worden als een gebied met samenhangende bebouwing en niet gedefinieerd kan worden op basis van de Wegenverkeerswet. Nu het woongebied in kwestie op enige afstand van de samenhangende bebouwing van Venlo ligt moet betwijfeld worden of de woning binnen de bebouwde kom ligt.

2.3.1. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 5 oktober 2000, no. E01.98.0251, BR 2001/106, reeds heeft overwogen is de vraag of een perceel al dan niet in het buitengebied ligt, een vraag van feitelijke aard en is niet de plaats van het verkeersbord dat de bebouwde kom aangeeft bepalend, doch de aard van de omgeving. De grenslijn van de bebouwde kom is van verkeerstechnische aard. In het kader van de ruimtelijke ordening behoeft daaraan geen doorslaggevende betekenis te worden toegekend.

2.3.2. De ter plaatse gerealiseerde woningen maken deel uit van een wijk, waar enkele honderden (voornamelijk vrijstaande) woningen zijn gerealiseerd. De Afdeling komt, gelet op de voornoemde uitspraak, dan ook tot de slotsom dat – zij het op andere gronden dan de rechtbank heeft geoordeeld – het perceel [locatie] te [plaats] is gelegen binnen de bebouwde kom als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder a, sub 1, van het Bro. Het maakt deel uit van een groter woongebied als zodanig bestemd in het uit 1974 daterende bestemmingsplan “Herungerberg-Zuid”. Reeds in het voordien geldende bestemmingsplan “Uitbreidingsplan in hoofdzaken” waren de gronden in de omgeving van de Herungerberg bestemd tot “villawijk”.

2.4. Nu voorts vaststaat dat met het bouwplan het aantal woningen binnen de bebouwde kom niet toeneemt, waren burgemeester en wethouders krachtens artikel 19, derde lid, in samenhang met artikel 20, eerste lid, onder a, sub 1 van het Bro bevoegd vrijstelling te verlenen.

2.5. Appellant voert verder aan dat de rechtbank heeft miskend dat burgemeester en wethouders ten onrechte bij de belangenafweging hebben betrokken dat het oprichten van de uitbreiding op grond van de planvoorschriften zonder meer mogelijk zou zijn geweest indien deze als bijgebouw aangemerkt had kunnen worden. In zijn visie mogen de voor bijgebouwen geldende bouwvoorschriften geen rol spelen nu het bouwplan de uitbreiding van het hoofdgebouw mogelijk maakt. Het bouwplan maakt, zo voert hij aan, inbreuk op zijn privacy, neemt zonlicht en uitzicht weg en is aldus beduidend ingrijpender dan op grond van het bestemmingsplan is toegestaan.

2.5.1. Vast staat dat het bouwplan voorziet in een gebouw met een oppervlakte van 44,27 m2 en een inhoud van 221,56 m3 op 1 meter van de erfgrens. In de uitbreiding is ruimte voor een berging en de keuken en blijkens de bouwtekening ook voor een doucheruimte met toilet en wastafel. Voorts is er een vaste trap ingetekend. Ter zitting heeft appellant naar voren gebracht dat een verdieping is aangebracht met twee slaapkamers. Op de bouwtekening zijn op die hoogte aan de achter- en de voorzijde van het gebouw ramen ingetekend.

De Afdeling merkt op dat burgemeester en wethouders bij de bestreden beslissing op bezwaar tot de conclusie zijn gekomen dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan omdat het niet voldoet aan de eisen dat het hoofdgebouw binnen het op de plankaart aangegeven bebouwingsoppervlak en op minimaal 4 meter van de zijdelingse perceelsgrens dient te worden opgericht. Vervolgens hebben zij, nu het bestemmingsplan op de plaats waar de uitbreiding is voorzien een bijgebouw met de afmetingen van het bouwplan toelaat, gemeend dat daarvoor met toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO vrijstelling van het plan kan worden verleend.

De Afdeling acht het de vraag of een bijgebouw met een volume als het onderhavige bouwplan, hoewel de maatvoering niet met het bestemmingsplan in strijd is, ter plaatse als een reële mogelijkheid is te zien. In aanmerking daarbij genomen dat het bouwplan een gebruik mogelijk maakt dat ten opzichte van hetgeen het bestemmingsplan toelaatbaar acht een wezenlijk andere is - immers, het gebruik als bijgebouw is van geheel andere aard dan het gebruik dat wordt gemaakt van een hoofdgebouw - is de Afdeling van oordeel dat burgemeester en wethouders ten onrechte in het besluit op bezwaar bij de belangenafweging uitsluitend in aanmerking hebben genomen dat een bijgebouw van dezelfde afmetingen ter plaatse ingevolge het geldende bestemmingsplan zonder meer zou zijn toegestaan, zonder daarbij de hiervoor genoemde belangen van appellant te betrekken. Appellant heeft met het oog op zijn belangen juist gewezen op dat gebruik. De stelling van burgemeester en wethouders ter zitting dat de belangenafweging in dit geval, gegeven de bouwmogelijkheden voor een bijgebouw, slechts marginaal kan zijn, volgt de Afdeling niet. De bestreden beslissing op bezwaar is genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft dit miskend.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep gegrond verklaren en de bestreden beslissing op bezwaar van 10 oktober 2000 vernietigen.

2.7. Burgemeester en wethouders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Roermond van 14 juni 2001, 00/1055 WRO19 K1;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Venlo van 10 oktober 2000, SECAJ 00/12055,13967;

V. draagt burgemeester en wethouders van Venlo op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;

VI. veroordeelt burgemeester en wethouders van Venlo in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1322,95, waarvan een gedeelte groot € 1288,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Venlo te worden betaald aan appellant;

VII. gelast dat de gemeente Venlo aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 256,39) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.M. van Angeren, Voorzitter, en mr. C.A. Terwee-van Hilten en mr. J.E.M. Polak, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Bastein, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Angeren w.g. Bastein

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2002.

47-398.