Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5957

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-07-2002
Datum publicatie
31-07-2002
Zaaknummer
200103359/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200103359/1.

Datum uitspraak: 31 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 23 mei 2001 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Boxmeer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 juni 1996 hebben burgemeester en wethouders van Boxmeer (hierna: burgemeester en wethouders) aan [vergunninghoudster] vergunning verleend voor het oprichten van een woning op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 28 maart 2000 hebben burgemeester en wethouders – nadat de eerdere beslissing op bezwaar van 24 juni 1997 door de rechtbank bij uitspraak van 15 september 1998 was vernietigd – met gebruikmaking van de daartoe op 7 maart 2000 verleende verklaring van geen bezwaar en met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling verleend van de bepalingen van het bestemmingsplan voor het oprichten van genoemde woning en de door appellant gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 mei 2001, verzonden op 28 mei 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 2 juli 2001, bij de Raad van State ingekomen op 3 juli 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 31 juli 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 11 december 2001 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juli 2002, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. J.P.L.M. van der Velden, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Brakels Eng” rust op het betrokken perceel de bestemming “Wonen, WzA”.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften, voorzover thans van belang, mag, voorzover op de plankaart binnen een bestemmingsvlak de code WzA is aangegeven, het aantal bouwpercelen voor woningen binnen dat vlak niet meer bedragen dan op de plankaart is aangegeven.

Blijkens de plankaart mogen binnen het bestemmingsvlak waarin het onderhavige bouwplan is gesitueerd 7 tot 11 bouwpercelen worden gerealiseerd.

Vast staat dat ten tijde van de aanvraag om bouwvergunning in het in geding zijnde bestemmingsvlak reeds 11 bouwpercelen met woningen waren gerealiseerd en dat het onderhavige bouwplan voor de oprichting van een twaalfde woning mitsdien in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan.

Om niettemin de gevraagde bouwvergunning te kunnen verlenen hebben burgemeester en wethouders, met toepassing van de anticipatieprocedure, neergelegd in artikel 19 van de WRO, zoals dat luidde tot 3 april 2000, vrijstelling verleend van genoemde bepaling. Op 2 juli 1999 is het door de gemeenteraad van Boxmeer voor het perceel [locatie] te [plaats] genomen voorbereidingsbesluit in werking getreden. Op 7 maart 2000 hebben gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant een verklaring van geen bezwaar verleend. Derhalve is aan de formele vereisten om toepassing te geven aan de anticipatieprocedure voldaan.

2.2. Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat een dringend belang het verlenen van een vrijstelling rechtvaardigt. Bovendien heeft de rechtbank volgens appellant ten onrechte overwogen dat burgemeester en wethouders een voldoende ruimtelijke onderbouwing hebben gegeven.

2.3. Met betrekking tot de eis van spoedeisendheid wordt overwogen dat ook in een geval waarin een bouwplan reeds is verwezenlijkt, zoals hier aan de orde, sprake kan zijn van een dringend belang dat het met toepassing van artikel 19 van de WRO vooruitlopen op een toekomstig bestemmingsplan gerechtvaardigd doet zijn. Een zodanig belang is in dit geval gelegen in de wettiging van een, reeds enkele jaren bestaande, met het recht strijdige situatie. Nu het bouwplan voorts, gelet op de ter plaatse geldende woonbestemming en gelet op het feit dat in deze woonwijk slechts één extra woning is gerealiseerd, een geringe inbreuk op de planologische situatie betekent, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de urgentie niet toereikend is om de vrijstelling te kunnen rechtvaardigen.

2.4. Het betoog van appellant dat de rechtbank een onjuist criterium heeft aangelegd door te overwegen dat niet onaannemelijk is dat voorschriften in het bestemmingsplan waarvan wordt afgeweken in de toekomst gewijzigd zullen worden, faalt eveneens. Niet is aangetoond dat burgemeester en wethouders ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar niet daadwerkelijk het voornemen hadden om binnen afzienbare tijd een herziening van het bestemmingsplan te bewerkstelligen. Naar het oordeel van de Afdeling bieden de stukken en het ter zitting in hoger beroep verhandelde voldoende aanknopingspunten voor het bestaan van een dergelijk voornemen.

2.5. Anders dan appellant betoogt heeft de rechtbank voorts met juistheid overwogen dat burgemeester en wethouders hun besluit om vrijstelling te verlenen in voldoende mate hebben onderbouwd, nu zij hebben uiteengezet dat het bouwplan, dat op zich niet strijdig is met de ter plaatse geldende bestemming, past binnen het provinciaal beleid, dat is gericht op het optimaal benutten van de bebouwingsmogelijkheden binnen het bestaande stedelijk gebied, mede om de druk op het schaarse en waardevolle buitengebied af te leiden. Gedeputeerde staten hebben in de extra gerealiseerde woning op voormelde locatie geen aanleiding gezien de verzochte verklaring van geen bezwaar te weigeren. Dat gedeputeerde staten bij het besluit omtrent goedkeuring van het ter plaatse geldende bestemmingsplan niet tot uitdrukking hebben gebracht dat op het in het geding zijnde bestemmingsvlak meer dan 11 woningen kunnen worden gebouwd, doet hieraan niet af, reeds omdat overschrijding van dat aantal op dat moment niet aan de orde was, zodat er voor hen geen noodzaak was zich hierover uit te spreken.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.U. Kallan, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Kallan

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2002

15-423