Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5952

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-07-2002
Datum publicatie
31-07-2002
Zaaknummer
200106014/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Bouwregelgeving 2002/97

Uitspraak

200106014/1.

Datum uitspraak: 31 juli 2002.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

burgemeester en wethouders van Noordwijk,

appellanten,

tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 24 oktober 2001 in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats]

en

appellanten.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 mei 2000 hebben appellanten geweigerd [verzoeker] vergunning te verlenen voor het uitbreiden van zijn woning aan de [locatie] te [plaats] met een verdieping met een kap.

Bij besluit van 5 december 2000 hebben appellanten het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Commissie Bezwaar- en Beroepschriften Noordwijk van 15 november 2000, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 24 oktober 2001, verzonden op 25 oktober 2001, heeft de president van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de president) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en burgemeester en wethouders opgedragen om binnen twee maanden na de datum van verzending van de uitspraak met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 4 december 2001, bij de Raad van State ingekomen op 5 december 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 22 maart 2002 heeft [verzoeker] een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juni 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door F. van Asselt, ambtenaar der gemeente,

en [verzoeker], vertegenwoordigd door mr. M.A. Haasnoot, advocaat te Leiden, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [verzoeker] heeft betoogd dat appellanten de verwachting hebben gewekt dat zij tegen de uitspraak van de president geen hoger beroep zouden instellen. Dit betoog slaagt niet, reeds omdat appellanten geen afstand hebben gedaan van hun recht om in hoger beroep te komen.

2.2. Het bouwplan voorziet in de vergroting van een woonhuis, waardoor een volledige eerste verdieping en een zolderverdieping ontstaan.

Aan het bestemmingsplan “Noordwijk aan Zee Noord” is voor het perceel waarop het bouwplan is voorzien goedkeuring onthouden, zodat het bouwplan uitsluitend aan de Bouwverordening dient te worden getoetst.

2.3. Ingevolge artikel 2.5.12 van de Bouwverordening is het, onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13, verboden bouwvergunningplichtige bouwwerken te bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn. Ingevolge artikel 2.5.14 kunnen burgemeester en wethouders in de aldaar genoemde gevallen vrijstelling verlenen van het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn.

Ingevolge artikel 2.5.25, eerste lid, mag de hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3 of artikel 2.5.14 verleende vrijstelling wordt opgericht op een niet aan een weg grenzend terrein niet meer bedragen dan 2,70 meter met dien verstande dat – uitgaande van een goothoogte van genoemde maat – daarboven een zadeldak met hellingen van ten hoogste 45 graden toegelaten is.

Ingevolge artikel 2.5.25, tweede lid, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in het eerste lid, indien de aard en de ligging van de omringende bebouwing hiervoor geen beletsel vormen.

Ingevolge artikel 10 van de Woningwet zijn de in de bouwverordening vervatte voorschriften omtrent de rooilijnen en de plaatsing van bouwwerken ten opzichte van elkaar niet van toepassing op het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van een bouwwerk, voor zover het te vernieuwen of veranderen gedeelte van dat bouwwerk overeenkomstig het destijds geldende recht in afwijking van die voorschriften tot stand is gekomen.

2.4. Vast staat dat het reeds jarenlang als woning in gebruik zijnde pand is gebouwd voor het van kracht worden van de Bouwverordening.

2.5. Appellanten betogen dat de president ten onrechte heeft overwogen dat als gevolg van het bouwplan de bebouwde oppervlakte niet wordt vergroot, zodat gelet op het bepaalde in artikel 10 van de Woningwet artikel 2.5.14 van de Bouwverordening niet van toepassing is.

2.5.1. Dit betoog slaagt. Blijkens de Memorie van Toelichting is de bedoeling van artikel 10 van de Woningwet hierin gelegen, dat vernieuwing of verandering van het gedeelte van een bouwwerk, welk gedeelte vóór de voorgevelrooilijn of achter de achtergevelrooilijn is gelegen en in het verleden langs legale weg tot stand is gekomen, mogelijk moet zijn. Artikel 10 Woningwet ziet evenwel – ook blijkens de jurisprudentie – niet op het vergroten van bedoeld gedeelte, waarop derhalve het verbod van genoemd artikel 2.5.12 van toepassing is. Dat verbod behelst zowel het uitbreiden van het buiten een rooilijn liggende oppervlak als het buiten een rooilijn hoger optrekken van dat gedeelte van het bouwwerk. Zoals hiervoor in overweging 2.2 is overwogen voorziet het bouwplan in de vergroting van het woonhuis, zodat de verbodsbepaling van artikel 2.5.12 van toepassing is. De president heeft dit miskend.

2.6. Het hoger beroep is gegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [verzoeker] zelf afdoen.

2.7. Door [verzoeker] is in beroep aangevoerd dat appellanten zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat het bouwplan in strijd is met de artikelen 2.5.12 en 2.5.25 van de Bouwverordening en dat een vrijstelling als bedoeld in artikel 2.5.14 van de Bouwverordening dient te worden verleend.

2.7.1. Volgens [verzoeker] dient als uitgangspunt voor de bepaling van de achtergevelrooilijn niet de Daniël Noteboomstraat, maar de toegangsweg vanaf deze straat naar zijn perceel te worden genomen. In dat geval is van overschrijding van de achtergevelrooilijn geen sprake zodat de vrijstelling als bedoeld in artikel 2.5.14 van de Bouwverordening niet behoeft te worden verleend. Het is de Afdeling uit de stukken en het verhandelde ter zitting evenwel gebleken dat de toegangsweg een particuliere weg is die niet voorkomt op de wegenlegger van de gemeente Noordwijk, zodat daarbij niet van een weg in de zin van de Bouwverordening kan worden gesproken. De Daniël Noteboomstraat dient derhalve als uitgangspunt voor de bepaling van de achtergevelrooilijn te worden genomen. Vast staat dat het gehele bouwwerk zich achter deze achtergevelrooilijn bevindt. Appellanten hebben dan ook terecht overwogen dat het bouwplan in strijd is met artikel 2.5.12 van de Bouwverordening en dat de vrijstelling als bedoeld in artikel 2.5.14 van de Bouwverordening dient te worden verleend. Ter zitting is komen vast te staan dat appellanten niet bedoeld hebben deze bij het primaire besluit verleende vrijstelling bij de beslissing op bezwaar in te trekken, zodat die benodigde vrijstelling wel is verleend.

2.7.2. [verzoeker] heeft voorts aangevoerd dat artikel 2.5.25 van de Bouwverordening toepassing mist omdat geen sprake is van een bouwwerk dat wordt opgericht op een niet aan een weg grenzend terrein. Zoals hiervoor is overwogen kan de toegangsweg naar het perceel van appellant niet als weg als bedoeld in de Bouwverordening worden aangemerkt, zodat burgemeester en wethouders het bouwplan terecht aan artikel 2.5.25 van de Bouwverordening hebben getoetst. Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met artikel 2.5.25, eerste lid, van de Bouwverordening. Gelet op de in het bouwplan voorziene hoogte en volume van het bouwwerk in relatie tot de aard en ligging van de omringende bebouwing ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat burgemeester en wethouders niet in redelijkheid tot hun in bezwaar gehandhaafde weigering om ten behoeve van het bouwplan de vrijstelling als bedoeld in artikel 2.5.25, tweede lid, van de Bouwverordening te verlenen hebben kunnen komen. De Afdeling acht daarbij conform eerdere jurisprudentie van belang dat het gaat om een vrijstellingsbevoegdheid die aan de orde komt indien – en omdat – eerst een andere vrijstelling, die van artikel 2.5.14 van de Bouwverordening is verleend. Van zo’n dubbele vrijstellingsbevoegdheid dient met behoedzaamheid gebruik te worden gemaakt. Tegen die achtergrond hebben burgemeester en wethouders in redelijkheid geen gebruik hoeven maken van deze vrijstellingsmogelijkheid in een geval als het onderhavige, waarbij immers van een forse overschrijding van de ingevolge het eerste lid van artikel 2.5.25 van de Bouwverordening toegestane hoogte sprake is.

2.7.3. Gezien het vorenstaande dient het beroep van [verzoeker] alsnog ongegrond te worden verklaard.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 24 oktober 2001, nrs. AWB 01/372 WW44 en AWB 01/2785 WW44;

III. verklaart het bij de rechtbank door [verzoeker] ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. J.E.M. Polak, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Bastein, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers w.g. Bastein

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2002.

13.