Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5940

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-07-2002
Datum publicatie
31-07-2002
Zaaknummer
200103772/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200103772/1.

Datum uitspraak: 31 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Utrecht van 25 juni 2001 in het geding tussen:

appellanten

en

burgemeester en wethouders van Nieuwegein.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 augustus 2000 hebben burgemeester en wethouders van Nieuwegein (hierna: burgemeester en wethouders) met gebruikmaking van de daartoe op 10 juli 2000 verleende verklaring van geen bezwaar en met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling en bouwvergunning verleend aan de Gemeente Nieuwegein voor de bouw van een schoolgebouw op het perceel Mozartplantsoen te Nieuwegein.

Bij besluit van 2 januari 2001 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 25 juni 2001, verzonden op 26 juni 2001, heeft de president van de arrondissementsrechtbank te Utrecht (hierna: de president) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 27 juli 2001, bij de Raad van State ingekomen op 30 juli 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 16 januari 2002 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juli 2002, waar [appellant] in persoon en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door H. Koekoek, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Zuilenstein” rust op het betrokken perceel gedeeltelijk de bestemming “Bijzondere doeleinden, klasse B, met bijbehorende erven (BDB)” en gedeeltelijk de bestemming “Openbaar groen, plantsoen of berm”.

Ingevolge artikel 16, eerste lid en aanhef, van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming Bijzondere doeleinden, klasse B, voorzover thans van belang, bestemd voor gebouwen van bijzondere aard (zoals scholen), met dien verstande dat:

a. een bouwperceel tot ten hoogste het op de kaart aangegeven percentage mag worden bebouwd;

b. de gebouwen uitsluitend mogen worden opgericht binnen de op de kaart aangegeven bebouwingsvlakken;

c. de goothoogte van de gebouwen ten hoogste 10 meter mag bedragen;

d. (…)

e. (…)

Het op de plankaart aangegeven bebouwingspercentage bedraagt 50 %.

Vast staat dat het op de plankaart aangegeven bebouwingsvlak wordt overschreden en dat een gedeelte van het bouwwerk geprojecteerd wordt op gronden met de bestemming “Openbaar groen, plantsoen of berm”. Het bouwplan is mitsdien in strijd met het bestemmingsplan.

Om niettemin de gevraagde bouwvergunning te kunnen verlenen hebben burgemeester en wethouders, met toepassing van de anticipatieprocedure, neergelegd in artikel 19 van de WRO, zoals dat luidde tot 3 april 2000, vrijstelling verleend van het bestemmingsplan. Op 31 maart 1999 is het door de gemeenteraad van Nieuwegein voor het perceel Mozartplantsoen te Nieuwegein genomen voorbereidingsbesluit in werking getreden, welk besluit op 31 maart 2000 is verlengd. Op 10 juli 2000 hebben gedeputeerde staten van de provincie Utrecht een verklaring van geen bezwaar verleend. Derhalve is aan de formele vereisten om toepassing te geven aan de anticipatieprocedure voldaan.

2.2. Hetgeen appellanten in hoger beroep met betrekking tot de urgentie van het bouwplan hebben aangevoerd is louter een herhaling van hetgeen in het bezwaarschrift is aangevoerd. De president heeft dit bezwaar terecht en op goede gronden verworpen.

2.3. Het betoog van appellanten dat de president heeft miskend dat de op de plankaart aangegeven maximaal te bebouwen oppervlakte van het bouwperceel wordt overschreden, faalt. Gelet op de stukken, waaronder een overzichtskaart van het bebouwingsvlak van het geldende bestemmingsplan, het bebouwde gedeelte daarvan en de oppervlakte van de nieuwbouw, en het verhandelde ter zitting heeft de president terecht geoordeeld dat de maximaal te bebouwen oppervlakte van het bouwperceel niet wordt overschreden bij realisering van het bouwplan.

Appellanten hebben bij de berekening van de oppervlakte van het bebouwde gedeelte van het bouwperceel ten onrechte de buiten dat perceel gelegen gedeelten van gebouwen in aanmerking genomen. Voor het door appellanten bedoelde deel van het gebouw dat daarbuiten is gesitueerd hebben burgemeester en wethouders nu juist met toepassing van artikel 19 van de WRO vrijstelling verleend teneinde de strijdigheid met de planvoorschriften op te heffen. Dat burgemeester en wethouders in de beslissing op bezwaar met betrekking tot de bebouwingsmogelijkheden onjuiste oppervlaktematen hebben vermeld, is op zich juist, maar leidt niet tot het oordeel dat die beslissing onrechtmatig is.

2.4. Met betrekking tot het beroep van appellanten op het vertrouwensbeginsel wordt overwogen dat de president terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat uit de brief van 15 juli 1998 niet kan worden afgeleid dat rechtens te honoreren verwachtingen zijn gewekt op grond waarvan appellanten erop mochten vertrouwen dat hun wensen bij de ontwikkeling van het bouwplan zouden worden gehonoreerd. De brief van appellanten van 30 juni 1998 noch het verslag van de inspraakavond van 26 maart 1999 kunnen tot een ander oordeel leiden.

2.5. Het vorenstaande in aanmerking nemende heeft de president terecht geen grond gezien voor het oordeel dat burgemeester en wethouders bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid tot handhaving van de beslissing tot het verlenen van vrijstelling en bouwvergunning hebben kunnen komen.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.U. Kallan, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Kallan

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2002

15-423.