Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5939

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-07-2002
Datum publicatie
31-07-2002
Zaaknummer
200103493/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2003/4
Module Ruimtelijke ordening 2002/1416
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200103493/1.

Datum uitspraak: 31 juli 2002.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Zwolle van 31 mei 2001 in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats]

en

burgemeester en wethouders van Dronten.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 17 oktober 2000 en 21 november 2000 hebben burgemeester en wethouders van Dronten (hierna: burgemeester en wethouders) aan MC-Projectmanagement B.V. vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en bouwvergunning verleend voor de uitbreiding van de nog te bouwen woning op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 27 februari 2001 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door [verzoeker] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 31 mei 2001, verzonden op 1 juni 2001, heeft de president van de arrondissementsrechtbank te Zwolle (hierna: de president) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd, het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en de besluiten van 17 oktober 2000 en 21 november 2000 geschorst. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 10 juli 2001, bij de Raad van State ingekomen op 11 juli 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 juli 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brieven van 26 november respectievelijk 30 november 2001 hebben [verzoeker] respectievelijk burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juni 2002, waar appellanten in persoon, vertegenwoordigd door mr. S.J.Th. Homan, advocaat te Zwolle, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. A. Deuzeman, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Tevens is daar [verzoeker], vertegenwoordigd door mr. O.W. Wagenaar, gemachtigde, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Appellanten, die het bouwperceel en de woning in aanbouw in maart 2000 hebben gekocht, betogen dat de president ten onrechte heeft overwogen dat met de regeling van artikel 20 van het Besluit op de ruimtelijke ordening is beoogd burgemeester en wethouders de mogelijkheid te bieden om voor bouwwerken van ondergeschikte betekenis vrijstelling te verlenen en dat, omdat daarvan in dit geval geen sprake is, burgemeester en wethouders niet bevoegd waren om vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening te verlenen. Dit betoog slaagt.

2.2. In haar uitspraak van 5 december 2001 (Gst. 7156, nr. 10) heeft de Afdeling overwogen dat de tekst van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, in samenhang met artikel 20, eerste lid, onder a, sub 1, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 niet dwingt tot de beperkte uitleg die de president daaraan heeft gegeven. Deze artikelen geven de mogelijkheid tot het verlenen van vrijstelling voor uitbreiding van of voor een bijgebouw bij woongebouwen in de bebouwde kom. In tegenstelling tot bij voorbeeld de regeling voor woongebouwen buiten de bebouwde kom, zijn in deze regeling, afgezien van het aantal woningen, geen restricties gesteld. Dat is beoogd de toepassing van deze vrijstelling meer te beperken blijkt evenmin uit de Nota van Toelichting, waarin met betrekking tot deze woningen slechts is vermeld dat de vrijstelling er niet toe mag leiden dat het aantal zelfstandige woningen in de gemeente toeneemt. De president heeft dit miskend.

2.3. Het hoger beroep is gegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [verzoeker] zelf afdoen.

2.4. In beroep heeft [verzoeker] aangevoerd dat burgemeester en wethouders het bouwplan ten onrechte niet aan het door hen opgestelde bebouwingsplan/straatbeeld voor de wijk hebben getoetst. Voorts heeft hij aangevoerd dat hij als gevolg van de uitbreiding in zijn woongenot wordt geschaad.

2.4.1. Anders dan [verzoeker] betoogt dient het bouwplan aan het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Dronten-West, Agrarisch Onderwijs” te worden getoetst en niet aan de door hem bedoelde stedebouwkundige opzet. Het bouwplan voorziet in een uitbreiding van de woning van appellanten tot 1.15 m. van de perceelsgrens. Ingevolge het bestemmingsplan is het toegestaan woningen tot op de zijdelingse perceelsgrens te bouwen, zodat het bouwplan op dit punt niet in strijd met het bestemmingsplan is.

Omdat als gevolg van de uitbreiding de maximaal toegestane inhoudsmaat van de woning van 600 m3 met 75 m3 wordt overschreden is ten behoeve van het bouwplan vrijstelling verleend. De Afdeling is van oordeel, dat burgemeester en wethouders gelet op het feit, dat het bestemmingsplan bebouwing tot op de zijdelingse perceelsgrens mogelijk maakt en de door [verzoeker] tegen de verlening van vrijstelling ingebrachte bezwaren zich met name tegen bebouwing in de nabijheid van zijn woning richten, in redelijkheid vrijstelling hebben kunnen verlenen.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft [verzoeker] niet aannemelijk gemaakt dat het bouwplan leidt tot een onevenredige aantasting van zijn woongenot. Gezien het vorenstaande ziet de Afdeling dan ook geen grond voor het oordeel dat burgemeester en wethouders niet in redelijkheid hun besluit tot verlening van de vrijstelling in bezwaar hebben kunnen handhaven. Het beroep van [verzoeker] dient alsnog ongegrond te worden verklaard.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

2.6. Een redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat – naar analogie van artikel 41, vijfde lid – het griffierecht door de Secretaris van de Raad van State aan appellanten wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Zwolle van 31 mei 2001, Reg. nrs. 01/332 en 01/333;

III. verklaart het door [verzoeker] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. gelast dat de Secretaris van de Raad van State aan appellanten het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 154,29) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. J.E.M. Polak, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Bastein, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers w.g. Bastein

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2002.

13.