Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5938

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-07-2002
Datum publicatie
31-07-2002
Zaaknummer
200100613/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200100613/2.

Datum uitspraak: 31 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], allen te [plaats],

en

burgemeester en wethouders van Den Bosch,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2000, kenmerk WM 50-00, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Kuwait Petroleum (Nederland) B.V.” een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een LPG-tankstation, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Den Bosch, sectie […], nummer […]. Dit aangehechte besluit is op 24 december 2000 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 2 februari 2001, bij de Raad van State ingekomen op 5 februari 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 28 januari 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juni 2002, waar

van appellanten [naam] is verschenen. Verweerders zijn verschenen, vertegenwoordigd door mr. P.W.G.M. Christophe, ambtenaar van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Appellanten stellen zich op het standpunt dat de aanvraag niet in behandeling had kunnen worden genomen omdat die niet volledig is. Volgens hen had de aanvraag vergezeld moeten gaan van een akoestisch rapport, een veiligheidsinventarisatie en een rapport betreffende de bodemgesteldheid van de inrichting.

2.2. Het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, noch enige andere wettelijke bepaling, schept volgens de Afdeling de verplichting om bij een aanvraag voor een inrichting als de onderhavige de hiervoor genoemde stukken in te dienen. Evenmin ziet de Afdeling grond voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van het milieu.

2.3. Volgens appellanten voldoet de inrichting niet aan het Besluit LPG-tankstations milieubeheer (hierna te noemen: het Besluit) wat betreft de op grond daarvan aan te houden afstanden van (onderdelen van) de inrichting tot woningen van derden en de afstanden tussen die onderdelen onderling.

2.4. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit wordt verstaan onder LPG-tankstation: een inrichting, behorende tot een categorie die is aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheeer, die dient tot het afleveren van LPG aan motorvoertuigen voor het wegverkeer, voorzover:

1o. de doorzet van LPG meer bedraagt dan 50 m3 per jaar;

2o. de bewaring van LPG niet meer bedraagt dan 80 m3.

In het tweede lid van artikel 1 van het Besluit is bepaald dat het Besluit niet van toepassing is op een LPG-tankstation:

a. waarbij de afstand van het reservoir, gerekend vanaf de aansluitpunten van de leidingen alsmede het bovengrondse deel van de leidingen en de pomp bij het reservoir, of het vulpunt tot een woning van derden of een object categorie II, minder bedraagt dan 15 m;

b. waarbij de afstand van het vulpunt tot een woning van derden of een object categorie II meer dan 15 m en minder dan 20 m bedraagt en waarbij door het treffen van een voorziening als bedoeld in voorschrift 4.6.5 van de bij dit besluit behorende bijlage I niet voldaan kan worden aan het in dat voorschrift, onder c, genoemde afstandscriterium;

c. waarbij de afstand van het reservoir, gerekend vanaf de aansluitpunten van de leidingen alsmede het bovengrondse deel van de leidingen en de pomp bij het reservoir, of het vulpunt tot een woning van derden of een object categorie II meer dan 15 m en minder dan 20 m bedraagt en waarbij niet voldaan kan worden aan de afstanden tot objecten binnen de inrichting, die volgens de voorschriften onder 4 van de bij dit besluit behorende bijlage I aangehouden dienen te worden;

d. dat zodanig is ingericht dat het vulpunt van het reservoir niet bereikbaar is voor een tankwagen, waarvan de inhoud ten minste 20 m3 bedraagt.

2.5. De Afdeling stelt vast dat de inrichting een LPG-tankstation omvat als bedoeld in artikel 1, eerste lid van het Besluit. De beschikbare gegevens leiden niet tot de conclusie dat de uitsluitingsgronden van artikel 1, tweede lid, van het Besluit aan toepassing van het Besluit in de weg staan. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit dient de drijver van het LPG-tankstation behalve aan de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden, te voldoen aan de voorschriften die zijn opgenomen in de bij het Besluit behorende Bijlage I.

2.6. Volgens het deskundigenbericht wordt niet voldaan aan de afstandseisen uit voorschrift 4.2.4. van Bijlage I bij het Besluit, waarin is bepaald dat de afstand tussen het vulpunt en een tot de inrichting behorend gebouw of een bedrijfswoning, alsmede de erfscheiding ten minste 5 meter moet bedragen. In dit geval ligt het vulpunt op of tegen de erfscheiding die - naar moet worden aangenomen - tevens de grens van de inrichting vormt. Weliswaar staat voorschrift 4.2.7. van Bijlage I in bepaalde situaties toe dat wordt afgeweken van de afstanden uit voorschrift 4.2.4, doch gesteld noch gebleken is dat zo’n situatie zich hier voordoet.

Verder wordt volgens het deskundigenbericht niet voldaan aan de voorschriften onder 4.6 van Bijlage I, betreffende voorzieningen die nodig zijn in verband met woningen of objecten categorie II binnen 20 meter of objecten categorie I binnen 15 meter bij bestaande lpg-tankstations, omdat de in de voorschriften 4.6.4. en 4.6.5. bedoelde lamellenkasten ontbreken en omdat de naastgelegen tapijtwinkel een brandwerendheid bezit die minder bedraagt dan de in voorschrift 4.6.7. voorgeschreven 60 minuten. Voorzover op grond van de in Bijlage I omschreven gevallen al uitzonderingen mogelijk zijn op de voorschriften 4.6.4. en 4.6.5., is gesteld noch gebleken dat sprake is van zulke gevallen.

Mede gelet op het standpunt van verweerders ter zitting, ziet de Afdeling geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen uit het deskundigenbericht.

2.7. Reeds uit het hiervoor onder 2.6 overwogene volgt dat de inrichting zoals die is aangevraagd niet voldoet aan alle voorschriften uit Bijlage I bij het Besluit. Niet staat vast of door het treffen van maatregelen en voorzieningen aan al die voorschriften kan worden voldaan. De verlening van de vergunning betreffende het LPG-gedeelte verdraagt zich onder die omstandigheden niet met artikel 8.9 van de Wet milieubeheer, waarin is bepaald dat het bevoegd gezag er bij de beslissing op de aanvraag voor zorg draagt dat geen strijd ontstaat met regels die met betrekking tot de inrichting gelden, gesteld bij of krachtens deze wet, dan wel bij of krachtens de in artikel 13.1, tweede lid, genoemde wetten.

2.8. Het beroep is gegrond en het besluit dient wat het LPG-gedeelte betreft te worden vernietigd.

2.9. Verweerders dienen op na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Den Bosch van 19 december 2000, kenmerk Wm 50-00, wat betreft het LPG-gedeelte;

III. veroordeelt burgemeester en wethouders van Den Bosch in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 42,73; het bedrag dient door de gemeente Den Bosch te worden betaald aan appellanten;

IV. gelast dat de gemeente Den Bosch aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 225,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. M. Oosting, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Stolker

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2002

125-157.