Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5937

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-07-2002
Datum publicatie
31-07-2002
Zaaknummer
200105237/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Te grofmazig toezichtbeleid op de afgifte van een zevendaags kentekenbewijs kan redelijkheidstoets niet doorstaan.

Intrekking bevoegdheid tot het aanvragen van zevendaagse kentekenbewijzen als bedoeld in de Regeling afgifte zevendaagse kentekenbewijzen (Regeling) voor de duur van 6 weken.

Gelet op het door verweerder gevolgde (toezicht)beleid, waarin de door eiser niet bestreden geconstateerde feiten als overtredingen worden aangemerkt, was hij in beginsel bevoegd een sanctie op te leggen. De in het toezichtbeleid van verweerder voorziene sancties dienen als van punitieve aard te worden beschouwd. Het toezichtbeleid laat, afgezien van het waarschuwen en de voorwaardelijke intrekking van de bevoegdheid tot het aanvragen van zevendaagse kentekenbewijzen, slechts de keuze tussen de sanctie van tijdelijke intrekking van die bevoegdheid voor de duur van zes weken en de sanctie van het definitief intrekken daarvan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit sanctiebeleid te grofmazig in een situatie als die van eiser die gesteld heeft dat de hem opgelegde sanctie het einde kan betekenen van zijn bedrijf omdat hij gedurende zes weken zijn klanten niet zal kunnen bedienen met als mogelijk gevolg dat hij deze zal verliezen en waar nog bij komt dat, zoals eiser heeft verklaard, hij naast de im- en export van auto’s geen andere handelsactiviteiten heeft. Verweerder heeft weliswaar gesteld dat in zijn beleid de economische gevolgen van het opleggen van een sanctie zijn verdisconteerd maar daaruit blijkt niet dat het beleid zodanig is verfijnd dat zakelijke omstandigheden zoals die door eiser zijn geschetst bij de sanctieoplegging worden betrokken in die zin dat deze grond zouden kunnen zijn voor het opleggen van een minder zware sanctie.

Beleid kan de redelijkheidstoets niet doorstaan en is in strijd met art. 3:4.2 Awb.

De algemeen directeur van de Rijksdienst voor het Wegverkeer, verweerder.

mr. T. Damsteegt

Wegenverkeerswet 1994 50.5

Regeling afgifte zevendaagse kentekenbewijzen 3.2, 3.5

Toezichtbeleid op de afgifte van een zevendaags kentekenbewijs

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200105237/1.

Datum uitspraak: 31 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

gedeputeerde staten van Flevoland,

appellanten,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Zwolle van 19 september 2001 in het geding tussen:

1. [verzoeker sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [verzoeker sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [verzoeker sub 3], wonend te [woonplaats],

4. [verzoeker sub 4], wonend te [woonplaats],

5. [verzoeker sub 5], wonend te [woonplaats]

en

appellanten.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 december 2000 hebben appellanten het Beheersgebiedsplan Flevoland vastgesteld.

Bij uitspraak van 19 september 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Zwolle (hierna: de rechtbank) de daartegen door [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2], [verzoeker sub 3], [verzoeker sub 4] en [verzoeker sub 5] (hierna ook: [verzoeker sub 1] e.a.) ingestelde beroepen gegrond verklaard en het besluit van 5 december 2000 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 18 oktober 2001, bij de Raad van State ingekomen op 24 oktober 2001, hoger beroep ingesteld.

Deze brief is aangehecht.

Bij brieven, onderscheidenlijk van 6 december 2001, 6 februari 2002 en ongedateerd ingekomen op 11 februari 2002, hebben [verzoeker sub 5] en [verzoeker sub 4], [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2], en [verzoeker sub 3] van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van [verzoeker sub 5] en [verzoeker sub 4]. Afschriften van deze stukken zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 april 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. M.M.H. Brinke-Schulte, advocaat te Lelystad, en [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2], vertegenwoordigd door mr. S. Schaap, [verzoeker sub 3] in persoon, en [verzoeker sub 5] en [verzoeker sub 4], vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 17 van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer (hierna: de San) is op de voorbereiding van een besluit tot vaststelling of wijziging van een beheers- of landschapsgebiedsplan de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure, als geregeld in afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van toepassing.

2.2. Ingevolge artikel 3:20, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Awb vermeldt het bestuursorgaan bij de mededelingen, bedoeld in artikel 3:19, tweede lid, ten minste waar en wanneer de stukken ingezien kunnen worden en wie in de gelegenheid worden gesteld hun bedenkingen tegen het ontwerp in te brengen en op welke wijze en binnen welke termijn dit kan geschieden.

Ingevolge artikel 3:24, eerste lid, van de Awb kan een ieder binnen vier weken na de dag waarop het ontwerp van het besluit ter inzage is gelegd, daartegen bij het bestuursorgaan schriftelijk bedenkingen inbrengen.

Ingevolge artikel 3:25, eerste lid, van de Awb bestaat gedurende de in artikel 3:24, eerste lid, bedoelde termijn desgevraagd voor een ieder gelegenheid tot een gedachtewisseling over het ontwerp van het besluit en tot het mondeling inbrengen van bedenkingen daartegen. Het bestuursorgaan stelt de aanvrager in de gelegenheid daarbij aanwezig te zijn.

Ingevolge artikel 6:22 van de Awb kan een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, ondanks schending van een vormvoorschrift, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist, in stand worden gelaten indien blijkt dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

2.3. De rechtbank heeft de vaststelling van het Beheersgebiedsplan Flevoland vernietigd, omdat op essentiële onderdelen zodanig van de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure is afgeweken, dat zulks uit een oogpunt van rechtszekerheid en met het oog op het doel dat met deze procedure wordt beoogd niet aanvaardbaar kan worden geacht.

Zij heeft daartoe overwogen dat – samengevat weergegeven - indien een verzoek tot een gedachtewisseling en tot het mondeling inbrengen van bedenkingen, als bedoeld in artikel 3:25, eerste lid, van de Awb, wordt gedaan, hieraan in beginsel gevolg dient te worden gegeven, door [verzoeker sub 1]e.a. daarom ook uitdrukkelijk is verzocht, in de kennisgevingen, als bedoeld in artikel 3:19, tweede lid, onder b en c, van de Awb, niet is vermeld dat, naast schriftelijke bedenkingen, desgevraagd gelegenheid bestaat tot een gedachtewisseling over het ontwerpbesluit en het inbrengen van mondelinge bedenkingen daartegen en in de kennisgevingen weliswaar is medegedeeld dat twee voorlichtingsavonden worden gehouden, doch eerst op die voorlichtingsavonden is medegedeeld dat mondeling bezwaren konden worden ingediend.

De rechtbank heeft voorts overwogen dat ten onrechte mededeling is gedaan van een voorontwerp in plaats van een ontwerp, waartegen “belanghebbenden” bedenkingen konden indienen, terwijl ingevolge de artikelen 3:24, eerste lid, en 3:25, eerste lid, van de Awb “een ieder” die mogelijkheid heeft en dat die mogelijkheid in de San niet, overeenkomstig artikel 3:26 van de Awb, is beperkt. Tevens is niet genoegzaam gebleken dat [verzoeker sub 1] e.a. en potentiële andere bezwaarden niet zijn benadeeld, nu hun de gelegenheid tot een gedachtewisseling en het inbrengen van mondelinge bedenkingen is onthouden, zodat de schending van deze vormvoorschriften niet met toepassing van artikel 6:22 van de Awb kan worden gepasseerd, aldus de rechtbank.

2.4. Appellanten betogen dat de rechtbank aldus heeft miskend dat zij de procedure van afdeling 3.5 van de Awb wel op juiste wijze hebben toegepast. Het ontwerp-besluit heeft vier weken ter inzage gelegen. Bekendmaking daarvan heeft door middel van advertenties in een aantal bladen, waaronder de Staatscourant, plaatsgevonden. Tevens is het ontwerp aan diverse instellingen en gemeenten toegezonden en zijn twee voorlichtingsavonden georganiseerd. Teneinde aan de 147 ingediende bedenkingen, waaronder de schriftelijke van [verzoeker sub 1] e.a., tegemoet te komen, is het ontwerp-besluit gedeeltelijk aangepast. In een antwoordnota is voorts uitvoerig op de bedenkingen ingegaan. Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat aan [verzoeker sub 1] e.a. niet de gelegenheid is geboden tot een mondelinge gedachtewisseling, ofschoon zij daarom hadden verzocht. Gelet op de duidelijke inhoud van de schriftelijk ingediende bedenkingen, bestond daartoe geen aanleiding. [verzoeker sub 1] e.a. zijn dan ook niet in hun belangen geschaad. Bovendien heeft [verzoeker sub 3] tijdens één van de voorlichtingsavonden tevens mondeling bedenkingen ingediend. Hoewel de advertentie redactioneel voor verbetering vatbaar was, is, nu een groot aantal belanghebbenden van de mogelijkheden tot inspraak gebruik heeft gemaakt, niemand in zijn belangen geschaad door de wijze waarop het ontwerp-besluit bekend is gemaakt. Voorzover al sprake is van schending van een vormvoorschrift, zou het vaststellingsbesluit dan ook met toepassing van artikel 6:22 van de Awb in stand moeten worden gelaten, aldus appellanten.

2.4.1. Dit betoog slaagt. Appellanten hebben in voldoende mate gelegenheid geboden om bedenkingen tegen het ontwerp-besluit in te dienen. Zij hebben twee voorlichtingsavonden georganiseerd en tijdens die avonden de gelegenheid geboden tot een gedachtewisseling en het indienen van mogelijke mondelinge bedenkingen.

Artikelen 3:24 en 3:25 van de Awb laten de keuze schriftelijk dan wel mondeling bedenkingen in te dienen. Deze bepalingen schrijven niet voor dat aan degenen die schriftelijk bedenkingen hebben ingediend de gelegenheid wordt geboden deze mondeling toe te lichten. Nu [verzoeker sub 1] e.a. niet uitdrukkelijk te kennen hebben gegeven dat zij naast de schriftelijke bedenkingen, waarvan de inhoud duidelijk was, ook bedenkingen hadden die zij slechts mondeling zouden kunnen of willen inbrengen, is geen sprake van nalaten te horen in een bezwaarschriftprocedure, als waarop de uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2002 in zaak no. 199900682/1, JB 2000/269, betrekking heeft. Nu bovendien de schriftelijke bedenkingen eerst daags voor - en door [verzoeker sub 3] zelfs na - het einde van de termijn zijn ingediend, kan niet worden geoordeeld dat appellanten, door niet aan het verzoek van [verzoeker sub 1] e.a. te voldoen, in strijd met artikel 3:25 van de Awb hebben gehandeld.

Voorzover al sprake is van een gebrekkige bekendmaking, omdat niet uitdrukkelijk de mogelijkheid is vermeld om bedenkingen ook mondeling in te dienen, is niet gebleken dat [verzoeker sub 1] e.a. hierdoor zijn benadeeld, zodat de rechtbank dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb had moeten passeren.

Ook dat in de bekendmaking van het ontwerp-besluit ten onrechte over een voorontwerp wordt gesproken en slechts aan belanghebbenden de mogelijkheid is geboden bedenkingen naar voren te brengen, had de rechtbank moeten passeren. [verzoeker sub 1] e.a. zijn daardoor niet benadeeld. Voorts is in de bekendmaking wel gewezen op artikel 3:19 van de Awb. Bovendien is, anders dan in de zaak waarin de Afdeling op 23 december 1997 uitspraak heeft gedaan (no. E03.96.1697, JB 1998/33), geen sprake van een situatie, waarin de toegang tot de bezwaar- of beroepsprocedure tegen het vaststellingsbesluit is bemoeilijkt, voor anderen dan belanghebbenden. Belanghebbenden zijn niet benadeeld, omdat aan hen is bekend gemaakt dat zij bedenkingen konden indienen.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank het beroep niet op juiste gronden gegrond heeft verklaard.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak naar de rechtbank, die aan een inhoudelijke beoordeling niet is toegekomen, terugwijzen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Zwolle van 19 september 2001 in de zaken met nos. AWB 01/93, 01/94, 01/97 en 01/99;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. J.E.M. Polak, Leden,

in tegenwoordigheid van mr. R.P. Hoogenboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Hoogenboom

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2002

119-384.