Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5784

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-07-2002
Datum publicatie
24-07-2002
Zaaknummer
200106404/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200106404/1.

Datum uitspraak: 24 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats]

en

burgemeester en wethouders van Kerkrade,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2001 hebben verweerders afwijzend beslist op een verzoek van [verzoekers] van 9 januari 2001 om handhavend op te treden wegens de door hen gestelde overtreding van de geldende milieuvoorschriften ten aanzien van het tankstation aan de [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 23 oktober 2001, kenmerk 0140014669, verzonden op 29 oktober 2001, hebben verweerders het hiertegen door [verzoeker] gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 29 januari 2001 herroepen en daarvoor in de plaats ten aanzien van appellant de toepassing van bestuursdwang aangeschreven ter zake van de overtreding van de voorschriften 1.1 en 2.2.2 van bijlage I van het Besluit tankstations milieubeheer (hierna: het Besluit) alsmede ter zake van de overtreding van artikel 8, eerste lid, van het Besluit. Dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellant bij een bij verweerders op 11 december 2001 ingekomen brief bezwaar gemaakt. Dit geschrift is bij brief van 18 december 2001, bij de Raad van State ingekomen op 20 december 2001, met toepassing van artikel 6:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht doorgezonden aan de Afdeling ter behandeling als beroepschrift. Dit geschrift is aangehecht.

Bij brief van 1 mei 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juli 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. H.G.M.F. Rothkranz, advocaat te Maastricht, en door [gemachtigde], en verweerders, vertegenwoordigd door T.H.M. Mertens en A.F. van der Velden, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is [verzoeker] als partij gehoord, vertegenwoordigd door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 125 van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Ingevolge artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

2.2. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Besluit stelt degene die een tankstation voor het wegverkeer drijft, financiële zekerheid ter dekking van de aansprakelijkheid die voortvloeit uit verontreiniging van de bodem als gevolg van het drijven van het tankstation.

Ingevolge voorschrift 1.1 van bijlage I bij het Besluit, voorzover hier van belang, moet op plaatsen waar tankende motorvoertuigen kunnen worden opgesteld of waar aflevering van benzine met mengsmering plaatsvindt een vloeistofdichte bodembeschermende verharding zijn aangebracht.

In voorschrift 2.2.2 van bijlage I van het Besluit is bepaald dat het afleveren van benzine aan motorvoertuigen voor het wegverkeer geschiedt via een systeem voor dampretour Stage-II.

2.3. Vast staat dat ten behoeve van het tankstation geen financiële zekerheid is gesteld als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het Besluit. Voorts staat vast dat in het tankstation geen vloeistofdichte vloer als bedoeld in voorschrift 1.1 van bijlage I van het Besluit is aangebracht en evenmin een systeem voor dampretour Stage-II is aangebracht als bedoeld in voorschrift 2.2.2 van bijlage I van het Besluit. Verweerders waren derhalve bevoegd wegens overtreding van voornoemde bepalingen bestuursdwang toe te passen.

2.4. Appellant voert aan te betwijfelen of verweerders de bestuursdwangaanschrijving terecht tot hem hebben gericht en stelt daartoe dat hij niet kan worden aangemerkt als overtreder, noch als rechthebbende op het gebruik van de zaak. Hij wijst er op dat hij geen vergunninghouder is, dat zijn echtgenote een contractuele relatie heeft met vergunninghoudster en dat zij de drijver is van het onderhavige tankstation.

2.4.1. In artikel 5:24, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat de bekendmaking van een beschikking tot toepassing van bestuursdwang geschiedt aan de overtreder, aan de rechthebbenden op het gebruik van de zaak ten aanzien waarvan bestuursdwang zal worden toegepast en aan de aanvrager.

2.4.2. Vast staat dat verweerders bij besluit van 17 juli 2000 aan [vergunninghoudster] een revisievergunning hebben verleend voor de onderhavige inrichting. Vergunninghoudster heeft met de [echtgenote van appellant] een overeenkomst gesloten betreffende de exploitatie van de inrichting, waarbij de echtgenote van appellant is aangemerkt als exploitant van het tankstation. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt naar het oordeel van de Afdeling echter tevens van betrokkenheid van appellant bij de activiteiten van de inrichting. Gelijk verweerders hebben aangegeven, is appellant bij de aanvraag om voornoemde vergunning aangemerkt als contactpersoon en is niet de echtgenote van appellant, doch appellant zelf in de hoedanigheid van exploitant van het tankstation verschenen op de in het kader van voornoemde vergunningverlening alsmede in het kader van handhavingsverzoeken gehouden hoorzittingen. Onder deze omstandigheden hebben verweerders zich op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat appellant kan worden aangemerkt als drijver van het onderhavige tankstation en daarmee als overtreder van voornoemde bepalingen en dat zij derhalve de bestuursdwangaanschrijving tot appellant hebben kunnen richten.

2.5. Appellant voert aan dat het uit het oogpunt van de bescherming van de milieuhygiënische belangen niet noodzakelijk is dat ook het bij de inrichting behorende LPG-verkooppunt alsmede de tankshop dient te worden gesloten. Daartoe verwijst hij naar een brief van verweerders van 27 april 2001 aan de Centrale Bezwaarschriften- en klachtencommissie, waarin verweerders hebben opgemerkt dat geen sprake is van overtreding van de in het Besluit LPG-tankstations milieubeheer neergelegde voorschriften.

2.5.1. Verweerders stellen zich op het standpunt dat zij bij het bestreden besluit sluiting van het gehele tankstation hebben kunnen gelasten, omdat het gehele tankstation drastisch gerenoveerd en gesaneerd dient te worden. Continuering van de verkoop van LPG achten zij daarbij uit veiligheidsoogpunt onverantwoord. Daarbij merken verweerders op dat appellant hen kan verzoeken een gedeelte van het tankstation opnieuw in gebruik te nemen, bijvoorbeeld het LPG-verkooppunt, en dat na de verbouwing van het tankstation de verkoopruimte weer in gebruik mag worden genomen.

2.5.2. De Afdeling stelt vast dat appellant bij het bestreden besluit niet is aangeschreven om de ter plaatse aanwezige bodemverontreiniging te saneren. Voorts staat vast dat wat het LPG-verkooppunt betreft wordt voldaan aan de daarvoor geldende regels en voorschriften. Naar het oordeel van de Afdeling is het bestreden besluit, nu daarin tevens de toepassing van bestuursdwang wordt aangeschreven ten aanzien van het LPG-verkooppunt, in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dat vereist dat een besluit berust op een deugdelijke motivering en komt het in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

2.5.3. Ten aanzien van de tankshop is ter zitting van de zijde van verweerders opgemerkt dat er op zichzelf tegen openstelling van deze shop uit milieuhygiënisch oogpunt geen bezwaren bestaan en dat verweerders bij het nemen van het bestreden besluit de tankshop in feite over het hoofd hebben gezien.

Naar het oordeel van de Afdeling is het bestreden besluit in zoverre onzorgvuldig voorbereid en genomen en komt het in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking.

2.6. Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit komt in aanmerking voor vernietiging wat betreft de aanschrijving van bestuursdwang ten aanzien van het LPG-verkooppunt en de tankshop.

2.7. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Kerkrade van 23 oktober 2001, kenmerk 0140014669, voorzover het de aanschrijving van bestuursdwang ten aanzien van het LPG-verkooppunt en de tankshop betreft;

III. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

IV. veroordeelt burgemeester en wethouders van Kerkrade in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 697,51, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Kerkrade te worden betaald aan appellant;

V. gelast dat de gemeente Kerkrade aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis w.g. Van Heusden

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2002

179-335.