Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5781

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-07-2002
Datum publicatie
24-07-2002
Zaaknummer
200104384/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2002, 249K

Uitspraak

200104384/1.

Datum uitspraak: 24 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante], gevestigd te [plaats],

2. afdeling Agrarisch Schouwen-Duiveland van de ZTLO, gevestigd te Bruinisse,

3. [appellante], gevestigd te [plaats],

4. [appellanten], wonende te [woonplaatsen], Natuur- en Vogelwacht Schouwen-Duiveland, gevestigd te Westerschouwen en de vereniging Vereniging Stad en Lande van Schouwen-Duiveland, gevestigd te Zierikzee,

appellanten,

en

gedeputeerde staten van Zeeland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2000 heeft de gemeenteraad van Schouwen-Duiveland, op voorstel van burgemeester en wethouders van 5 december 2000, vastgesteld het bestemmingsplan "Buitengebied Duiveland,

1e herziening".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 10 juli 2001, no. 016302/588/25, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 29 augustus 2001, bij de Raad van State ingekomen op 3 september 2001, appellante sub 2 bij brief van 3 september 2001, bij de Raad van State ingekomen op 4 september 2001, appellante sub 3 bij brief van 31 augustus 2001, bij de Raad van State ingekomen op 7 september 2001, en appellanten sub 4 bij brief van 4 september 2001, bij de Raad van State ingekomen op 5 september 2001, beroep ingesteld. Appellanten sub 4 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 11 oktober 2001.

Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 25 oktober 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 mei 2001, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door [gemachtigde], appellante

sub 2, vertegenwoordigd door [gemachtigde], appellante sub 3, vertegenwoordigd door [gemachtigde], appellanten sub 4, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerders, vertegenwoordigd door

B. Ventevogel, ambtenaar der provincie, zijn verschenen.

Voorts is daar gehoord de gemeenteraad van Schouwen-Duivenland, vertegenwoordigd door ir. C.A. Louws, werkzaam bij stedenbouwkundig adviesbureau RBOI, en A.J. Schiettekatte, ambtenaar der gemeente, en de [partij], [partij] en [partij], allen vertegenwoordigd door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Het plan maakt de ontwikkeling van een glastuinbouwconcentratie-gebied met een oppervlakte van 40 hectare netto glas mogelijk op gronden ten oosten van de Bredeweg en ten noorden van de Ringweg bij Sirjansland.

Daarnaast is het bestemmingsplan "Buitengebied" op enkele onderdelen aangepast aan recente ontwikkelingen.

Verweerders hebben het plan grotendeels goedgekeurd.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.3. Appellanten sub 4 kunnen zich niet met het besluit van verweerders verenigen voor zover hierdoor glastuinbouw ter grootte van 20 hectare netto wordt mogelijk gemaakt in aanvulling op de reeds in het plangebied aanwezige glastuinbouw van dezelfde omvang.

2.3.1. Appellanten hebben allereerst aangevoerd dat het plan in strijd is met het Rijks- en provinciale beleid.

Op de kaart Ruimtelijke hoofdstructuur van de Vierde Nota over de Ruimtelijke Ordening Extra (hierna te noemen: de Vinex) is het gebied rondom Sirjansland getypeerd als bruin koersgebied. In deze gebieden vindt ontwikkeling van de landbouw plaats in een ruimtelijk mozaïekpatroon met andere functies, waarbij landbouw de overheersende functie is. Voorts blijkt uit de Vinex dat het restrictieve beleid voor gebieden aangewezen als open ruimte van toepassing is op het plangebied. De provinciale besturen wordt gevraagd in hun streekplannen een zodanige invulling te geven aan het restrictieve beleid dat de toename van het ruimtebeslag in deze gebieden is geconcentreerd op de stadsgewesten en zo nodig op regionale opvangkernen. De vormgeving van dit restrictieve beleid is vrij, aldus de Vinex.

Blijkens het streekplan Zeeland, vastgesteld door provinciale staten van Zeeland op 12 september 1997 (hierna te noemen: het streekplan), ligt het plangebied in de zone met de aanduiding "agrarische ontwikkeling richtinggevend".

In de herziening van het streekplan, vastgesteld door provinciale staten van Zeeland op 13 november 1998, is daaromtrent gesteld: "In deze zone gaat het om gebieden met een agrarische hoofdfunctie. Daarnaast kunnen deze gebieden landschappelijke waarden bezitten en mede een functie vervullen voor het recreatief medegebruik. Een flexibele, duurzame en concurrerende agrarische ontwikkeling is gewenst, met inachtneming van de andere belangen en functies in deze gebieden. Gezien de onzekere situatie in de landbouw zal het ruimtelijk beleid waar mogelijk ruimte bieden voor verandering in de bedrijfsstructuur, bedrijfsopzet en bedrijfsvoering, en gericht zijn op het benutten van nieuwe (regionale) kansen.".

In het streekplan is met betrekking tot de glastuinbouw als beleidslijn vastgelegd dat, om concentratievorming in de regio te versterken, nieuwvestiging van en omschakeling naar een gespecialiseerd glastuinbouwbedrijf alleen wordt toegestaan op de projectlocaties.

Met betrekking tot het gebied bij Sirjansland is het volgende gesteld: "Gelet op de momenteel aanwezig zijnde reële mogelijkheden voor uitbreiding van de glastuinbouw in het concentratiegebied Sirjansland kan – bij wijze van uitzondering – alleen voor dit gebied nieuwvestiging en omschakeling worden toegestaan tot een totale oppervlakte van maximaal 40 hectare netto glas, onder de randvoorwaarden, zoals die elders in de glastuinbouw-concentratiegebieden eveneens zijn gesteld met betrekking tot milieu-eisen, verkeersveiligheid en een volwaardige landschappelijke inpassing.".

De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk.

Verder ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het provinciale beleid in strijd is met de doelstellingen van het Rijksbeleid, zoals verwoord in de Vinex.

De gemeenteraad heeft in dit verband terecht opgemerkt dat de omstandigheid dat de provincie Zeeland in de Vinex niet genoemd wordt voor hervestiging van glastuinbouw uit het Westland, niet betekent dat nieuwvestiging van glastuinbouw in deze provincie is uitgesloten.

Voorts is de Afdeling van oordeel dat het plan in overeenstemming is met het streekplan.

Niet gebleken is van bijzondere omstandigheden om van het in het streekplan neergelegde beleid af te wijken.

Voor zover appellanten hebben aangevoerd dat het plan in strijd is met de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening overweegt de Afdeling – daargelaten wat er zij van het standpunt van appellanten - dat deze ten tijde van het besluit tot goedkeuring van het plan nog slechts in ontwerp was gepubliceerd, zodat reeds hierom hiermede geen rekening behoefde te worden gehouden.

2.3.2. Verder vrezen appellanten dat de door het plan mogelijk gemaakte bouw van kassen het open karakter van het landschap ernstig zal aantasten en dat specifieke natuurwaarden, met name ornithologische waarden, teloor gaan.

Het plangebied is blijkens het streekplan gelegen in de zone met de aanduiding "agrarische ontwikkeling richtinggevend". Hieraan zijn geen bijzondere landschapswaarden toegekend.

Voorts blijkt uit de stukken en het verhandelde ter zitting dat het plangebied geen danwel een zeer beperkte functie vervult ten behoeve van overwinterende ganzen en kleine zwanen. Verder vervult het plangebied geen functie als hoofdtrekroute voor vogels.

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting komen in het gebied broedvogels voor die behoren tot de algemene gemeenschap van akkervogels. Deze gemeenschap komt in praktisch geheel Schouwen-Duiveland voor.

Verweerders hebben zich blijkens het verweerschrift, in navolging van de gemeenteraad, op het standpunt gesteld dat de ontwikkeling van glastuinbouw invloed zal hebben op deze soort, maar dat zij, gelet op het feit dat er voor deze vogels geen bijzonder beschermingsregime geldt, deze ontwikkeling aanvaardbaar achten.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op dit standpunt hebben kunnen stellen.

2.3.3. Appellanten hebben aangevoerd dat het plan in strijd is met internationale regelgeving gezien de ligging van het plangebied nabij het natuurgebied de Grevelingen dat op 24 maart 2000 is aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van de Vogelrichtlijn en als wetland, watergebied van internationale betekenis in de zin van de Conventie van Ramsar (Overeenkomst inzake watergebieden van internationale betekenis, in het bijzonder als verblijfplaats van watervogels van 2 februari 1971, Trb. 1975, 84).

Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 10 februari 2000, no. E01.98.0406 (M&R 2000/12, nr. 122), heeft overwogen, bevat dit verdrag geen bepalingen die voor de rechter als een ieder verbindend als bedoeld in artikel 93 van de Grondwet in een geval als dit zouden kunnen worden ingeroepen.

Ten aanzien van het beroep van appellanten op de Habitatrichtlijn (richtlijn 92/43/EEG van 21 mei 1992) overweegt de Afdeling als volgt.

De Grevelingen staat op de lijst van Habitatgebieden die de Nederlandse regering op grond van artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn aan de Commissie heeft toegezonden. Ten tijde van het bestreden besluit was de communautaire lijst als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Habitatrichtlijn nog niet vastgesteld, zodat de bepalingen van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn in zoverre nog niet golden.

Het op grond van de Habitatrichtlijn aangemelde gebied ligt op een afstand van ongeveer 700 meter van het plangebied. Mede gelet op deze afstand is de Afdeling van oordeel dat niet aannemelijk is dat de realisering van het glastuinbouwgebied de verwezenlijking van het door de Habitatrichtlijn voorgeschreven resultaat ernstig in gevaar zal brengen.

Ten aanzien van beroep van appellanten op de Vogelrichtlijn (richtlijn 79/409/EEG van 2 april 1979) overweegt de Afdeling als volgt.

De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij heeft bij besluit van 24 maart 2000, ter uitvoering van de Vogelrichtlijn, de Grevelingen aangewezen als speciale beschermingszone. Dit aanwijzingsbesluit was derhalve genomen vóór het nemen van het bestreden besluit.

Gelet op artikel 7 van de Habitatrichtlijn is voor de desbetreffende gronden het beschermingsregime van artikel 6, tweede, derde en vierde lid van de Habitatrichtlijn van toepassing.

Naar het oordeel van de Afdeling konden verweerders gezien de afstand van ongeveer 700 meter van het glastuinbouwgebied tot het als speciale beschermingszone aangewezen gebied, in redelijkheid het standpunt innemen dat geen effecten worden verwacht op de ornithologische waarden van de Grevelingen als gevolg van de realisering van het glastuinbouwgebied. De Afdeling neemt hierbij tevens in aanmerking dat in het plan voorwaarden zijn gesteld aan de uitbreiding van het areaal glas om de invloed op de omgeving te verminderen. Voorts is van betekenis dat de polder waarin het plangebied is gelegen, begrensd wordt door dijklichamen.

Evenmin is – ook als zou worden aangenomen dat artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn van toepassing is (en rechtstreeks werkt) – aannemelijk geworden dat het plan een significant negatieve invloed zal hebben op de voor de Grevelingen als speciale beschermingszone kwalificerende vogelsoorten.

2.3.4. Verder hebben appellanten aangevoerd dat ten onrechte geen milieueffectrapport (hierna te noemen: MER) is opgesteld.

Ingevolge artikel 7.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen ten aanzien waarvan het bevoegd gezag krachtens artikel 7.8b en 7.8d moet bepalen of voor de activiteit, vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder zij wordt genomen, een MER moet worden gemaakt. Daarbij worden een of meer besluiten van bestuursorganen ter zake van die activiteiten aangewezen, bij de voorbereiding waarvan, indien het bevoegd gezag daartoe besluit, het in de eerste volzin bedoelde MER moet worden gemaakt.

In artikel 7.8b, eerste lid, van de Wet milieubeheer is bepaald dat, behoudens in het geval dat toepassing wordt gegeven aan artikel 7.8a, derde lid, het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing neemt omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder deze activiteit wordt ondernomen, een MER moet worden gemaakt.

In het vierde lid van vorenbedoeld artikel is bepaald dat onder bijzondere omstandigheden als bedoeld in het eerste lid worden verstaan de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die de activiteit kan hebben, gezien:

a. de kenmerken van de activiteit;

b. de plaats waar de activiteit wordt verricht;

c. de samenhang met andere activiteiten ter plaatse;

d. de kenmerken van die gevolgen.

Ingevolge onderdeel D.11.4 van de bijlage bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994 is de aanleg, wijziging of uitbreiding van een glastuinbouwgebied voorzover die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 50 hectare of meer m.e.r.-beoordelingsplichtig en wel bij de vaststelling van het ruimtelijk plan dat als eerste in de mogelijke aanleg, wijziging of uitbreiding voorziet.

Blijkens het verhandelde ter zitting heeft het glastuinbouwgebied een oppervlakte van ongeveer 70 hectare bruto.

Niet in geschil is dat de in het plan voorziene activiteit m.e.r.-beoordelingsplichtig is. Er heeft ook een zodanige beoordeling plaatsgevonden.

Verweerders hebben zich in navolging van de gemeenteraad op het standpunt gesteld dat ten behoeve van de in het plan voorgenomen activiteit geen MER behoeft te worden opgesteld, aangezien geen sprake is van bijzondere omstandigheden die het opstellen van een MER noodzakelijk maken.

Hierbij hebben zij zich gebaseerd op de m.e.r.-beoordeling glastuinbouwlocatie Sirjansland van 1 november 1999.

In deze beoordeling, waarbij is gekeken naar de kenmerken van de activiteit, de mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen, de plaats van de activiteit alsmede de samenhang met andere activiteiten, is geconcludeerd dat geen sprake is van van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 7.8b, eerste en derde lid, in samenhang met artikel 7.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer en dat er voor de besluitvorming in het kader van het bestemmingsplan voldoende informatie beschikbaar is over de relevante milieugevolgen van de glastuinbouwontwikkeling.

Niet gebleken is dat de m.e.r.-beoordeling ontoereikend is danwel op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, zodat verweerders zich hierop hebben kunnen baseren.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden in vorenbedoelde zin.

In verband met het vorenstaande hebben verweerders terecht geconcludeerd dat ten behoeve van het plan geen MER behoefde te worden opgesteld.

2.3.5. Appellanten hebben aangevoerd dat de verkeersveiligheid in het plan niet is gewaarborgd.

Niet in geschil is dat de uitbreiding van het bestaande glastuinbouwgebied zal leiden tot een toeneming van het aantal verkeersbewegingen.

Ten einde de toeneming van het verkeer af te wikkelen, is in het plan voorzien in een verbreding van de Noord Hogeweg, die midden door het plangebied loopt. Tevens is voorzien in de aanleg van een vrijliggend fietspad langs de Bredeweg.

De stukken bieden geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerders zich in redelijkheid niet op het standpunt hebben kunnen stellen dat de Bredeweg voldoende gedimensioneerd is om de verwachte toeneming van verkeersbewegingen te kunnen verwerken.

2.3.6. Voorts zijn appellanten van mening dat de ruimte die in het plan wordt toebedeeld aan de landschappelijke inpassing te beperkt is.

Appellanten stellen dat het plan in zoverre niet in overeenstemming is met het streekplan.

In het streekplan is ten aanzien van de uitbreiding van het concentratiegebied Sirjansland gesteld dat deze kan worden toegestaan onder de randvoorwaarden zoals die elders in de glastuinbouw-concentratiegebieden zijn gesteld onder meer ten aanzien van een volwaardige landschappelijke inpassing.

Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat in het plan voldoende aandacht is besteed aan de landschappelijke inpassing. Verweerders achten een strook van 5 tot 10 meter als afscherming van het open agrarisch gebied in dat opzicht voldoende.

De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk.

Vast staat dat het plan voorziet in een strook grond rondom de gronden met de bestemming "Agrarische doeleinden" en de subbestemming "Ag", waaraan de bestemming "Groenvoorziening" is toegekend. Deze strook is minimaal 10 tot 15 meter breed.

In verband hiermede hebben verweerders zich op het standpunt kunnen stellen dat in het plan voldoende aandacht is besteed aan de landschappelijke inpassing.

De omstandigheid dat het plan qua landschappelijke inpassing op andere wijze is ingericht dan bijvoorbeeld de locatie Willem-Annapolder, waar, naar appellanten stellen, meer ruimte is opgenomen ten behoeve van de landschappelijke inpassing, betekent niet dat het voorliggende plan niet in overeenstemming is met het streekplan.

Appellanten hebben er nog op gewezen dat het plan niet overeenstemt met de toelichting daarop, aangezien op de plankaart een strook groenvoorziening aan de noordzijde van het plandeel is opgenomen van 10 meter, terwijl in de toelichting op het plan met de daarbij behorende bijlage ter plaatse een strook van 10 meter aan groenvoorziening en een onderhoudstrook van

5 meter is opgenomen.

De Afdeling stelt vast dat appellanten terecht hebben geconstateerd dat de plankaart en de toelichting op het plan op dit punt niet overeenstemmen. Hieraan kunnen evenwel geen consequenties worden verbonden, aangezien de toelichting op het plan geen onderdeel uitmaakt van het plan en derhalve niet bindend is.

2.4. Appellante sub 1 en sub 3 kunnen zich niet verenigen met het in het plan opgenomen voorschrift dat de kassen aan de binnenzijde volledig moeten zijn afgeschermd, voor zover het de verticale lichtuitstraling als gevolg van het gebruik van assimilatiebelichting betreft. Appellante sub 2 kan zich evenmin met dit voorschrift verenigen en heeft ook bezwaren tegen volledige afscherming van de kassen, voor zover het de horizontale lichtuitstraling betreft.

Appellanten sub 1, 2 en 3 zijn van mening dat het Besluit tuinbouwbedrijven met bedekte teelt milieubeheer (hierna te noemen: het Besluit) een voldoende regeling voor lichthinder bevat.

Verder is appellante sub 2 van mening dat een vrijstellingsbepaling in het plan had dienen te worden opgenomen.

Appellanten sub 1 en 3 hebben op teelt-technische problemen gewezen bij het toepassen van een gesloten scherm bij de teelt van hun producten (grootbloemige anjers respectievelijk paprika's), indien gebruik wordt gemaakt van assimilatiebelichting.

Appellanten sub 4 zijn van mening dat in het plan een verbod op assimilatiebelichting had moeten worden opgenomen, zodat gegarandeerd is dat er geen lichthinder in de omgeving zal zijn.

2.4.1. In artikel 11, eerste lid, sub f, van de planvoorschriften is bepaald dat ter plaatse van de subbestemming "Ag" volwaardige kassenbedrijven in een glastuinbouwconcentratiegebied zijn toegelaten met dien verstande dat kassen (gevels en dak) aan de binnenzijde volledig moeten zijn afgeschermd tegen horizontale en verticale lichtuitstraling als gevolg van het gebruik van assimilatiebelichting.

Uit het vorenstaande volgt dat uitsluitend indien gebruik wordt gemaakt van assimilatiebelichting de binnenzijde van de kassen volledig moeten zijn afgeschermd.

2.4.1.1. De gemeenteraad heeft gesteld dat Schouwen-Duiveland een eiland is met een sterk eigen identiteit, die in de nachtelijke uren wordt gekenmerkt door grote relatief donkere gebieden. Verlichte kassencomplexen zouden sterk afbreuk doen aan dit karakter. De glastuinbouwlocatie Sirjansland is gelegen in een agrarisch gebied, dat wordt gekenmerkt door een donker landschap. Langs de wegen in de omgeving van de glastuinbouwlocatie is geen straatverlichting aanwezig.

Behoud van dit donkere karakter is gewenst, met het oog op de belevingswaarde van het gebied voor zowel bewoners als toeristen en recreanten.

Verweerders hebben gesteld dat het toepassen van assimilatiebelichting door lichtuitstraling via het dak van de kassen, vooral in de nachtelijke uren een aanzienlijke invloed kan hebben op de omgeving. De lichtuitstraling is vanaf grote afstand waarneembaar. Dit kan leiden tot aantasting van het karakter van het poldergebied bij Sirjansland (aantasting donker nachtlandschap).

Vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening achten verweerders het redelijk dat het gemeentebestuur regels stelt om de lichtuitstraling tegen te gaan. Het afschermen van kassen kan de uitstraling en de daarmee gepaard gaande negatieve landschappelijke effecten voorkomen. Aldus kan afscherming van belang zijn voor de inrichting van gronden in het plangebied. Het stellen van eisen aan de afscherming van kassen kan dan ook ruimtelijk relevant zijn en het feit dat ook via de milieuwetgeving eisen kunnen worden gesteld aan het afschermen van kassen doet hieraan niet af, aldus verweerders.

2.4.1.2. De Afdeling overweegt dat gebruik van assimilatiebelichting in het kader van de van toepassing zijnde milieuwetgeving aan de orde kan komen. Het bestemmingsplan biedt het juridisch-planologisch kader, waarin ook de mogelijke gevolgen voor het milieu, waaronder aantasting van de landschappelijke waarde van het aan de orde zijnde gebied, dienen te worden meegewogen.

Bij afweging van de betrokken belangen hebben verweerders, in navolging van de gemeenteraad, aan het belang van het behoud van het donker nachtlandschap van het gebied een groter gewicht toegekend.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders zich in redelijkheid niet op dit standpunt hebben kunnen stellen.

2.4.2. Voorzover appellante sub 2 heeft gewezen op de financiële aspecten die het plaatsen van bovenafscherming voor de ondernemers meebrengt, hebben verweerders onderkend dat, uitsluitend indien gebruik wordt gemaakt van assimilatiebelichting, dit extra kosten met zich zal brengen, doch zij hebben een groter gewicht toegekend aan het behoud van het donker nachtlandschap van het gebied. Verweerders hebben er hierbij nog op gewezen dat vestiging in het plangebied voor de ondernemers ook voordelen heeft ten opzichte van vestiging elders in Nederland.

De Afdeling acht het standpunt van verweerders niet onredelijk.

2.4.3. Appellante sub 2 is verder van mening dat in het plan een vrijstellingsbepaling had dienen te worden opgenomen.

Verweerders hebben zich naar het oordeel van de Afdeling dienaangaande terecht op het standpunt gesteld dat opneming van een dergelijke bepaling niet noodzakelijk is, aangezien het verlenen van een vrijstelling afbreuk zou doen aan het gestelde doel om aantasting van het donker nachtlandschap te voorkomen.

2.4.4. Met betrekking tot hetgeen appellante sub 2 heeft aangevoerd terzake van het overgangsrecht, hebben verweerders er op gewezen dat het bestaande bedrijf dat gebruik maakt van assimilatiebelichting, bij gebreke van overgangsrecht in de thans voorliggende herziening, valt onder het geldende overgangsrecht zoals opgenomen in het bestemmingsplan "Buitengebied" van de voormalige gemeente Duiveland (vastgesteld door de gemeenteraad op 17 juni 1993).

Dit standpunt acht de Afdeling niet onjuist.

Overigens is ter zitting gebleken dat het desbetreffende bedrijf volledig is afgeschermd.

2.4.5. Ten aanzien van mogelijke teelt-technische problemen hebben verweerders op basis van het rapport "Belichten onder gesloten bovenscherm" van het proefstation voor bloemisterij en glasgroente, vestiging Aalsmeer, van augustus 1995, onderkend dat bij het gebruik van de gesloten schermen bij assimilatiebelichting bij bepaalde planten problemen zijn te verwachten wanneer de absolute (nacht-)temperatuur van belang is voor bijvoorbeeld de knopaanleg.

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting passen zowel appellante sub 1 als appellante sub 3 momenteel geen assimilatiebelichting toe.

Verweerders hebben zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat mogelijke toekomstige problemen bij bepaalde gewassen, geen aanleiding geven om aan de in het plan opgenomen regeling goedkeuring te onthouden.

2.4.6. Met betrekking tot hetgeen appellanten sub 4 hebben aangevoerd, overweegt de Afdeling dat de gemeenteraad niet gekozen heeft voor een verbod op het gebruik van assimilatiebelichting omdat de technische mogelijkheden voor volledige afscherming van assimilatiebelichting beschikbaar zijn. Een verbod op het gebruik van assimilatiebelichting acht de gemeenteraad dan ook niet noodzakelijk om het behoud van het donkere nachtlandschap te garanderen. Verweerders hebben zich hierbij aangesloten.

De Afdeling ziet geen aanleiding dit standpunt onjuist te achten.

Voorts kan de Afdeling appellanten niet volgen in hun betoog dat het vorenbedoelde voorschrift een gebodsbepaling betreft die strijdig is met het stelsel van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het voorschrift aangeeft welke vorm van bedrijvigheid binnen die subbestemming is toegelaten en onder welke voorwaarden. Het afschermen van de kassen tegen horizontale en verticale lichtuitstraling als gevolg van het gebruik van assimilatiebelichting kan overlast voorkomen of verminderen en is derhalve van invloed op het woon- en leefklimaat in de omgeving. Een dergelijke voorwaarde kan als ruimtelijk relevant worden beschouwd.

2.4.7. Tot slot hebben appellanten sub 4 aangevoerd dat de definitie van assimilatiebelichting te wensen overlaat, omdat het uitsluitend gaat om de belichting ten behoeve van groei van gewassen, terwijl andere vormen van belichting, bijvoorbeeld ten behoeve van de ontwikkeling van gewassen, niet onder de in het plan opgenomen definitie vallen.

Ter zitting is door de vertegenwoordiger van de gemeenteraad gesteld dat assimilatiebelichting de meeste invloed heeft op het woon- en leefklimaat en dat andere vormen van belichting veel minder intensief zijn, zodat het afschermen van de kassen tegen horizontale en verticale lichtuitstraling is beperkt tot het gebruik van assimilatiebelichting.

Verweerders hebben blijkens het verhandelde ter zitting hiermede ingestemd.

Dit standpunt komt de Afdeling niet onjuist of onredelijk voor.

2.5. In verband met het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

De beroepen zijn mitsdien ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. A. Kosto en drs. G.A. Posthumus, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. Steinebach-de Wit

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2002

328.