Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5775

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-07-2002
Datum publicatie
24-07-2002
Zaaknummer
200104432/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200104432/1.

Datum uitspraak: 24 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 20 juli 2001 in het geding tussen:

appellanten

en

burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 juni 2000 hebben burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode (hierna: burgemeester en wethouders) een verzoek van appellanten om met toepassing van bestuursdwang op te treden tegen de kampeerboerderij van [vergunninghouder] aan de [locatie] te [plaats], afgewezen.

Bij besluit van 26 september 2000 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie bezwaar- en beroepschriften van 8 augustus 2000, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 20 juli 2001, verzonden op 27 juli 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te ’s-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 4 september 2001, bij de Raad van State ingekomen op 5 september 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 13 december 2001 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 mei 2002, waar burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door H.A.M. Hendriks, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Niet in geschil is dat het gebruik van het [locatie] ten behoeve van de kampeerboerderij van [vergunninghouder] in strijd is met de hierop ingevolge het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied” rustende bestemming “Natuurgebied met agrarisch gebruik”.

2.2. Bij uitspraak van 25 februari 1999 in zaak nr. H01.98.1326 heeft de Afdeling het beroep van appellanten tegen de uitspraak van de president van de rechtbank gegrond verklaard en het besluit vernietigd van burgemeester en wethouders van 14 juli 1998, waarbij zij het bezwaar van appellanten tegen de afwijzing van hun (eerdere) verzoek om tegen de kampeerboerderij van [vergunninghouder] op treden, opnieuw ongegrond hebben verklaard. Daarbij heeft de Afdeling bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven, omdat inmiddels de raad van de gemeente Sint-Oedenrode bij besluit van 24 september 1998 het bestemmingsplan “Buitengebied 1997” heeft vastgesteld, waarin onder meer de kampeerboerderij positief is bestemd, zodat onder die omstandigheden geen aanleiding bestaat om handhavend op te treden.

Bij uitspraak van 14 januari 2000 in zaak nr. 199900791/2 heeft de Voorzitter van de Afdeling bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 11 mei 1999, waarbij het bestemmingsplan “Buitengebied 1997” grotendeels is goedgekeurd, geschorst.

2.3. Appellanten hebben betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen aanleiding bestaat handhavend op te treden, omdat de status van het bestemmingsplan “Buitengebied 1997” niet is veranderd sinds de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 1999. Met de voormelde schorsingsuitspraak is volgens appellanten het gehele bestemmingsplan “Buitengebied 1997” geschorst en moet het gebruik van het perceel [locatie] worden beperkt tot het gebruik dat is toegestaan op grond van de overgangsbepalingen van het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied”.

2.4. Indien - zoals hier het geval is - door belanghebbende derden uitdrukkelijk is verzocht om tegen de illegale situatie op te treden, kan alleen in bijzondere gevallen van handhavend optreden worden afgezien. Een bijzonder geval kan worden aangenomen indien concreet zicht bestaat op legalisering.

2.5. Het betoog van appellanten treft geen doel. Vaststaat dat het gebruik van het voormelde perceel ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar in overeenstemming was met het door de gemeenteraad vastgestelde bestemmingsplan “Buitengebied 1997”. Burgemeesters en wethouders hebben zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een concreet zicht op legalisering. In het feit dat het goedkeuringsbesluit van dit bestemmingsplan door de Voorzitter van de Afdeling bij uitspraak van 14 januari 2000 is geschorst, hebben zij geen aanleiding hoeven zien dit standpunt te wijzigen. Daarbij zijn de overwegingen van de Voorzitter in aanmerking genomen die hem hebben doen besluiten om het goedkeuringsbesluit te schorsen. Gelet op het vorenstaande is er dan ook geen grond voor het oordeel dat burgemeester en wethouders bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid hebben kunnen besluiten het primaire besluit in stand te laten zoals zij dat hebben gedaan. De rechtbank is tot dezelfde slotsom gekomen.

2.6. Voorts is niet gebleken dat er een discrepantie bestaat tussen het advies van de commissie bezwaar- en beroepschriften en de besluiten van burgemeester en wethouders van 14 juni 2000 en 26 september 2000. Het betoog ter zake faalt.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.P. Glerum, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Glerum

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2002

273-394.