Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5770

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-07-2002
Datum publicatie
24-07-2002
Zaaknummer
200104414/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200104414/1.

Datum uitspraak: 24 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. [appellanten sub 1], allen te [woonplaats]

2. [appellant sub 2] te [plaats],

tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Alkmaar van 30 augustus 2001 in het geding tussen:

appellanten sub 1

en

burgemeester en wethouders van Medemblik.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 oktober 2000 hebben burgemeester en wethouders van Medemblik (hierna: burgemeester en wethouders) aan appellant sub 2 vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), mede ten behoeve van de aanleg van een ontsluitingsweg, en een tijdelijke bouwvergunning als bedoeld in artikel 45 van de Woningwet verleend voor het oprichten van een asielzoekerscentrum op een perceel in het plan "Schepenwijk" te Medemblik (hierna: het asielzoekerscentrum).

Bij besluit van 19 juni 2001 (hierna: het bestreden besluit) hebben burgemeester en wethouders het daartegen door appellanten sub 1 gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 17 oktober 2000 gewijzigd wat betreft de periode waarvoor de vrijstelling en bouwvergunning is verleend, en de bezwaren voor het overige ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 30 augustus 2001, verzonden op 30 augustus 2001, heeft de president van de arrondissementsrechtbank te Alkmaar (hierna: de president) het daartegen door appellanten sub 1 ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden besluit vernietigd en bepaald dat burgemeester en wethouders een nieuw besluit nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellant sub 2 bij brief van 23 augustus 2001, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, en appellanten sub 1 bij brief van 13 september 2001, bij de Raad van State ingekomen op 14 september 2001, hoger beroep ingesteld. Appellant sub 2 heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 7 september 2001.

Bij besluit van 2 oktober 2001 hebben burgemeester en wethouders opnieuw op het bezwaar beslist. Dit besluit is aangehecht.

Bij brief van 15 januari 2002 hebben appellanten sub 1 gereageerd op het door appellanten sub 2 ingestelde hoger beroep.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 maart 2002, waar appellant sub 2, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Besselink, advocaat te Den Haag, appellanten sub 1, vertegenwoordigd door mr. L.T. van Eijck van Heslinga, advocaat te Hoorn, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door drs. H. Smit, burgemeester, en A.A. van Doorn, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De aangevallen uitspraak is gedaan op 30 augustus 2001 en op diezelfde dag verzonden. Dit betekent dat de termijn voor het instellen van het hoger beroep is aangevangen op 31 augustus 2001. Appellant sub 2 heeft op 23 augustus 2001 hoger beroep ingesteld.

Ingevolge de artikelen 6:10, eerste lid, aanhef en onder b, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang bezien, voor zover hier van belang, blijft ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend hoger beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien de aangevallen uitspraak nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was. Voor zover het dictum van de aangevallen uitspraak niet reeds op 23 augustus 2001 tot stand was gekomen, moet worden vastgesteld dat het op die dag telefonisch aan appellant sub 2 is bekendgemaakt. Gelet hierop dient niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep achterwege te blijven.

2.2. Met betrekking tot de toepassing van artikel 17 van de WRO hebben appellanten sub 1 betoogd dat de president ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat er concrete, objectieve gegevens voorhanden zijn die aantonen dat het asielzoekerscentrum tijdelijk zal worden gevestigd.

De omstandigheid dat de vrijstelling voor maximaal vijf jaar is verleend, biedt op zichzelf bezien onvoldoende grond voor het oordeel dat sprake is van een tijdelijk bouwwerk. Teneinde het tijdelijk karakter te kunnen aannemen dienen concrete, objectieve gegevens voorhanden te zijn in welk kader is gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 1995, gepubliceerd Gtst. 1996, 7036, nr 6. Bij het ontbreken daarvan is toepassing van artikel 17 van de WRO niet mogelijk.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de president terecht en op goede gronden geoordeeld dat is gebleken van concrete, objectieve gegevens die het standpunt van burgemeester en wethouders rechtvaardigen dat sprake is van een voor bepaalde termijn voorgenomen afwijking van het geldende bestemmingsplan. Het in dit verband gevoerde betoog van appellanten sub 1 kan dan ook niet slagen.

2.3. Ook de stelling van appellanten sub 1 dat voor de ontsluitingsweg geen vrijstelling op grond van artikel 17 van de WRO kan worden verleend aangezien deze een permanent karakter zou hebben, kan de Afdeling niet onderschrijven. Voldoende is komen vast te staan dat het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de grond als ontsluitingsweg ten behoeve van het asielzoekerscentrum evenals het centrum zelf tijdelijk zal zijn. In hoeverre de desbetreffende weg ook na het beëindigen van het asielzoekerscentrum gehandhaafd kan blijven ten dienste van de dan vigerende bestemming, kan thans niet worden overzien en is voor de toepassing van artikel 17 van de WRO ook niet relevant.

2.4. Nu niet is gebleken dat het geldende bestemmingsplan een bepaling inhoudt op grond waarvan de toepasselijkheid van artikel 17 van de WRO is uitgesloten, heeft de president terecht geoordeeld dat burgemeester en wethouders bevoegd waren ten behoeve van de tijdelijke vestiging van het asielzoekerscentrum vrijstelling te verlenen.

2.5. Evenals de president en op dezelfde gronden is de Afdeling van oordeel dat burgemeester en wethouders bij afweging van de betrokken belangen aan de door appellanten sub 1 gestelde belangen niet een zodanig gewicht hebben hoeven toekennen dat zij de vrijstelling uit dien hoofde hadden moeten weigeren.

2.6. De president heeft voorts terecht en op goede gronden geoordeeld dat burgemeester en wethouders in het bestreden besluit genoegzaam hebben gemotiveerd – in afwijking van de uitgebrachte adviezen – dat het bouwplan aan redelijk eisen van welstand voldoet. De Afdeling deelt het oordeel van de president dat burgemeester en wethouders daarbij de tijdelijkheid van de bebouwing in aanmerking hebben mogen nemen. Hetgeen appellanten sub 1 in dit verband hebben betoogd, treft evenmin doel.

2.7. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders met het oog op een voor bepaalde termijn voorgenomen afwijking van een bestemmingsplan voor die termijn vrijstelling verlenen van dat plan. De termijn kan, ook na mogelijke verlenging, ten hoogste vijf jaren belopen.

Ingevolge artikel 19 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 wordt vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de WRO slechts verleend, indien aannemelijk is, dat het beoogde bouwwerk, werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheid, dan wel gebruik niet langer dan vijf jaar in stand zal blijven, respectievelijk voortduren.

Ingevolge artikel 45, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet wordt in een bouwvergunning voor een bouwwerk ten aanzien waarvan artikel 17 van de WRO wordt toegepast een termijn gesteld, na het verstrijken waarvan het bouwwerk niet langer in stand mag worden gehouden.

2.8. Het geschil in hoger beroep spitst zich verder toe op het oordeel van de president dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, omdat hetgeen daarin is bepaald ten aanzien van de vrijstellings- en de instandhoudingstermijn in strijd is met artikel 17 van de WRO en artikel 45 van de Woningwet.

2.9. Ter zitting hebben partijen verklaard dat de bouw van het asielzoekerscentrum omstreeks 19 november 2001 is gestart.

2.10. Appellant sub 2 heeft betoogd dat burgemeester en wethouders er in het bestreden besluit terecht voor hebben gekozen om de vrijstellings- en de instandhoudingstermijn te laten aanvangen op het moment dat het asielzoekerscentrum voor bewoning in gebruik wordt genomen, omdat dit in lijn is met het wettelijk systeem en met de jurisprudentie van de Afdeling. Voorts heeft appellant sub 2 betoogd dat, indien en voor zover al moet worden aangenomen dat de termijnstelling in strijd is met de WRO en/of de Woningwet, de president er ten onrechte toe is overgegaan om het gehele bestreden besluit te vernietigen.

2.11. De Afdeling verenigt zich met het oordeel van de president dat uit het samenstel van de in overweging 2.7. opgenomen wettelijke bepalingen volgt dat de 5-jaren-termijn aanvangt op de datum waarop de met het bestemmingsplan strijdige bouw of het daarmee strijdige gebruik een aanvang neemt. Hierbij is van gewicht dat de instandhoudingstermijn van artikel 45 van de Woningwet is gelijkgesteld aan de termijn waarvoor de vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de WRO is verleend, en dat deze vrijstelling kan worden verleend met het oog op een voor bepaalde termijn voorgenomen afwijking van het bestemmingsplan. Dit leidt er toe dat bepalend is op welk moment feitelijk sprake is van een afwijking van het bestemmingsplan. .

2.12. Uit het voorgaande volgt dat de president terecht heeft geoordeeld dat hetgeen in het bestreden besluit met betrekking tot de vrijstellings- en instandhoudingstermijn is beslist zich niet verdraagt met de meergenoemde wettelijke bepalingen. De Afdeling is evenwel van oordeel dat de president hieraan ten onrechte de conclusie heeft verbonden dat het bestreden besluit in zijn geheel voor vernietiging in aanmerking komt. Gelijk appellant sub 2 heeft betoogd, had volstaan dienen te worden met een vernietiging van het bestreden besluit voor zover betrekking hebbend op de vrijstellings- en instandhoudingstermijn.

2.13. Het hoger beroep van appellant sub 2 is in zoverre gegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de vernietiging van het bestreden besluit verder strekt dan de vernietiging van het onderdeel van het bestreden besluit dat ziet op de vrijstellings- en instandhoudingstermijn.

2.14. Bij besluit van 2 oktober 2001 hebben burgemeester en wethouders, daarmee gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw op het bezwaar beslist. Gelet op de artikelen 6:18, 6:19, in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, moet het hoger beroep van appellanten worden geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit.

2.15. Bij dit besluit hebben burgemeester en wethouders de tegen het besluit van 17 oktober 2000 gemaakte bezwaren alsnog gegrond verklaard voor zover deze zich richten tegen de ingangsdatum van de vrijstellings- en instandhoudingstermijn en bepaald dat het besluit van 17 oktober 2000 in dier voege wordt gewijzigd dat de vrijstelling wordt verleend voor de periode van vijf jaar, welke termijn ingaat zes weken na de datum van verzending van het onderhavige besluit en de termijn na het verstrijken waarvan het asielzoekerscentrum niet langer in stand mag worden gehouden te bepalen op vijf jaar, welke termijn ingaat zes weken na de datum van verzending van het onderhavige besluit.

2.16. Het besluit van 2 oktober 2001 is op 11 oktober 2001 verzonden. Zes weken na 11 oktober 2001 is 22 november 2001. Uit het besluit van 2 oktober 2001 volgt dan ook dat de vrijstellings- en instandhoudingstermijn op die datum is ingegaan. Nu deze datum samenvalt met hetgeen partijen ter zitting hebben verklaard omtrent de datum van de aanvang van de bouwwerkzaamheden, namelijk omstreeks 19 november 2001, moet worden geconcludeerd dat burgemeester en wethouders bij het besluit van 2 oktober 2001 op juiste wijze uitvoering hebben gegeven aan de aangevallen uitspraak. Het daartegen gerichte beroep is dan ook ongegrond.

2.17. Nu niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten, acht de Afdeling geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van appellant sub 2 gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Alkmaar van 30 augustus 2001, voor zover de vernietiging van het bestreden besluit van 19 juni 2001 verder strekt dan de vernietiging van het onderdeel van het bestreden besluit dat ziet op de vrijstellings- en instandhoudingstermijn;

III. verklaart het beroep tegen het besluit van burgemeester en wethouders van Medemblik van 2 oktober 2001 ongegrond;

IV. gelast dat de gemeente Medeblik aan appellant sub 2 het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 327) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C. de Gooijer, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, ambtenaar van Staat.

w.g. De Gooijer w.g. Ouwehand

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar 24 juli 2002

224.