Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5769

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-07-2002
Datum publicatie
24-07-2002
Zaaknummer
200105281/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200105281/1.

Datum uitspraak: 24 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

burgemeester en wethouders van Valkenburg aan de Geul,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij brief van 23 januari 2001 hebben verweerders aan [vergunninghouder] te Valkenburg aan de Geul meegedeeld dat de verleende milieuvergunning voor de inrichting gelegen aan het adres [locatie] in stand zal blijven.

Hiertegen hebben appellanten bij brief van 2 maart 2001 bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is aangevuld bij brief van 30 juli 2001.

Tegen het uitblijven van een besluit hebben appellanten bij brief van 18 oktober 2001, ingekomen bij de Raad van State op 25 oktober 2001 beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij besluit van 15 januari 2002, verzonden op 17 januari 2002, hebben verweerders het tegen de brief van 23 januari 2001 ingediende bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 22 januari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 8 februari 2002, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 19 maart 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 juni 2002, waar appellanten, in persoon, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. J.F. Logtens, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Eerst ter zitting hebben appellanten betoogd dat op de gehouden hoorzitting geen sprake is geweest van een gedachtewisseling. Het aanvoeren van deze grond in dit stadium van de procedure is in strijd met de goede procesorde. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat appellanten deze niet eerder in de procedure naar voren hadden kunnen brengen. Voornoemde grond kan derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.2. Het geding spitst zich toe op de vraag of de brief van verweerders van 23 januari 2001 een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. In deze brief hebben verweerders naar aanleiding van het verzoek van [vergunninghouder] van 29 november 2000 om intrekking van de op 14 maart 2000 ten behoeve van zijn veehouderij annex akkerbouwbedrijf op het perceel [locatie] te [plaats] krachtens de Wet milieubeheer verleende revisievergunning medegedeeld, dat de verleende vergunning in stand wordt gelaten.

2.3. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Ingevolge artikel 8.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer geldt een voor een inrichting verleende vergunning voor ieder die de inrichting drijft. Deze draagt ervoor zorg dat de aan de vergunning verbonden voorschriften worden nageleefd.

Ingevolge artikel 8.26, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag de vergunning geheel of gedeeltelijk intrekken op verzoek van de vergunninghouder, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.

Ingevolge artikel 8.18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer vervalt de vergunning voor een inrichting, indien de inrichting niet binnen drie jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, is voltooid en in werking gebracht.

2.4. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de aanleiding voor de in de brief van 23 januari 2001 gedane mededeling is gelegen in de omstandigheid dat, nadat het verzoek om intrekking van [vergunninghouder] was ontvangen, deze op 15 december 2000 de activiteiten in de inrichting heeft beëindigd en de bedrijfswoning heeft verlaten. De Vereniging Natuurmonumenten (verder: de VNM), die eigenaar is van het landgoed waartoe de inrichting behoort, heeft toen de zeggenschap over de inrichting verkregen. Vanaf dat moment is de VNM de enige die gerechtigd is de activiteiten binnen de inrichting te hervatten en is derhalve de VNM de drijver van de inrichting in de zin van artikel 8.20 van de Wet milieubeheer. Sinds het onherroepelijk worden van de vergunning van 14 maart 2000 zijn nog geen drie jaar verstreken, zodat moet worden geconcludeerd dat de vergunning van 14 maart 2000 niet op grond van artikel 8.18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer is vervallen. Dat de VNM niet vanaf 15 december 2000 de activiteiten in de inrichting heeft voortgezet of hervat, maakt dit niet anders. Bij brief van 15 december 2000 heeft de VNM te kennen gegeven niet te willen dat de milieuvergunning van 14 maart 2000 wordt ingetrokken. Verweerders hadden op dat moment nog geen beslissing genomen op het door [vergunninghouder] gedane verzoek. Aangezien de VNM op dat moment drijver van de inrichting was, moet haar brief worden begrepen als een intrekking van het door [vergunninghouder] op grond van artikel 8.26 van de Wet milieubeheer gedane verzoek.

2.5. Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat de mededeling van verweerders in de brief van 23 januari 2001 geen weigering behelst om de verleende vergunning op verzoek van de vergunninghouder in te trekken maar moet worden aangemerkt als een constatering dat de vergunning nog steeds in werking is. Verweerders hebben zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat hun brief van 23 januari 2001 geen publiekrechtelijke rechtshandeling inhoudt, maar slechts een mededeling bevat en derhalve geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.6. Nu de brief van 23 januari 2001 geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht bestond er geen mogelijkheid hiertegen bezwaar te maken. Hieruit volgt dat de Afdeling onbevoegd is kennis te nemen van het beroep voorzover dat is gericht tegen het uitblijven van een besluit. Verder volgt hieruit dat verweerders bij het bestreden besluit het bezwaar van appellanten tegen deze brief terecht niet-ontvankelijk hebben verklaard. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart zich onbevoegd van het beroep tegen het uitblijven van een besluit kennis te nemen;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van 15 januari 2002 ongegrond.

Aldus vastgesteld door drs. E.L. Berg, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Berg w.g. Plambeck

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2002

159-314.