Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5766

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-07-2002
Datum publicatie
24-07-2002
Zaaknummer
200102665/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200102665/1.

Datum uitspraak: 24 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 20 maart 2001 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode.

1. Procesverloop

Bij brief van 23 oktober 1999 heeft appellant burgemeester en wethouders van Sint-0edenrode (hierna: burgemeester en wethouders) verzocht de tussen burgemeester en wethouders en [partij] gesloten overeenkomst van koop en verkoop inzake een bouwkavel te ontbinden.

Bij besluit van 25 januari 2000 hebben burgemeester en wethouders het tegen het uitblijven van een besluit van burgemeester en wethouders op dit verzoek door appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie bezwaar- en beroepschriften van 11 januari 2000, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij mondelinge uitspraak van 20 maart 2001, verzonden op 12 april 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 22 mei 2001, bij de Raad van State ingekomen op 25 mei 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 juni 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 24 oktober 2001 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juni 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door [gemachtigde], en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door H.A.M. Hendriks, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit. Gelet op de bewoordingen en de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling is voor de vaststelling welke voorzieningen openstaan tegen het niet tijdig nemen van een besluit, bepalend het antwoord op de vraag welke voorzieningen zouden openstaan, indien een reëel besluit zou zijn genomen.

2.2. De tussen burgemeester en wethouders en [partij] gesloten overeenkomst van koop en verkoop inzake een bouwkavel betreft een privaatrechtelijke aangelegenheid en houdt geen publiekrechtelijke rechtshandeling in, nu het niet de uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid betreft. De omstandigheid dat de voorwaarden waaronder de gemeente bereid is privaatrechtelijke overeenkomsten inzake de verkoop van bouwgrond aan te gaan zijn vastgelegd in de “Verordening inzake de verkoop van bouwgrond aan particulieren”, heeft niet tot gevolg dat niet langer sprake is van een rechtshandeling naar burgerlijk recht. Dat in de gesloten koopovereenkomst wordt verwezen naar het Beleidsplan wonen kan evenmin tot de conclusie leiden dat geen sprake is van een civielrechtelijke aangelegenheid.

2.3. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat zich geen situatie voordeed waarin bezwaar kan worden gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Het verzoek van appellant van 23 oktober 1999, inhoudende de wens de koopovereenkomst te ontbinden, betreft een civielrechtelijke aangelegenheid. Er bestaat geen publiekrechtelijke grondslag voor het nemen van een besluit op dit verzoek. Een reactie van burgemeester en wethouders op dit verzoek kan derhalve niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb en het niet reageren op dit verzoek kan dientengevolge niet met een besluit worden gelijkgesteld. Het bezwaar is derhalve terecht niet-ontvankelijk verklaard.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Roelfsema

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2002

378.