Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5765

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-07-2002
Datum publicatie
24-07-2002
Zaaknummer
200104191/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200104191/1.

Datum uitspraak: 24 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats]

en

burgemeester en wethouders van Bergeijk,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2001 hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan appellante een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een pluimveebedrijf met eierinpakstation gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummers […]. De gevraagde vergunning is geweigerd voor 22.664 legkippen in stal 1, 1.820 legkippen in stal 2 en 10.934 legkippen in stal 3. Dit aangehechte besluit is op 12 juli 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 22 augustus 2001, bij de Raad van State ingekomen op 23 augustus 2001, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 september 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 22 oktober 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 februari 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. L. Nuyts, gemachtigde, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op grond van de bij het bestreden besluit verleende revisievergunning mogen 52.600 legkippen in stal 1 en 28.900 legkippen in stal 2 worden gehouden. De gevraagde vergunning is geweigerd voor 22.664 legkippen in stal 1, 1.820 legkippen in stal 2 en 10.934 legkippen in stal 3. Voor de inrichting is eerder op 8 april 1997 een revisievergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend.

2.2. Appellante, vergunninghoudster, kan zich niet verenigen met de gedeeltelijke weigering van de gevraagde vergunning. Zij is van mening dat de onderliggende vergunning voor minder legkippen is vervallen dan het aantal waarvan verweerders zijn uitgegaan. In dat verband wijst zij er op dat in de stallen 1 en 3 meer legkippen zijn gehouden dan in 1997 waren vergund en dat voor het verstrijken van de termijn van 3 jaren een nieuwe vergunningaanvraag is ingediend. Deze zou eerder zijn ingediend indien verweerders zich op juiste wijze zouden hebben uitgelaten over artikel 8.18 van de Wet milieubeheer, aldus appellante.

2.2.1. Verweerders overwegen in het bestreden besluit dat stal 4, zoals vergund bij de onderliggende vergunning, niet binnen 3 jaar is opgericht en in werking gebracht, zodat deze vergunning in zoverre is vervallen. Verder hebben verweerders overwogen dat het binnen 3 jaar indienen van een nieuwe vergunningaanvraag de in artikel 8.18 genoemde termijn niet stuit. Ook stellen zij dat geen toezeggingen kunnen worden gedaan over het al dan niet vervallen van een vergunning.

2.2.2. Ingevolge artikel 8.18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer vervalt de vergunning voor een inrichting:

a. indien de inrichting niet binnen drie jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, is voltooid en in werking gebracht;

(…)

2.2.3. Op grond van de op 8 april 1997 voor de inrichting verleende revisievergunning mochten 134.100 legkippen worden gehouden, waarvan 52.600 stuks in stal 4. Niet in geschil is dat stal 4 niet binnen 3 jaar na het onherroepelijk worden van deze vergunning is opgericht en in werking gebracht. Gelet hierop is de vergunning van 8 april 1997 ingevolge artikel 8.18, eerste lid, van de Wet milieubeheer wat betreft stal 4 en de 52.600 legkippen die daarin mochten worden gehouden vervallen. De omstandigheid dat een deel van de in deze stal te huisvesten legkippen, zoals appellante betoogt, in de andere stellen zijn gehuisvest, kan daaraan, zoals de Afdeling eerder in onder andere haar uitspraak van 26 oktober 1999, no. E03.97.1591 (aangehecht) heeft overwogen, niet afdoen.

Op 3 april 2000 is bij verweerders de aanvraag binnengekomen die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit. Uit artikel 8.18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer volgt niet dat door het indienen van een nieuwe vergunningaanvraag voor het verstrijken van de in dat artikel genoemde termijn deze termijn wordt gestuit. Derhalve is de onderliggende vergunning wat betreft stal 4 van rechtswege vervallen. Eventueel door verweerders gedane uitlatingen over het al dan niet vervallen van de vergunning, daargelaten of deze al zijn gedaan, maken dit niet anders. Het onderdeel treft geen doel.

2.3. Appellante betoogt dat de ten behoeve van de onderliggende vergunning aangekochte ammoniakemissierechten niet volledig zijn benut en derhalve nog hadden kunnen worden gebruikt ten behoeve van de onderhavige vergunningverlening. Verweerders hebben dan ook de vergunning voor te veel legkippen geweigerd, aldus appellante.

2.3.1. Verweerders bestrijden dit en stellen dat de niet gebruikte ammoniakemissierechten niet meer kunnen worden gebruikt voor de vergunningverlening omdat onmiddellijke samenhang tussen het bestreden besluit en het intrekkingsbesluit ontbreekt.

2.3.2. Krachtens artikel 8, eerste lid, van de Interimwet ammoniak en veehouderij (hierna te noemen: de Interimwet) kan de raad van een gemeente dan wel kunnen de raden van twee of meer gemeenten een plan vaststellen ter beperking van de ammoniakdepositie op voor verzuring gevoelige gebieden en van de ammoniakemissies, die door veehouderijen in zijn onderscheidenlijk hun gemeenten worden veroorzaakt.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel kan in het plan worden bepaald dat voor veehouderijen een daarbij aangegeven hogere waarde geldt dan ingevolge de artikelen 4 tot en met 6 van de wet is toegestaan, indien in onmiddellijke samenhang daarmee de ammoniakdepositie die wordt veroorzaakt door een andere veehouderij, door intrekking of wijziging van de vergunning voor die veehouderij met het oog op het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen daarvan op verzoek van degene die die veehouderij drijft, zodanig vermindert dat de totale ammoniakdepositie op de in de betrokken gemeenten gelegen voor verzuring gevoelige gebieden afneemt en de totale ammoniakemissie van de veehouderijen in de betrokken gemeenten daalt.

2.3.3. Niet in geschil is dat de ammoniakemissierechten waarop appellante doelt in 1997 zijn aangekocht ten behoeve van de op 8 april 1997 verleende vergunning en dat deze rechten niet volledig zijn benut. De Afdeling is van oordeel dat, daargelaten of op grond van het ammoniakreductieplan het veebestand nog verder kan worden uitgebreid, gelet op de omstandigheid dat het intrekkingsbesluit niet is genomen ten behoeve van het bestreden besluit maar ten behoeve van de in 1997 aan de inrichting verleende vergunning, geen sprake is van onmiddellijke samenhang als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Interimwet. Gelet hierop zijn verweerders er terecht van uitgegaan dat deze ammoniakemissierechten niet kunnen worden gebruikt ten behoeve van de bij het bestreden besluit verleende vergunning. Het onderdeel slaagt niet.

2.4. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door drs. E.L. Berg, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van Staat.

w.g. Berg w.g. Den Broeder

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2002

187-307.