Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5755

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-07-2002
Datum publicatie
24-07-2002
Zaaknummer
200200845/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200200845/1.

Datum uitspraak: 24 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

burgemeester en wethouders van Eindhoven,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 september 2001, kenmerk EHV/01-2995/TD/TS, hebben verweerders een verzoek van appellant om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Patara B.V." op het adres Kruisstraat 171 te Eindhoven afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij besluit van 4 januari 2002, kenmerk JZ&IV 01P004470, verzonden op 9 januari 2002, hebben verweerders het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 12 februari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 13 februari 2002, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 8 maart 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 27 maart 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juli 2002, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. C.G.J.M. Termaat, advocaat te Eindhoven, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. M.C.H.G. Schavemaker, ambtenaar van de gemeente, en [gemachtigde], zijn verschenen. Voorts is “Patara B.V.” als partij gehoord, vertegenwoordigd door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. De inrichting waar het bestreden besluit betrekking op heeft is bestemd voor de verkoop van ter plaatse bereide etenswaren (waaronder shoarma) en een supermarkt. Onbestreden staat vast dat het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit) op de inrichting van toepassing is. Op het dak van de inrichting is een ontgeuringsinstallatie opgesteld.

2.2. Ingevolge artikel 18.14, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan eenieder aan een bestuursorgaan dat bevoegd is tot toepassing van bestuursdwang, oplegging van een last onder dwangsom of intrekking van een vergunning of ontheffing, verzoeken een daartoe strekkende beschikking te geven.

Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Krachtens artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

2.3. Appellant stelt onaanvaardbare geur- en roethinder te ondervinden vanwege het in werking zijn van de inrichting. Volgens hem worden de voor de inrichting geldende voorschriften 1.4.3 en 1.4.4 van bijlage 2 behorende bij het Besluit niet nageleefd. De ontgeuringsinstallatie functioneert volgens appellant niet doelmatig. Verder voert appellant aan dat het onderzoek naar de door hem gestelde overtredingen niet objectief is uitgevoerd, nu dezelfde twee ambtenaren betrokken waren bij de totstandkoming van het primaire besluit en de beslissing op bezwaar. Voorts betoogt hij dat verweerders ten onrechte geen technisch onderzoek hebben laten verrichten naar de herkomst van de door hem gestelde roet- en (geur)hinder, nu in het verslag van de hercontrole is gesteld dat in de directe omgeving van de inrichting minimaal tien afvoerpijpen van c.v.-ketels aanwezig zijn waaruit wellicht roet kan ontsnappen en dat ook door het drukke verkeer mogelijk roetbelasting kan ontstaan.

2.3.1. Voorschrift 1.4.3 luidt:

"De bij de bereiding van brood, banket of andere voedingsmiddelen vrijkomende wasem, bakdampen en rook worden, zonder zich binnen de inrichting te kunnen verspreiden, afgezogen. De afvoerleiding voor de dampen is gasdicht uitgevoerd."

Voorschrift 1.4.4 luidt:

"De afgezogen dampen als bedoeld in voorschrift 1.4.3:

a. worden ten minste één meter boven de hoogste daklijn van de binnen 25 m van de uitmonding gelegen gebouwen afgevoerd, of

b. passeren voor zij naar de buitenlucht worden afgevoerd, een doelmatige ontgeuringsinstallatie. De dampen die worden afgezogen bij het grillen, anders dan door een houtskoolgrill, dan wel frituren of bakken in olie of vet, worden alvorens in de buitenlucht te worden afgevoerd, geleid door een verwisselbaar of reinigbaar vetvangend filter."

2.3.2. Verweerders hebben bij het besluit van 12 september 2001 afgezien van toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen omdat volgens hen bij verschillende bedrijfsbezoeken geen overtreding van voornoemde voorschriften is gebleken. Het hiertegen gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard omdat ook bij een nadien afgelegd bedrijfsbezoek geen overtreding is geconstateerd. Roetoverlast is tijdens de bedrijfsbezoeken evenmin geconstateerd. Volgens verweerders vinden binnen de inrichting geen activiteiten plaats die roetoverlast zouden kunnen veroorzaken. Voorts betogen verweerders dat indien sprake zou zijn van vrijkomende roetdeeltjes, hetgeen niet het geval is, respectievelijk de voor-, zakken- en koolstoffilters van de ontgeuringsinstallatie deze tegenhouden.

2.3.3. De stukken geven geen aanknopingspunten dat overtredingen van voornoemde voorschriften plaatsvonden ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, waarbij de Afdeling wat roethinder betreft overweegt dat – daargelaten in hoeverre dit overtreding van voornoemde of andere voorschriften zou opleveren – niet aannemelijk is dat de inrichting roethinder zou veroorzaken. Ook het verhandelde ter zitting geeft geen aanknopingspunten voor een dergelijk oordeel.

Voorzover appellant aanvoert dat het onderzoek naar de door hem gestelde overtredingen niet objectief is uitgevoerd, overweegt de Afdeling het volgende. Blijkens de stukken was één van de door appellant genoemde ambtenaren als adviseur bij zowel de totstandkoming van het primaire besluit als de beslissing op bezwaar betrokken. De enkele omstandigheid dat deze ambtenaar in voormelde hoedanigheid bij beide besluiten betrokken is geweest, betekent niet dat verweerders hun taak niet zonder vooringenomenheid hebben kunnen vervullen. Uit de verslagen naar aanleiding van de bedrijfsbezoeken blijkt dat door meerdere personen op verschillende tijdstippen is geconstateerd dat de door appellant gestelde overtredingen op die tijdstippen niet plaatsvonden. Van vooringenomenheid is ook overigens niet gebleken.

Voorts ziet de Afdeling in de omstandigheid dat in het verslag van de hercontrole is gesteld dat in de directe omgeving van de inrichting ten minste tien afvoerpijpen van c.v.-ketels aanwezig zijn waaruit wellicht roet kan ontsnappen en dat daarnaast door het drukke verkeer een roetbelasting op de omgeving zal kunnen ontstaan, geen grond voor het oordeel dat verweerders tevens een technisch onderzoek naar volgens appellant mogelijke roet- en (geur)hinder van de inrichting hadden moeten laten verrichten.

Hetgeen appellant naar voren heeft gebracht, vormt dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders het onderzoek zoals door hen verricht niet aan het bestreden besluit ten grondslag hadden mogen leggen.

Verweerders hebben dan ook moeten concluderen dat zij niet bevoegd zijn om bestuurlijke handhavingsmiddelen toe te passen. Zij hebben het tegen het besluit van 12 september 2002 gemaakte bezwaar daarom terecht ongegrond verklaard.

2.4. Gezien het vorenstaande is het beroep ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis w.g. Kuipers

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2002

271-407.