Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5750

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-07-2002
Datum publicatie
24-07-2002
Zaaknummer
200102462/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200102462/1.

Datum uitspraak: 24 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], wonend te [woonplaats]

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4. de vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid "Wijkvereniging Bijdorp", gevestigd te Schiedam, en anderen,

appellanten,

en

gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2000 heeft de gemeenteraad van Schiedam, op voorstel van burgemeester en wethouders van 15 september 2000, vastgesteld het bestemmingsplan "Ziekenhuis 1999". Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 8 mei 2001, kenmerk DRGG/ARB/00/10325A, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan. Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 15 mei 2001, bij de Raad van State ingekomen op 17 mei 2001, appellant sub 2 bij brief van 12 juni 2001, bij de Raad van State ingekomen op 18 juni 2001, appellant sub 3 bij brief van 21 juni 2001, bij de Raad van State ingekomen op 2 juli 2001, en appellanten sub 4 bij brief van 21 juni 2001, bij de Raad van State ingekomen op 22 juni 2001, beroep ingesteld. Appellant sub 2 heeft zijn beroep aangevuld bij brieven van 13 juni 2001 en 16 juli 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 27 september 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 25 maart 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [appellant sub 3], Wijkvereniging Bijdorp en anderen, burgemeester en wethouders van Schiedam en van de Stichting Samenwerkende Schiedamse en Vlaardingse Ziekenhuizen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juni 2002, waar appellante sub 1 in persoon, appellant sub 2 in persoon, bijgestaan door mr. I.P. Barneveld, advocaat te Leiden, appellant sub 3 in persoon, appellanten sub 4, bij monde van [gemachtigde], vergezeld door mr. J.E. Dijk, gemachtigde, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. E.J. Molenwijk, zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord burgemeester en wethouders van Schiedam, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. J.C.G. Franken, advocaat te Rotterdam, en de Stichting Samenwerkende Schiedamse en Vlaardingse Ziekenhuizen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. B. Meijer, advocaat te Den Haag.

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2. Het plan voorziet in de vestiging van een ziekenhuis voor de regio Schiedam, Vlaardingen, Maassluis en omringende kleinere gemeenten. Het plangebied wordt globaal begrensd door de spoorbaan Rotterdam-Hoek van Holland, de Poldervaart, de Hargalaan, de Nieuwe Damlaan en de Schiedamseweg.

Bij het bestreden besluit hebben verweerders het plan goedgekeurd.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

2.3. [appellante sub 1] kan zich allereerst niet met het bestreden besluit verenigen, voorzover verweerders de aanvullende bedenkingen uit haar brief van 17 november 2000 buiten beschouwing hebben gelaten. Kennelijk beoogt appellante hiermee dat deze bedenkingen in beroep alsnog aan de orde komen.

Appellante heeft zowel bij brief van 24 oktober 2000 als bij brief van 17 november 2000 bedenkingen bij verweerders ingebracht. De brief van 17 november 2000 bevat naast de reeds in de brief van 24 oktober 2000 genoemde punten een drietal aanvullende bedenkingen (punten 5 tot en met 7).

Ingevolge artikel 28, zevende lid, gelezen in samenhang met artikel 27, eerste en tweede lid, van de WRO, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van gedeputeerde staten, door degene die tegen het plan tijdig bedenkingen heeft ingebracht bij gedeputeerde staten. Dit is slechts anders, voorzover het besluit van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest bedenkingen in te brengen.

Geen van deze omstandigheden doet zich voor.

De beroepsonderdelen zoals vermeld onder de punten 5 tot en met 7 in de brief van 17 november 2000 heeft appellante niet binnen de in artikel 27, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 26 van de WRO gestelde termijn als bedenkingen tegen het plan ingebracht.

Geen rechtvaardiging is gelegen in de inhoud van de brief van burgemeester en wethouders van Schiedam van 23 oktober 2000, waarnaar appellante in haar beroepschrift verwijst. Bij deze brief zijn degenen die zienswijzen hebben ingediend persoonlijk geïnformeerd over de vaststelling van het bestemmingsplan en tevens gewezen op de mogelijkheid om voor 15 november 2000 tegen het vastgestelde plan bedenkingen in te brengen bij verweerders. Appellante betoogt dat uit deze brief niet blijkt wanneer de termijn voor het inbrengen van bedenkingen begint en stelt zich op het standpunt dat deze op 23 oktober 2000 is aangevangen, zodat de aanvullende bedenkingen neergelegd in de brief van 17 november 2000 tijdig zijn ingediend. Uit de stukken blijkt dat het plan van 19 oktober 2000 tot en met 15 november 2000 ter inzage is gelegd, van welke terinzagelegging op 18 oktober 2000 kennis is gegeven door middel van publicatie in de Staatscourant en een lokaal nieuwsblad. De Afdeling stelt vast dat hiermee aan de wettelijke vereisten ter zake van de bekendmaking van de terzinzagelegging is voldaan. Appellante had derhalve bekend kunnen zijn met de aanvang van de termijn voor het inbrengen van bedenkingen op 19 oktober 2000. Voorts is in de brief van 23 oktober 2000 vermeld dat de termijn voor het inbrengen van bedenkingen eindigt op 15 november 2000. Het beroep van [appellante sub 1] is in zoverre niet-ontvankelijk.

Bezwaren die buiten behandeling blijven

2.4. De Afdeling merkt op dat [appellant sub 3] in zijn brief van 7 juni 2002 bezwaren heeft aangevoerd die betrekking hebben op de economische uitvoerbaarheid van het plan, de locatiekeuze, de verkeersafwikkeling, de aantasting van de ecologische waarden van de Poldervaart en het gebruik van de dam over de Poldervaart.

Het is in strijd te achten met een goede procesorde om eerst in dit stadium van de procedure niet voordien aangevoerde grieven naar voren te brengen. Dit zou slechts anders zijn indien sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van appellant redelijkerwijs niet kon worden verlangd dat hij die grieven eerder naar voren had gebracht. Van dergelijke omstandigheden is echter niet gebleken. Aan deze bezwaren moet derhalve worden voorbijgegaan.

Ten aanzien van de publicatie

2.5. Wijkvereniging Bijdorp en anderen voeren onder meer aan dat de publicatie van 18 oktober 2000 inzake de vaststelling en de terinzagelegging van het plan niet in overeenstemming is met de tekst van artikel 27, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

De Afdeling stelt vast dat in de desbetreffende publicatie ten onrechte is vermeld dat “degene” die aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest zich tot de gemeenteraad te wenden, bij gedeputeerde staten van Zuid-Holland schriftelijk bedenkingen kan inbrengen, terwijl ingevolge genoemd artikellid deze mogelijkheid is beperkt tot “belanghebbenden”. Aangezien niet is gebleken dat van deze verruimde mogelijkheid tot het inbrengen van bedenkingen gebruik is gemaakt en evenmin is gebleken dat appellanten dan wel derden hierdoor zijn benadeeld, ziet de Afdeling in dit bezwaar van appellanten geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.

Toetsingskader

2.6. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

Wijzigingen ten opzichte van het goedgekeurde plan

2.7. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het plan na goedkeuring op een aantal punten zal worden gewijzigd. De wijzigingen hebben betrekking op de ten behoeve van het ziekenhuis te realiseren parkeervoorzieningen alsmede op het gebruik van de dam over de Poldervaart ten behoeve van het vervoer van minder validen.

De Afdeling dient zich bij haar oordeel te beperken tot het plan zoals dat door verweerders is goedgekeurd.

Formele bezwaren

2.8. [appellant sub 3] voert onder meer aan dat verweerders niet op al zijn bedenkingen zijn ingegaan.

In het bestreden besluit hebben verweerders de bedenkingen samengevat weergegeven en gekozen voor een thematische behandeling daarvan. Gelet op het grote aantal bedenkingen met veelal een gelijkluidende strekking, acht de Afdeling een dergelijke handelwijze niet onaanvaardbaar. Niet is gebleken dat verweerders de bezwaren van appellant niet bij hun beoordeling hebben betrokken.

2.9. Wijkvereniging Bijdorp en anderen voeren onder meer aan dat de termijn voor het inbrengen van bedenkingen bij verweerders slechts drie weken bedroeg, aangezien hun eerst bij brief van 23 oktober 2000 – reeds hiervoor onder 2.3. genoemd - is medegedeeld dat zij daarvoor tot 15 november 2000 de gelegenheid hadden. Appellanten achten een dergelijke inkorting van de termijn voor het inbrengen van bedenkingen in strijd met de wet.

De Afdeling overweegt dat appellanten ervan op de hoogte hadden kunnen zijn dat de termijn voor het inbrengen van bedenkingen op 19 oktober 2000 was aangevangen en verwijst in dit verband naar hetgeen zij op dit punt onder 2.3. heeft overwogen. Gelet hierop is er naar het oordeel van de Afdeling dan ook geen sprake van inkorting van de wettelijke termijn. De omstandigheid dat appellanten eerst bij brief van 23 oktober 2000 over de vaststelling van het plan en de mogelijkheid om bedenkingen in te brengen zijn geïnformeerd, kan hieraan niet afdoen. Daarbij is in aanmerking genomen dat in de Wet op de Ruimtelijke Ordening, noch in enig ander wettelijk voorschrift een bepaling valt aan te wijzen op grond waarvan het gemeentebestuur in een geval als hier aan de orde verplicht is eventuele belanghebbenden persoonlijk in kennis te stellen van de terinzagelegging van een vastgesteld bestemmingsplan. Overigens is gebleken dat appellanten hun bedenkingen tijdig hebben ingediend.

2.9.1. Wijkvereniging Bijdorp en anderen brengen tevens naar voren dat niet is voldaan aan de artikelen 10 en 12 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro), aangezien uit de plantoelichting niet blijkt dat overleg is gevoerd met de buurgemeenten en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: VWS).

Verweerders stellen zich blijkens de stukken op het standpunt dat in het kader van het overleg ingevolge artikel 10 van het Bro slechts planologische aspecten aan de orde kunnen komen en dat om die reden geen noodzaak bestond overleg te voeren met de buurgemeenten en de minister van VWS. De Afdeling acht dit standpunt niet onjuist en overweegt in dit verband dat uit artikel 10 van het Bro volgt dat het gemeentebestuur slechts waar nodig overleg dient te voeren met de in dat artikel genoemde organen. Niet is gebleken dat ten aanzien van de buurgemeenten en de minister van VWS planologische belangen in geding waren op grond waarvan het gemeentebestuur niet in redelijkheid van het plegen van overleg heeft kunnen afzien. In het verlengde hiervan kan evenmin worden geconcludeerd dat het gemeentebestuur heeft gehandeld in strijd met artikel 12, tweede lid, onder b, van het Bro.

2.9.2. Wijkvereniging Bijdorp en anderen stellen zich voorts op het standpunt dat niet is voldaan aan artikel 23, eerste lid, onder d, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, aangezien een aantal indieners van zienswijzen niet door de gemeenteraad in de gelegenheid is gesteld tot het geven van een nadere mondelinge toelichting.

Verweerders erkennen blijkens het bestreden besluit dat een aantal indieners van zienswijzen per abuis niet is uitgenodigd voor de hoorzitting bij de gemeenteraad. Dit verzuim is hersteld door de betrokkenen alsnog uit te nodigen voor een afzonderlijke hoorzitting ten overstaan van de wethouder. Van deze mogelijkheid is echter geen gebruik gemaakt, aldus verweerders.

De Afdeling stelt vast dat de Wet op de Ruimtelijke Ordening aan het horen door de gemeenteraad van degene die een zienswijze heeft kenbaar gemaakt, geen specifieke vormvereisten stelt. Dit laat echter onverlet dat de gemeenteraad hierbij gebonden is aan het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur dat een beslissing met de nodige zorgvuldigheid wordt voorbereid en genomen. Naar het oordeel van de Afdeling is dit beginsel in dit geval niet geschonden, nu degenen die per abuis niet waren uitgenodigd voor de hoorzitting van 19 september 2000 alsnog in de gelegenheid zijn gesteld hun bezwaren ten overstaan van de wethouder nader toe te lichten. De omstandigheid dat betrokkenen van deze mogelijkheid geen gebruik hebben gemaakt kan hieraan niet afdoen.

Gelet op het voorgaande is het plan niet vastgesteld in strijd met bovengenoemde bepalingen van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en het Bro.

Ten aanzien van de overige bezwaren

2.10. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en Wijkvereniging Bijdorp en anderen hebben aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan. Zij hebben daartoe naar voren gebracht dat het plan financieel onvoldoende is onderbouwd. Ook achten zij vanwege de aanwezige bodemverontreiniging de uitvoerbaarheid van het plan niet gewaarborgd. Tevens is aangevoerd dat de locatiekeuze onzorgvuldig tot stand is gekomen en dat het plan in strijd is met hetgeen in het Groenstructuurplan Schiedam ten aanzien van de Poldervaart is bepaald. Voorts vrezen appellanten parkeeroverlast in de omliggende wijken en verkeersoverlast. [appellant sub 2] heeft met name ook gewezen op de gevolgen van het plan voor zijn woon- een leefklimaat.

Verweerders hebben blijkens het bestreden besluit in de aangevoerde bezwaren geen aanleiding gezien aan het plan goedkeuring te onthouden en stellen zich dan ook op het standpunt dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

2.10.1. Voorzover appellanten de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan betwisten, is de Afdeling uit de stukken en het verhandelde ter zitting niet gebleken van zodanige gebreken in de financiële onderbouwing dat uitvoering van het plan onvoldoende is gewaarborgd.

2.10.2. Met betrekking tot de gesteldheid van de bodem komt uit de stukken het volgende naar voren.

Uit verkennend bodemonderzoek is gebleken dat de toplaag en de ondergrond van het meest oostelijk gelegen deel van het plangebied licht zijn verontreinigd. Het westelijk deel van het terrein is in 1996 onderzocht. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat de toplaag licht en de onderlaag licht dan wel niet is verontreinigd. Ten aanzien van het meest oostelijk gelegen deel van het plangebied werd nader onderzoek noodzakelijk geacht, hetgeen heeft geresulteerd in het rapport “Nader bodemonderzoek, Schiedamseweg (ziekenhuis-locatie) deellocatie: D” van 28 maart 2001. In dit rapport wordt ten aanzien van de bovengrond van dit deel van het plangebied geconcludeerd dat geen sprake is van ernstige bodemverontreiniging. De ondergrond is blijkens dit rapport voor een deel sterk verontreinigd. In het rapport wordt dan ook aanbevolen ten behoeve van de sanering van de sterk verontreinigde grond een saneringsplan op te stellen. Ter zitting is gebleken dat inmiddels een saneringsplan is ingediend.

Gelet op het voorgaande acht de Afdeling het onderzoek naar de bodemgesteldheid in het plangebied toereikend. Mede gelet op de beperkte omvang van het sterk verontreinigde deel van het plangebied, zijn er onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van zodanig ernstige bodemverontreiniging dat de uitvoerbaarheid van het plan gevaar loopt.

2.10.3. Het plangebied ligt blijkens de stukken direct naast het NS-station Schiedam Nieuwland en in de nabijheid van een halteplaats voor lokale buslijnen. Tevens bevindt zich op ongeveer 15 minuten loopafstand de (toekomstige) metrohalte Troelstralaan.

Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat verweerders vanwege de beperkte aanwezigheid van openbaar vervoervoorzieningen niet in redelijkheid met de keuze van de gemeenteraad voor de onderhavige locatie hebben kunnen instemmen.

Voorzover naar voren is gebracht dat het gemeentebestuur zich heeft gebaseerd op een verouderd locatieonderzoek dat dateert uit 1991, overweegt de Afdeling dat eerst bij de vaststelling van het plan de keuze voor de onderhavige locatie is gemaakt, waarbij de op dat moment relevante feiten en omstandigheden zijn meegewogen. Niet aannemelijk is gemaakt dat zich ten opzichte van de situatie in 1991 zodanige veranderingen hebben voorgedaan, dat het locatieonderzoek uit 1991 niet in redelijkheid mede aan het plan ten grondslag kon worden gelegd.

Ten aanzien van de alternatieve locatie in Vijfsluizen, overweegt de Afdeling dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet.

2.10.4. Met betrekking tot de bezwaren betreffende de aanwezigheid van de Poldervaart in het plangebied wordt het volgende overwogen.

Blijkens het Groenstructuurplan Schiedam maakt de Poldervaart een belangrijk onderdeel uit van de ecologische structuur van Schiedam en richt het gemeentelijk beleid zich op het terugbrengen van het oorspronkelijke beloop van deze watergang, waardoor zij weer optimaal kan functioneren als ecologische en ruimtelijke “ruggengraat”. Voorts is op de bij dit structuurplan behorende kaart ter hoogte van het plangebied een strook grond ten westen van de Poldervaart aangeduid als “weidelint” en een strook grond ten oosten van de Poldervaart als “boslint”. De overige delen van het plangebied zijn in dit structuurplan aangewezen voor “clusterbebouwing in het groen”. Deze delen worden in het Groenstructuurplan geschikt geacht voor de vestiging van luxe kantoren en bijzondere openbare voorzieningen, zoals een ziekenhuis. Het behoud van het groene karakter van deze plekken wordt daarbij genoemd als gewenste ontwikkeling, waarbij het groen in dienst staat van de representatie van bedrijven en voorzieningen.

De Afdeling stelt aan de hand van de plankaart en de overige stukken vast dat aan beide zijden van de Poldervaart, een strook grond met een breedte van 40 meter de bestemming “Ecologisch groen – Ecgr-“ heeft gekregen. Ingevolge artikel 4 van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming “Ecologisch groen – Ecgr-” onder meer bestemd voor water en groengebied, waarin ten behoeve van natuurontwikkeling de Poldervaart, de oevers van deze watergang en een landschappelijk ingerichte groenstrook aan weerszijden kunnen worden aangelegd.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het plan niet in strijd is met het Groenstructuurplan Schiedam en voldoende waarborgen bevat ter bescherming van de ecologische waarden van de Poldervaart.

Ten aanzien van het plangebied voor het overige is niet gebleken van natuurwaarden die voor bescherming in aanmerking komen.

Met betrekking tot het bezwaar dat het voorliggende plan sterk afwijkt van het vigerende bestemmingsplan “Bijdorp” uit 1991, overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften in een plan opnemen.

Voorzover naar voren is gebracht dat het plan in strijd is met de beleidsnota ruimtelijke ontwikkeling van de stadsregio Rotterdam uit 1995, hebben verweerders er op gewezen dat deze beleidsnota nimmer is vastgesteld, hetgeen door appellanten niet is bestreden. Aan deze nota komt derhalve geen formele status toe.

2.10.5. Wat betreft de parkeerbehoefte is in het plan voorzien in een parkeergarage met een capaciteit van 620 parkeerplaatsen. Blijkens de stukken is dit aantal gebaseerd op onderzoek dat in opdracht van de Stichting Samenwerkende Schiedamse en Vlaardingse Ziekenhuizen is uitgevoerd. Bij dit onderzoek is uitgegaan van een parkeernorm van 1,1 parkeerplaats per bed, welke norm zowel parkeerplaatsen voor patiënten, bezoekers als werknemers omvat. Bij het onderzoek is tevens rekening gehouden met specifieke lokale en regionale omstandigheden en met een groei van het aantal bedden.

De Afdeling acht onvoldoende aannemelijk gemaakt dat bij de berekening van de parkeerbehoefte niet in redelijkheid van de hiervoor genoemde norm kon worden uitgegaan. Mede gelet op de aanwezigheid van openbaar vervoervoorzieningen, is de Afdeling van oordeel dat verweerders de parkeercapaciteit waarin het plan voorziet niet ontoereikend behoefde te achten.

Met betrekking tot eventuele parkeeroverlast in de omliggende wijken, overweegt de Afdeling dat niet valt in te zien dat deze niet met maatregelen, zoals het invoeren van een regeling voor parkeren uitsluitend of in de eerste plaats voor belanghebbenden, kan worden beperkt. Overigens kunnen bezwaren tegen het parkeren voor belanghebbenden als zodanig in deze procedure niet aan de orde worden gesteld.

Overigens is uit de stukken en ter zitting gebleken dat wordt overwogen af te zien van het realiseren van de parkeergarage. Het gemeentebestuur heeft het voornemen op de plek van de parkeergarage en op één van de sportvelden van voetbalvereniging Demos twee parkeerterreinen op maaiveldniveau aan te leggen die tezamen voorzien in 750 parkeerplaatsen. Het gemeentebestuur wil op deze wijze tegemoet komen aan de bezwaren van omwonenden ten aanzien van het aantal parkeerplaatsen en tevens eventuele parkeeroverlast in de omliggende wijken tegengaan. Ter zitting is gebleken dat voor het realiseren van de parkeerterreinen een procedure ingevolge artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening zal worden gevolgd, aangezien deze niet op grond van het voorliggende plan kunnen worden aangelegd.

2.10.6. Ten aanzien van de gevolgen voor de verkeersafwikkeling in en rondom het plangebied verwijzen verweerders naar verschillende onderzoeken die in dit verband in opdracht van het gemeentebestuur van Schiedam en de Stichting Samenwerkende Schiedamse en Vlaardingse Ziekenhuizen (SSVZ) zijn uitgevoerd. Verweerders zijn van mening dat deze onderzoeken een adequaat beeld geven van de verkeerssituatie ter plaatse en dat eventuele problemen met enkele aanpassingen aan het wegennet kunnen worden voorkomen.

De onderzoeken waarnaar verweerders verwijzen zijn het rapport “Verkeersafwikkeling analyse nieuwbouw SSVZ Ziekenhuis” uit februari 1999, opgesteld door Zandvoort Ordening en Advies en het rapport “Verkeersafwikkeling Nieuwbouw Ziekenhuis Schieland Gemeente Schiedam” van juni 1999, opgesteld door Haskoning, Ingenieurs- en Architectenbureau (thans Royal Haskoning). Daarnaast bevindt zich bij de stukken het rapport “Onderzoek volledige Aansluiting Vijfsluizen, Verkenning van knelpunten op het onderliggende wegennet“ van 11 oktober 2001, opgesteld door Goudappel Coffeng. Tevens is van de zijde van de SSVZ en het gemeentebestuur nog overgelegd de door Royal Haskoning opgestelde “Nadere notitie verkeersaspecten Bestemmingsplan “Ziekenhuis 1999”” van 6 juni 2002.

Appellanten hebben hier tegenover gesteld het rapport “Onderzoek verkeersintensiteit Nieuwe Damlaan Schiedam” van februari 2001, opgesteld door [gemachtigde sub 4] en de brief van 3VO van 7 mei 2001.

Appellanten voeren onder verwijzing naar het hiervoor genoemde rapport van [gemachtigde sub 4] aan dat in de door verweerders gehanteerde rapporten het aantal huidige autobewegingen op de omliggende wegen te laag is berekend. De Afdeling is van oordeel, mede gelet op het deskundigenbericht, dat het door [gemachtigde sub 4] geconstateerde verschil dient te worden verklaard uit het gebruik van een andere telmethode, die een onvoldoende betrouwbaar beeld geeft van het aantal autobewegingen per etmaal op de desbetreffende wegen.

Voorzover de tellingen van [gemachtigde sub 4] wel overeenkomen met de mechanische tellingen die door de gemeente Schiedam zijn uitgevoerd, is naar het oordeel van Afdeling voldoende aannemelijk geworden dat deze (tijdelijke) toename van de verkeersintensiteit samenhangt met de (tijdelijke) afsluiting van wegen elders in verband met werkzaamheden.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de gevolgen van het plan voor de verkeersafwikkeling in voldoende mate en op adequate wijze zijn onderzocht. Verweerders konden derhalve bij het nemen van het bestreden besluit in redelijkheid van de in het plan opgenomen verkeersafwikkeling uitgaan.

2.10.7. [Appellant sub 2] heeft bezwaar tegen het plan uit oogpunt van verlies aan privacy in zijn tuin en woning en van onder meer geluid-, visuele en lichthinder.

Blijkens de planvoorschriften bedraagt de maximaal toegestane bouwhoogte 24 meter. Voorts is gebleken dat de afstand vanaf de grens van het bouwvlak van het ziekenhuis tot de woning van [appellant sub 2] ongeveer 75 meter bedraagt. Gelet hierop, komt de Afdeling enige beperking van het uitzicht en aantasting van de persoonlijke levenssfeer van [appellant sub 2] niet onaannemelijk voor. De Afdeling acht deze echter niet van dien aard dat verweerders daaraan bij de afweging van de betrokken belangen doorslaggevend gewicht moesten toekennen. Daarbij is mede in aanmerking genomen de ligging van het plangebied in het stedelijk gebied van Schiedam.

Gelet op de afstand tot het bouwvlak van het ziekenhuis, alsmede de omstandigheid dat tussen zijn perceel en het ziekenhuis een spoorlijn ligt, ziet de Afdeling voorts geen aanleiding voor de conclusie dat [appellant sub 2] onevenredige stank- en geluidhinder zal ondervinden. Dit geldt evenzeer voor de gestelde visuele en lichthinder. Voorzover hij vreest voor extra geluidhinder als gevolg van de weerkaatsing van spoorweglawaai tegen de gevel van het ziekenhuis, blijkt uit het bestreden besluit dat onderzoek heeft uitgewezen dat deze verwaarloosbaar klein is.

Met betrekking tot de bezwaren tegen de vaststelling van hogere grenswaarden, overweegt de Afdeling dat tegen het besluit daartoe een afzonderlijke beroepsprocedure heeft opengestaan. Deze bezwaren kunnen derhalve in de onderhavige procedure niet aan de orde komen.

2.11. Wijkvereniging Bijdorp en anderen hebben daarnaast aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan de plandelen met de bestemming “Ziekenhuis-Zk-”, voorzover deze betrekking hebben op het niet overeenkomstig het feitelijk gebruik bestemmen van de percelen Schiedamseweg 234 t/m 242.

2.11.1. Blijkens het bestreden besluit is van inpassing van de bestaande functies – woningen en een zuivelhandel – in het plan afgezien, omdat dit de ontwikkeling van het gebied ten behoeve van het ziekenhuis met bijbehorend erf in de weg staat en bovendien, vanwege de geringe afstand tot het ziekenhuis, een goed woon- en leefklimaat niet kan worden gegarandeerd. De gemeente zal de percelen aankopen en zonodig onteigenen, aldus verweerders.

Het standpunt van verweerders komt de Afdeling, gelet op de af te wegen belangen, niet onredelijk voor. Daarbij is in aanmerking genomen dat aannemelijk is dat het ziekenhuis binnen de planperiode zal worden gerealiseerd.

Bezwaren tegen de onteigening als zodanig kunnen in deze procedure niet aan de orde worden gesteld. Overigens is ter zitting gebleken dat een deel van woningen reeds is gesloopt.

2.12. Voorts hebben Wijkvereniging Bijdorp en anderen aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan de wijzigingsbevoegdheid in artikel 3 van de planvoorschriften.

2.12.1. Ingevolge deze wijzigingsbevoegdheid kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van de bouw van een parkeervoorziening onder het ziekenhuis de bestemming (“Ziekenhuis-Zk-“) wijzigen, met dien verstande dat daarvan uitsluitend gebruik mag worden gemaakt indien aangetoond kan worden dat de parkeervoorziening geen nadelige invloed zal hebben op de stedenbouwkundige context en voor het milieu geen nadeliger situatie zal ontstaan. Dit laatste zal dienen te worden onderbouwd met rapportages omtrent de benzeenemissie.

De Afdeling acht deze bepaling voldoende concreet. Het bezwaar van appellanten dat uit de wijzigingsbepaling niet blijkt dat ook met extra geluidsoverlast en verkeersstromen rekening moet worden gehouden, kan niet tot een ander oordeel leiden. Deze aspecten dienen immers bij de vaststelling en goedkeuring van het wijzigingsplan te worden meegewogen.

2.13. Tot slot hebben Wijkvereniging Bijdorp en anderen aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan artikel 3, onder g, van de planvoorschriften, op grond waarvan binnen het bestemmingsvlak met de bestemming “Ziekenhuis-Zk-” het landen dan wel opstijgen van helikopters ten behoeve van patiëntenvervoer is toegestaan. Appellanten vrezen geluidoverlast en stellen zich op het standpunt dat het plan onvoldoende duidelijkheid biedt over de exacte locatie van de landingsplaats.

2.13.1. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de helikopterlandingsplaats komt te vervallen.

Nu, gelet hierop, ten aanzien van de helikopterlandingsplaats reeds vaststaat dat deze niet in de planperiode zal worden gerealiseerd, hebben verweerders niet het standpunt kunnen innemen dat het plan op dit punt niet in strijd is met de goede ruimtelijke ordening. Het beroep van Wijkvereniging Bijdorp en anderen is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit ten aanzien van de in het plan opgenomen mogelijkheid voor een helikopterlandingsplaats ten behoeve van patiëntenvervoer dient te worden vernietigd.

Voorts ziet de Afdeling aanleiding zelf voorziend alsnog goedkeuring te onthouden aan artikel 3, onder g, van de planvoorschriften.

2.14. Gelet op het voorgaande hebben verweerders zich, behoudens ten aanzien van artikel 3, onder g, van de planvoorschriften, op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling overigens geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van Wijkvereniging Bijdorp is, voorzover gericht tegen de goedkeuring van artikel 3, onder g, van de planvoorschriften, gegrond en voor het overige ongegrond. De beroepen van de overige appellanten zijn geheel ongegrond.

2.15. Verweerders dienen ten aanzien van de Wijkvereniging Bijdorp en anderen op na te vermelden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Voor een proceskostenvergoeding ten aanzien van de overige appellanten bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk voorzover het betreft de aanvullende bedenkingen vermeld onder 5 tot en met 7 in haar brief van 17 november 2000;

II. verklaart het beroep van Wijkvereniging Bijdorp en anderen gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 8 mei 2001, kenmerk DRGG/ARB/00/10325A, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan artikel 3, onder g, van de planvoorschriften;

IV. onthoudt goedkeuring aan het onder III. genoemde onderdeel van de planvoorschriften;

V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit, voorzover dit is vernietigd;

VI. verklaart het beroep van Wijkvereniging Bijdorp en anderen en het beroep van [appellant sub 1] voor het overige en de beroepen van de overige appellanten geheel ongegrond;

VII. veroordeelt gedeputeerde staten van Zuid-Holland in de door Wijkvereniging Bijdorp en anderen in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 667,50, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Zuid-Holland te worden betaald aan appellanten;

VIII. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan Wijkvereniging Bijdorp en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 204,20) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en dr. J.J.C. Voorhoeve en mr. Th.G. Drupsteen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.G.L. de Vette, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. De Vette

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2002

196-363.