Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5747

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-07-2002
Datum publicatie
24-07-2002
Zaaknummer
200104189/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200104189/1.

Datum uitspraak: 24 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[naam rechtspersoon], gevestigd te [plaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Middelburg van 11 juli 2001 in het geding tussen:

appellante

en

burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2000 hebben burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland (hierna: burgemeester en wethouders) met gebruikmaking van de daartoe door gedeputeerde staten van Zeeland verleende verklaring van geen bezwaar en met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals dat luidde tot 1 april 2000, aan de gemeente Schouwen-Duiveland vrijstelling en bouwvergunning voor het bouwen van een loswal in de Vluchthaven Zijpe te Bruinisse, op het perceel, kadastraal bekend gemeente Bruinisse, sectie G, no. 1330.

Bij besluit van 19 december 2000 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie bezwaar- en beroepschriften van 6 december 2000, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 11 juli 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 22 augustus 2001, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juni 2002, waar appellante, bijgestaan door [gemachtigde], en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. U.T. Hoekstra, advocaat te Middelburg, zijn verschenen. Voorts zijn gehoord [partijen].

2. Overwegingen

2.1. Voor zover het betoog van appellant betrekking heeft op milieutechnische aspecten, welke thans niet aan de orde zijn, moet dit buiten beschouwing blijven en kan het niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.2. Het bouwplan, ten behoeve waarvan vergunning is verleend, is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied Bruinisse, eerste herziening” voor zover het betrekking heeft op gronden met de bestemming “Waterstaatswerken”. Teneinde niettemin realisering van het bouwplan mogelijk te maken, hebben burgemeester en wethouders met toepassing van de zogeheten anticipatieprocedure bouwvergunning verleend. Gedeputeerde staten van Zeeland hebben bij besluit van 18 mei 2000 ten behoeve van het bouwplan een verklaring van geen bezwaar verleend. Voorts gold zowel ten tijde van het primaire besluit van 29 september 2000 als ten tijde van het besluit op bezwaar van 19 december 2000 een voorbereidingsbesluit voor het perceel. Hoewel de bij het voorbereidingsbesluit behorende tekening enige ruimte laat voor twijfel over het antwoord op de vraag of het voorbereidingsbesluit de betrokken gronden volledig omvat, staat vast dat het in ieder geval betrekking heeft op dat deel van de gronden met de bestemming “Waterstaatswerken” waarmee het bouwplan niet in overeenstemming is.

Aan de formele vereisten om toepassing te geven aan de anticipatieprocedure was, gelet op het voorgaande, voldaan.

2.3. De beslissing om al dan niet te anticiperen dient te berusten op een afweging van het belang van onmiddellijke uitvoering van het bouwplan tegen het belang dat eerst de uitkomst van de bestemmingsplanprocedure wordt afgewacht. Daarbij is de te verlangen mate van spoedeisendheid afhankelijk van de omvang van de inbreuk op het geldende planologische regime alsmede van de uitstraling die het project op de omgeving heeft. Indien de inbreuk op de bestaande planologische situatie gering is, behoeven minder zware eisen te worden gesteld aan de mate van spoedeisendheid van het bouwplan en aan het planologisch kader op basis waarvan medewerking aan de voorgenomen bouw wordt gevraagd.

2.4. De Afdeling onderschrijft het standpunt van de rechtbank dat de inbreuk op het ter plaatse geldende regime gering kan worden geacht. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de loswal slechts gedeeltelijk in strijd is met het vigerende bestemmingsplan. Voorts heeft de Provinciale Planologische Commissie in het kader van het overleg op grond van artikel 10 van het Besluit op de Ruimtelijke Ordening over het voorontwerp-bestemmingsplan “Buitengebied 3e herziening” laten weten in te stemmen met een (kleinschalige) bedrijfsmatige functie van de Vluchthaven Zijpe. In het streekplan Zeeland 1997 is het bedrijventerrein aangewezen als lokaal bedrijventerrein met bovenlokale ontwikkelingsmogelijkheden voor de specifieke sector aquabusiness. Dat de loswal ten dienste van deze bedrijvigheid wordt opgericht acht de Afdeling niet onaannemelijk, temeer nu de loswal reeds in dit verband in de plantoelichting van het eerder gedeeltelijk goedgekeurde bestemmingsplan “Bedrijventerrein Bruinisse” is genoemd. Voorts bereiden burgemeester en wethouders een nieuw bestemmingsplan voor het bedrijventerrein Bruinisse voor, waarin wordt voorzien in de loswal.

2.5. Hoewel het planologisch kader als summier is aan te merken, kan, gelet op het vorenstaande, niet worden geoordeeld dat het niet voldoet aan de eisen die daaraan in dit geval dienen te worden gesteld. Daarbij komt dat voor de aanleg van de loswal door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij subsidie is verleend met als voorwaarde dat de aanleg van het bouwwerk op de door hem bepaalde einddatum fysiek afgerond dient te zijn. De uitkomst van de bestemmingsplanprocedure kan daarom bezwaarlijk worden afgewacht.

2.6. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht en op goede gronden geoordeeld dat burgemeester en wethouders in redelijkheid tot het besluit op bezwaar hebben kunnen komen. De Afdeling ziet in het betoog van appellante geen aanknopingspunten voor een ander oordeel.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Roelfsema

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2002

378.