Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5745

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-07-2002
Datum publicatie
24-07-2002
Zaaknummer
200005592/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200005592/1.

Datum uitspraak: 24 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], gevestigd te Breda,

2. [appellante sub 2], wonend te Breda,

3. [appellanten sub 3], wonend te Breda,

4. [appellant sub 4], wonend te Breda,

5. [appellanten sub 5], wonend te Breda,

6. [appellant sub 6], gevestigd te Etten-Leur,

7. [appellant sub 7], wonend te Breda,

8. [appellant sub 8a]., [appellant sub 8b], en [appellant sub 8c], alle gevestigd te Breda,

en

1. de Minister van Verkeer en Waterstaat in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (verweerder sub1),

2. provinciale staten van Noord-Brabant (verweerders sub 2), en

3. de raad van de gemeente Breda (verweerder sub 3),

verweerders.

1. Procesverloop

Verweerder sub 1 heeft op grond van artikel 24, eerste lid, van de Tracéwet, zoals dat artikel destijds luidde, op 13 november 2000 vastgesteld het tracébesluit Hogesnelheidslijn-Zuid (aanvulling III).

Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld. De beroepschriften zijn aangehecht.

Verweerders sub 2 en 3 hebben zich bereid verklaard aan dat tracé planologische medewerking te verlenen.

Een aantal appellanten heeft hiertegen beroep ingesteld.

Bij brief van 15 maart 2001 heeft verweerder sub 1 een verweerschrift (hierna te noemen: het verweerschrift) ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 17 juli 2001. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van verweerder sub 1, [appellant sub 4] en [appellanten sub 1] Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 april 2002, waar appellanten in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen. [appellanten sub 1] en [appellant sub 6] zijn met bericht van verhindering niet verschenen. Ook verweerders sub 1 en 3 hebben zich doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

2.1. Op 15 april 1998 is het tracébesluit van de Hogesnelheidslijn-Zuid (hierna aangeduid als tracébesluit HSL-Zuid) vastgesteld door de Minister van Verkeer en Waterstaat in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Daarin is tevens opgenomen het verbreden en verleggen van de autosnelweg A16 tussen Prinsenbeek-Noord en het knooppunt Galder.

Bij uitspraak van 6 september 1999, nos. E01.98.0242, E01.98.0273 en E01.98.0312, heeft de Afdeling beslist op onder meer de tegen het tracébesluit HSL-Zuid ingediende beroepen. Dit besluit is op een aantal onderdelen vernietigd.

Het tracébesluit Hogesnelheidslijn-Zuid (aanvulling III) – hierna aangeduid als tracébesluit HSL III – is een bundeling van nieuwe (deel)tracébesluiten en heeft betrekking op de vernietigde delen:

- de ontsluiting van het [appellant sub 8b] aan de [locatie 1] te Breda;

- de ontsluiting van het pand [locatie 2] te Breda;

en de ambtshalve aanpassingen:

- de kruising van de HSL-Zuid met de A12 (gemeente Bleiswijk);

- de ligging van een parallelweg nabij het landgoed Zoudtland (gemeente

Breda);

- een lokale verbinding ten zuiden van het Liesbos (gemeente Breda);

- de verhoging van het geluidsscherm langs de A16 bij Effen (gemeente

Breda):

Hiervoor heeft van 21 maart 2000 tot en met 17 april 2000 een nieuw ontwerp-tracébesluit ter inzage gelegen.

Bezwaren tegen de zogenoemde “Bredase variant”

2.2. [appellanten sub 1] en [appellante sub 2] voeren onder meer bezwaren aan tegen de zogenoemde “Bredase variant”. Het beroep van [appellanten sub 3] is in zijn geheel hiertegen gericht. Blijkens de stukken ziet de “Bredase variant” op een aantal door het gemeentebestuur van Breda voorgestelde aanpassingen in de wegenstructuur teneinde sluipverkeer richting snelwegen via ondergeschikte wegen tegen te gaan. De Afdeling stelt vast dat deze aanpassingen geen onderdeel uitmaken van het tracébesluit HSL III. Uit de stukken blijkt dat de door appellanten bedoelde aanpassingen onder de noemer “Bredase variant-plus” in het bestemmingsplan “HSL A16 Breda” zijn opgenomen. De daartegen gerichte bezwaren van appellanten dienen dan ook in de bestemmingsplanprocedure aan de orde te worden gesteld.

Gelet op het voorgaande zijn de beroepen van [appellanten sub 1] en [appellante sub 2] in zoverre ongegrond. Het beroep van [appellanten sub 3] is geheel ongegrond.

Bezwaren tegen het vervangen van een parallelweg ten zuiden van het Liesbos door een fietspad

2.3. [appellanten sub 1], [appellant sub 4] en [appellant sub 6] voeren in beroep aan dat verweerder sub 1 ten onrechte het tracébesluit heeft vastgesteld, voorzover dat betrekking heeft op het vervangen van een parallelweg ten zuiden van het Liesbos, tussen de [locatie 4] en de [locatie 5], door een fietspad.

2.3.1. Blijkens de stukken is het Liesbos een van de oudste bossen van Nederland met een rijke flora en fauna. Ter hoogte van het Liesbos ligt aan de noordzijde van de N58 een parallelweg met een breedte van 5 m. Deze parallelweg fungeert voornamelijk als lokale verbinding tussen de [locatie 4] en de [locatie 5] en wordt zowel door auto- als fietsverkeer gebruikt. Vanwege de in het tracébesluit HSL-Zuid opgenomen ombouw van de N58, tussen Breda en Etten-Leur, tot autosnelweg A58 dient deze parallelweg naar het noorden te worden opgeschoven. Het ruimtebeslag dat hiermee gepaard gaat heeft tot gevolg dat op enkele plaatsen bomen en beplanting aan de rand van het Liesbos dienen te verdwijnen. Zo zullen in de zuidelijke bosrand van het Liesbos in totaal ruim 40 beuken, 40 eiken, circa 20 berken, 2 grove dennen en 2 lijsterbessen gekapt moeten worden. Bovendien zullen daarna nog bomen, die na de kap van deze bomen aan de rand van het bos komen te staan, tot een hoogte van 4,5 m opgesnoeid moeten worden om voldoende doorrijhoogte voor het autoverkeer op de parallelweg te garanderen. Het verlies aan waardevolle bomen en de daarmee samenhangende negatieve gevolgen voor het bos als gevolg van schorsbrand en windworp zijn voor verweerder sub 1 aanleiding geweest te onderzoeken of het ruimtebeslag aan de zuidelijke bosrand kan worden beperkt.

In het voorliggende tracébesluit heeft verweerder sub 1 besloten het op deze locatie voorziene geluidsscherm langs de A58 gedeeltelijk te laten vervallen en de parallelweg, voorzover gelegen tussen de [locatie 6] en de [locatie 5], uitsluitend voor fietsverkeer in stand te laten. Voor dit fietspad is blijkens de stukken een dwarsprofiel nodig van 3,5 m met een doorrijhoogte van 2,5 m en zullen in totaal 15 à 20 bomen in de rand van het Liesbos dienen te verdwijnen, waardoor het risico van aantasting van het bos door schorsbrand en windworp ten opzichte van de situatie waarvan is uitgegaan in het tracébesluit HSL-Zuid sterk wordt verkleind.

Blijkens de stukken heeft verweerder sub 1 bij zijn besluit laten meewegen dat door deze maatregel de bewoners van vijftien woningen aan de [locatie 4], tussen de [locatie 7] en de [locatie 6], die per auto thans via de huidige parallelweg naar Etten-Leur gaan, moeten omrijden via de [locatie 7] en de [locatie 8]. Dit brengt een gemiddelde extra afstand van 2,5 km met zich. Verweerder sub 1 acht dit verantwoord, gelet op enerzijds de waarden van het bos en de aantasting daarvan als gevolg van het handhaven van de parallelweg voor autoverkeer en anderzijds de gemiddelde omrijafstand en het aantal woningen dat hiervan nadeel ondervindt.

2.3.2. [appellant sub 4] woont aan de [locatie 4] en acht het door Staatsbosbeheer uitgevoerde onderzoek naar de gevolgen van het opschuiven van de parallelweg voor het Liesbos suggestief en ondeugdelijk. Hij stelt zich op het standpunt dat verweerder sub 1 een onafhankelijk tegenonderzoek had moeten laten uitvoeren. In dit verband wijst appellant erop dat het verschil in ruimtebeslag tussen het fietspad en het handhaven van de parallelweg slechts 1,5 m bedraagt. Het gebied dat hierdoor gespaard wordt bevat volgens hem geen waardevolle of oude bomen. Daarnaast voert hij aan dat het instellen van een vrachtwagenverbod het opsnoeien van bomen tot een hoogte van 2,5 m kan worden beperkt. Voorts kan appellant zich er niet mee verenigen dat hij als gevolg van het vervallen van de parallelweg moet omrijden om Etten-Leur en de buurtgemeenschap te bereiken. Ook heeft hij er bezwaar tegen dat de [locatie 4] een doodlopende straat wordt van 800 m. Tenslotte stelt appellant zich op het standpunt dat vrees voor sluipverkeer ten onrechte als argument is gehanteerd voor het vervangen van de parallelweg door een fietspad.

2.3.2.1. De Afdeling heeft in de stukken geen aanknopingspunten kunnen vinden voor de stelling van appellant dat het door Staatsbosbeheer uitgevoerde onderzoek suggestief of ondeugdelijk is danwel anderszins op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Er is dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder sub 1 een nader onderzoek had moeten laten verrichten.

Voorts is de Afdeling, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, niet overtuigd van de stelling van appellant dat op de strook grond van 1,5 meter die met de aanleg van een fietspad wordt gespaard geen waardevolle of oude bomen staan.

Ten aanzien van de door appellant gedane suggestie om op de parallelweg een vrachtwagenverbod in te stellen, zodat de snoeihoogte tot 2,5 m kan worden beperkt, heeft verweerder sub 1 naar voren gebracht dat het opschuiven van de parallelweg zonder meer met zich brengt dat een aantal stabiele randbomen moet worden gekapt. De snoeihoogte van de bomen aan de (nieuw ontstane) bosrand is in dat geval volgens verweerder sub 1 minder van belang, omdat alleen al vanwege de kap van de randbomen het gevaar van windworp en schorsbrand bestaat.

De Afdeling komt dit standpunt niet onaannemelijk voor.

Voorzover appellant heeft aangevoerd dat hij als gevolg van het vervangen van het desbetreffende gedeelte van de parallelweg moet omrijden, is gebleken dat de afstand per auto naar Etten-Leur weliswaar groter wordt, maar niet zodanig groot dat deze als onevenredig bezwarend moet worden geoordeeld. Evenmin behoefde verweerder sub 1 de langere route per auto naar de buurtgemeenschap van doorslaggevend belang te achten. Daarbij is in aanmerking genomen dat de afstand tot de buurtgemeenschap via het aan te leggen fietspad 100 m bedraagt.

Voorzover appellant vreest dat als gevolg van de omstandigheid dat de [locatie 4] een doodlopende straat wordt en parkeerplaats Liesbos wordt opgeheven de homoprostitutie zich naar het einde van deze laan zal verplaatsen, overweegt de Afdeling dat deze eventuele verplaatsing geen direct gevolg is van het voorliggende tracébesluit en – zo nodig – in het kader van de handhaving van de openbare orde kan worden tegengegaan.

Tot slot blijkt uit de stukken dat de reden van het vervangen van het desbetreffende gedeelte van de parallelweg door een fietspad is gelegen in de wens van verweerder sub 1 de bijzondere waarde van het Liesbos zoveel mogelijk te handhaven. Voor de stelling van appellant dat het tegengaan van sluipverkeer aan deze keuze ten grondslag ligt, zijn in de stukken geen aanknopingspunten te vinden.

2.3.3. [appellanten sub 1] exploiteren het café-restaurant [naam] aan de [locatie 94] ten noorden van het Liesbos. Zij betogen dat door het gedeeltelijk vervangen van de parallelweg door een fietspad het café-restaurant zo goed als onbereikbaar wordt en wijzen daarbij tevens op een aantal maatregelen in het kader van de zogenoemde “Bredase variant”, plannen van Staatsbosbeheer en de gevolgen van het tracébesluit HSL-Zuid. Voorts betwisten appellanten dat het opschuiven van de parallelweg in noordelijke richting het bos in ernstige mate zal aantasten.

2.3.3.1. Voorzover appellanten in hun bezwaren tegen het fietspad tevens hun grieven tegen de zogenoemde “Bredase variant” hebben betrokken, verwijst de Afdeling naar hetgeen zij onder 2.2. heeft overwogen. Ook eventuele maatregelen door Staatsbosbeheer vormen in deze procedure geen onderwerp van geschil.

Voorts wijst de Afdeling er op dat zij naar aanleiding van de bezwaren van appellanten ten aanzien van de gewijzigde bereikbaarheid van het café-restaurant als gevolg van het tracébesluit HSL-Zuid, in haar uitspraak van 6 september 1999 heeft overwogen dat de Minister in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de bereikbaarheid van het café-restaurant door het tracébesluit HSL-Zuid niet onevenredig zal verslechteren. Voorzover de bezwaren van appellanten zijn terug te voeren op de gevolgen van het tracébesluit HSL-Zuid kunnen deze in deze procedure niet opnieuw aan de orde worden gesteld.

2.3.3.2. Blijkens de stukken – met name het deskundigenbericht - heeft het tracébesluit HSL III ten opzichte van het tracébesluit HSL-Zuid geen gevolgen voor de route van het autoverkeer vanaf de snelwegen naar het café-restaurant en omgekeerd. Deze route blijft in afstand gelijk. De route die het autoverkeer vanuit het westen of vanuit het zuiden vanuit Etten-Leur via de noordelijke parallelweg of vanuit het zuiden via de tunnel onder de A58 (ter hoogte van de [locatie 5]) zal moeten afleggen om het café-restaurant te bereiken en omgekeerd is blijkens de stukken ongeveer 1 kilometer langer dan de bestaande route via de parallelweg.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het tracébesluit HSL III geen zodanige verslechtering van de bereikbaarheid van het café-restaurant van appellanten met zich brengt, dat de exploitatie in gevaar zou komen. Daarbij is in aanmerking genomen dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dan wel anderszins aannemelijk is geworden dat de bezoekers van het café-restaurant veelvuldig gebruik maken van het af te sluiten gedeelte van de parallelweg.

Ten aanzien van eventuele schade kan worden gewezen op de daartoe bestaande regelingen. Niet is gebleken dat via die regelingen niet aan eventuele schade kan worden tegemoet gekomen.

Tot slot acht de Afdeling het op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting niet aannemelijk dat door het opschuiven van de parallelweg waardevolle bomen zullen moeten verdwijnen.

2.3.4. [appellant sub 6] exploiteert aan de [locatie 10] te Etten-Leur een tuincentrum. Appellante vreest dat door het vervangen van de parallelweg tussen de [locatie 6] en de [locatie 5] door een fietspad de continuïteit van haar bedrijfsvoering in gevaar komt. Zij wijst er op dat zij reeds door het opheffen van de gelijkvloerse kruising van de voormalige rijksweg N58 met de [locatie 5] schade heeft geleden.

2.3.4.1. De Afdeling stelt vast dat het opheffen van de gelijkvloerse kruising van de N58 met de [locatie 5] geen deel uitmaakt van het tracébesluit HSL III, zodat de gevolgen daarvan voor de bedrijfsvoering van appellante hier niet aan de orde kunnen worden gesteld.

Ten aanzien van de gevolgen van het tracébesluit HSL III stelt verweerder sub 1 zich op het standpunt dat de bereikbaarheid van het bedrijf van appellante niet wezenlijk zal veranderen. Verweerder sub 1 acht het dan ook niet aannemelijk dat het tuincentrum hierdoor zijn aantrekkingskracht voor klanten zal verliezen.

Uit de stukken – met name het deskundigenbericht – blijkt dat als gevolg van het vervangen van het desbetreffende gedeelte van de parallelweg door een fietspad de route vanaf de snelwegen naar het tuincentrum van appellante en omgekeerd circa 2,5 km langer wordt. De bestaande routes over de [locatie 8] en de [locatie 5] voor autoverkeer uit Etten-Leur en Breda/Prinsenbeek alsmede de route van en naar het zuiden via de nieuwe tunnel onder de A58 blijven ongewijzigd.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het tracébesluit HSL III geen zodanige verslechtering van de bereikbaarheid van het tuincentrum van appellante met zich brengt, dat de exploitatie in gevaar zou komen. Daarbij is in aanmerking genomen dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dan wel anderszins aannemelijk is geworden is dat een aanzienlijk deel van haar klantenkring gebruik maakt van het af te sluiten gedeelte van de parallelweg.

Overigens is gebleken dat het tuincentrum inmiddels naar een locatie elders is verplaatst.

2.3.4.2. Het vorenstaande in aanmerking genomen kunnen de bezwaren van appellanten niet leiden tot het oordeel dat verweerder sub 1 in zoverre het tracébesluit HSL III niet in redelijkheid heeft kunnen kunnen vaststellen. De beroepen van [appellant sub 4], [appellanten sub 1] en van [appellant sub 6] zijn op dit punt ongegrond.

Dit geldt eveneens voorzover de beroepen van [appellanten sub 1] en [appellant sub 6] zijn gericht tegen de planologische medewerking door de gemeenteraad van Breda en provinciale staten van Noord-Brabant.

Het bezwaar tegen het inkorten van het geluidsscherm

2.4. [appellant sub 4] heeft voorts aangevoerd dat verweerder ten onrechte het tracébesluit heeft vastgesteld, voorzover het betreft het laten vervallen van het geluidsscherm aan de noordzijde van de parallelweg langs de A58 tussen A58-kilometer 2,82 en 3,12. Appellant stelt dat volgens de tekst en kaartblad 3 van het tracébesluit HSL III het scherm moet worden doorgetrokken tot aan de Huisdreef, terwijl daarentegen uit diverse werktekeningen blijkt dat het wordt ingekort tot aan de grens van het perceel [locatie 3]. Appellant acht dit uit akoestisch en visueel oogpunt niet gewenst.

2.4.1. Van de zijde van verweerder sub 1 is ter zitting naar voren gebracht dat het de bedoeling was om in het tracébesluit HSL III het desbetreffende geluidsscherm met 290 meter in te korten, maar dat een en ander niet op de juiste wijze in het besluit is weergegeven. Voorts heeft verweerder sub 1 er op gewezen dat in het akoestische rapport dat aan het tracébesluit HSL III ten grondslag is gelegd, abusievelijk geen rekening is gehouden met een uitbuiging en/of onderbreking van het scherm ten behoeve van een busstrook en bushalte. Het overeenkomstig de wens van appellant onverkort vasthouden aan de lengte en positionering van het geluidsscherm, zoals weergegeven op kaartblad 3 van het tracébesluit HSL III, brengt volgens verweerder met zich dat niet zal worden voldaan aan de geluidsbelasting, zoals neergelegd in het tracébesluit HSL Zuid, hetgeen opnieuw verricht akoestisch onderzoek heeft uitgewezen. Uit dit onderzoek is verder naar voren gekomen dat een nieuw schermvoorstel nodig is, aldus verweerder

sub 1. Verweerder sub 1 heeft dit voorstel bij zijn nader ingezonden stukken overgelegd en er op gewezen dat daarmee wordt voldaan aan de waarden uit het tracébesluit HSL-Zuid.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder sub 1 bij de voorbereiding van het bestreden besluit op dit punt niet de nodige kennis vergaard omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen. Het beroep van [appellant sub 4] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit, voorzover dit ziet op het geluidsscherm dat is gelegen aan de noordzijde van de parallelweg langs de A58 binnen het gebied waarop het tracébesluit HSL III betrekking heeft, zoals aangegeven op kaartblad 3 van dit besluit, wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellante sub 2]

2.5. [appellante sub 2], eigenares van het [naam landgoed], heeft, behalve de onder 2.2. besproken bezwaren, voorts in beroep aangevoerd dat verweerder sub 1 ten onrechte het tracébesluit heeft vastgesteld, voorzover het betreft het aanpassen van de ligging van de[locatie 11] bij [naam landgoed]. Appellante is van mening dat de [locatie 11] nog strakker kan worden gebundeld met de afrit van de A58 en de verlengde [locatie 12]. De ruimte die hierdoor vrijkomt wil appellante bij haar landgoed betrekken ter compensatie van eerder afgestane gronden. Voorts heeft appellante er op gewezen dat op kaartblad 2 bij het tracébesluit HSL III ter hoogte van de ingang van het landgoed een weg dan wel fietspad is ingetekend, die in het tracébesluit HSL-Zuid ontbrak. Appellante stelt zich op het standpunt dat de toegang tot deze weg/fietspad onnodig veel ruimte in beslag neemt.

2.5.1. Uit de stukken blijkt dat naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 6 september 1999 is besloten de carpoolplaats, die in het tracébesluit HSL-Zuid voor de ingang van het landgoed van appellante was voorzien, naar elders te verplaatsen. Als gevolg hiervan is in het voorliggende tracébesluit voorzien in een strakkere bundeling van de [locatie 11] met de afrit van de A58 en de verlengde [locatie 12], waardoor het ruimtebeslag ten opzichte van de situatie in het tracébesluit HSL-Zuid is verkleind.

Voorzover appellante heeft aangevoerd dat een nog strakkere bundeling mogelijk is, heeft verweerder sub 1 er op gewezen dat dit verkeerstechnisch tot een minder gewenste situatie leidt. Verweerder sub 1 heeft in dit verband ter zitting verklaard dat de aansluiting van het fietspad op het te verleggen fietspad uit een oogpunt van veiligheid en overzichtelijkheid in de gekozen variant beter is dan in de door appellante voorgestane variant.

De Afdeling komt dit standpunt niet onredelijk voor.

Ten aanzien van de bezwaren van appellante tegen de op de kaart ingetekende weg dan wel fietspad voor de ingang van het landgoed, heeft verweerder er op gewezen dat deze geen deel uit maakt van het voorliggende tracébesluit of het tracébesluit HSL-Zuid. De op de kaart getekende lijnen hebben volgens verweerder sub 1 betrekking op de bestaande situatie. Verweerder sub 1 heeft aangevoerd dat het thans aanwezige fietspad aan de noordzijde van de N58 bij de aanleg van het knooppunt Princeville zal verdwijnen, zodat geen sprake is van onnodig ruimtebeslag.

Het voorgaande is door appellante ter zitting niet weersproken.

2.5.2. Het vorenstaande in aanmerking genomen, kunnen de bezwaren van appellante niet leiden tot het oordeel dat verweerder sub 1 in zoverre het tracébesluit HSL III niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Het beroep van [appellante sub 2] is ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 5]

2.6. Appellanten [appellanten sub 5], toekomstige bewoners van de uitbreiding Effen, voeren in beroep aan dat verweerder sub 1 ten onrechte het tracébesluit heeft vastgesteld voor wat betreft het plaatsen van een geluidsscherm langs de A16 bij Effen. Zij stellen dat op deze locatie, evenals dat in verband met de A27 bij Wolfslaar is gebeurd, een aarden wal van 15 meter hoog als geluidwerende voorziening moet worden aangelegd en spreken in dit verband van ongelijke behandeling. Voorts trekken appellanten de juistheid van het akoestisch onderzoek in twijfel. Tot slot voeren appellanten aan dat ten aanzien van de mobiliteitsprognoses een berekening over de periode van 2010 tot 2015 ontbreekt.

2.6.1. Uit de stukken blijkt dat in de gemeente Breda voor het gebied ter hoogte van Effen het bestemmingsplan “Uitbreiding Effen” in voorbereiding is, welk plan voorziet in de bouw van 25 nieuwe woningen voor HSL-gedupeerden. In verband met deze woningbouw is aanvullend akoestisch onderzoek verricht naar de geluidsbelasting vanwege de HSL-Zuid en de A16 op de nieuw te bouwen woningen. Op grond van de resultaten van dit aanvullende onderzoek moet, om aan de voorkeursgrenswaarde vanwege de A16 te voldoen, een gedeelte van het geprojecteerde scherm langs de A16, tussen A16 km 64.29 en 64.79 worden verhoogd van 5 naar 6 meter.

2.6.2. Voorzover appellanten zich niet kunnen verenigen met de keuze voor een geluidsscherm in plaats van een geluidswal overweegt de Afdeling dat in het tracébesluit HSL-Zuid reeds in een geluidsscherm op deze locatie was voorzien. Appellanten hebben tegen dit onderdeel van het tracébesluit HSL-Zuid destijds geen beroep ingesteld. Het tracébesluit HSL III ziet, zoals hiervoor reeds overwogen, op de onderdelen van het tracé, waarop de vernietigingen door de Afdeling in eerder genoemde uitspraak van 6 september 1999 betrekking hadden en daarnaast op een viertal ambtshalve aanpassingen, waaronder de verhoging van het geluidsscherm langs de A16 bij Effen. Het tracébesluit HSL III heeft geen betrekking op het plaatsen van het geluidsscherm als zodanig. Voorts is de Afdeling niet gebleken dat verweerder sub 1, nu hij hiertoe niet door een rechterlijke uitspraak werd gedwongen, het plaatsen van een geluidsscherm opnieuw in de beoordeling had moeten betrekken. Derhalve kan in deze procedure alleen de hoogte van het geluidsscherm ter beoordeling staan.

Voorts acht de Afdeling onvoldoende aannemelijk gemaakt dat verweerder sub 1 niet van de juistheid van de resultaten van het aanvullende akoestisch onderzoek mocht uitgaan. De Afdeling wijst er in dit verband op dat aan dit onderzoek dezelfde modellen en uitgangspunten ten grondslag liggen als aan het akoestisch onderzoek HSL-Zuid, A16, A58 gemeente Breda van 1998 en dat dit onderzoek op dezelfde wijze is uitgevoerd.

Bij haar uitspraak van 6 september 1999 heeft de Afdeling de uitvoering van het akoestisch onderzoek HSL-Zuid, A16, A58 gemeente Breda, aanvaardbaar geoordeeld en de daartegen gerichte bezwaren ongegrond verklaard. Voorzover de bezwaren van appellanten zich richten tegen de uitvoering van het aanvullende akoestisch onderzoek, ziet de Afdeling geen aanleiding thans op dit punt tot een ander oordeel te komen.

Ten aanzien van het bezwaar van appellanten dat bij de berekening van de geluidbelasting geen rekening is gehouden met de rivier de Aa of Weerijs, blijkt uit het verweerschrift dat in de rekenmodellen die in het kader van het aanvullende akoestisch onderzoek zijn gebruikt in beginsel rekening is gehouden met de aanwezigheid van oppervlaktewater, maar dat de rivier de Aa of Weerijs vanwege het kleine oppervlak buiten beschouwing is gelaten. Volgens verweerder sub 1 is dit niet van invloed op de resultaten.

De Afdeling komt dit standpunt niet onaannemelijk voor.

Voorts overweegt de Afdeling dat bij het akoestisch onderzoek HSL-Zuid, A16, A58 gemeente Breda is uitgegaan van verkeersprognoses voor 2015. Nu blijkens de stukken bij het aanvullende akoestisch onderzoek dezelfde uitgangspunten zijn gehanteerd, komt de Afdeling het standpunt van appellanten dat ten aanzien van de mobiliteit een prognose over de jaren 2010 tot 2015 ontbreekt, niet juist voor.

Voorzover appellanten garanties wensen dat ook na 2015 de geluidsnormen niet worden overschreden, stelt verweerder sub 1 zich blijkens het verweerschrift op het standpunt dat uit de systematiek van de Wet geluidhinder niet volgt dat een garantie dient te worden gegeven ten aanzien van de geluidbelasting na afloop van de periode die is betrokken bij het bepalen van de geluidbelasting.

De Afdeling acht dit standpunt niet onjuist.

Voorts is gebleken dat de verhoging van het geluidsscherm van 5 tot 6 meter toereikend moet worden geacht om aan de grenswaarden ingevolge de Wet geluidhinder te kunnen voldoen.

2.6.3. Het vorenstaande in aanmerking genomen kunnen de bezwaren van appellanten niet leiden tot het oordeel dat verweerder sub 1 in zoverre niet in redelijkheid het tracébesluit HSL III heeft kunnen vaststellen. Het beroep van [appellanten sub 5] is dan ook ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 7]

2.7. [appellant sub 7] voert in beroep aan dat verweerder sub 1 ten onrechte het tracébesluit heeft vastgesteld, voorzover het betreft de ontsluiting van het koetshuis van het [naam landgoed 1] (in de stukken aangeduid als het pand [locatie 2]). Appellant voert aan dat voor de aanleg van de A16 en bijbehorende voorzieningen minder grond nodig is dan thans in het besluit is opgenomen. Door het aanbrengen van een keerwand aan de noordoostelijke zijde van het landgoed kan volgens appellant het gehele park, inclusief de padenstructuur en de bestaande ontsluiting, gehandhaafd blijven. Appellant stelt dat het aanbrengen van een keerwand ten onrechte niet in het onderzoek is betrokken. Naar zijn mening is het onderzoek naar de ontsluitingsmogelijkheden dan ook te beperkt geweest.

2.7.1. De Afdeling heeft ten aanzien van het hier aan de orde zijnde perceel in haar uitspraak van 6 september 1999 het volgende overwogen:

“De Afdeling is er niet van overtuigd dat de Minister in het tracébesluit

heeft gekozen voor de minste aantasting van het [naam landgoed 1].

Met name is de Afdeling er niet van overtuigd dat de toegang tot de

garage op het naburige perceel niet over het gedeelte tussen de grens van

het perceel van appellant en de woning [locatie 2] kan worden

gerealiseerd. Weliswaar stelt de Minister zich op het standpunt dat daartoe

de nodige ruimte ontbreekt, maar appellant heeft ter zitting onweersproken

gesteld dat hem nimmer is gevraagd enige grond af te staan opdat er wel

voldoende ruimte ontstaat. Nu appellant ter zitting heeft verklaard daar

in beginsel niet onwelwillend tegenover te staan en een toerit langs deze

weg, naar onweersproken is gesteld, het landgoed meer zou ontzien, is de

Afdeling van oordeel dat het beroep in zoverre gegrond is en dat het

tracébesluit HSL-Zuid in zoverre niet met de nodige zorgvuldigheid is

voorbereid. Het komt mitsdien in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van

de Algemene wet bestuursrecht ten dele voor vernietiging in aanmerking.

Het beroep is voor het overige ongegrond.”

2.7.2. Uit de stukken blijkt dat verweerder sub 1 naar aanleiding van deze uitspraak heeft onderzocht in hoeverre een andere ontsluiting van het perceel [locatie 2] kan leiden tot minder ruimtebeslag voor het landgoed. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport “HSL-Zuid/Rijksweg A16, voorstellen voor [naam landgoed 1]” van oktober 2000 dat zich onder de stukken bevindt. In dit rapport zijn drie varianten voor de ontsluiting onderzocht, namelijk twee langs de westzijde van het perceel via het eikenlaantje en één langs de oostzijde via de onderberm van de A16. Eén van de twee varianten langs de westzijde loopt gedeeltelijk over de gronden van appellant. De andere variant aan de westzijde loopt geheel over het perceel van het koetshuis. Uit het rapport komt naar voren dat voor beide ontsluitingsmogelijkheden langs de westzijde naar alle waarschijnlijkheid enkele bomen dienen te worden gekapt.

Tevens blijkt uit het rapport dat de ontsluiting langs de oostzijde geheel gerealiseerd kan worden binnen het standaardruimtebeslag vanwege de A16.

Hiervoor is geen extra grond van appellant nodig en behoeft geen extra beplanting te worden gekapt.

Voorts is gebleken dat verweerder sub 1 in het tracébesluit HSL III alleen het ruimtebeslag ten behoeve van de A16 aan de oostzijde van het perceel van appellant heeft opgenomen en terzake van de mogelijke ontsluiting geen keuze heeft gemaakt. Blijkens het verweerschrift acht verweerder sub 1 dit niet noodzakelijk omdat het voorliggende tracébesluit door middel van de mogelijke ontsluiting via de onderberm van de A16 voldoende garantie biedt dat het koetshuis kan worden ontsloten. Ten aanzien van een eventuele ontsluitingsmogelijkheid via de westzijde van het perceel heeft verweerder overwogen dat het voorliggende tracébesluit hieraan niet in de weg staat en appellant en de eigenaar van het pand [locatie 2] deze in onderling overleg kunnen realiseren. Voorts blijkt uit het verweerschrift dat het huidige ruimtebeslag beperkter is dan het ruimtebeslag dat was voorzien in het tracébesluit HSL-Zuid, doordat de grens ruim 8 meter naar het oosten is opgeschoven.

2.7.3. Voorzover appellant heeft aangevoerd dat het opnemen van een keerwand aan de noordoostelijke zijde van het landgoed in het onderzoek had moeten worden betrokken, blijkt uit het verweerschrift dat deze mogelijkheid reeds in het kader van de besluitvorming inzake het tracébesluit HSL-Zuid is onderzocht. Op basis van de resultaten van dit onderzoek acht verweerder sub 1 de aanleg van een keerwand niet doelmatig, omdat de beplanting die daarmee gespaard zou kunnen worden wat betreft omvang en landschappelijke en natuurhistorische waarde niet van dien aard is dat dit het aanbrengen van een keerwand rechtvaardigt. Gelet hierop bestond volgens verweerder sub 1 geen aanleiding de aanleg van een keerwand opnieuw in het onderzoek te betrekken.

De Afdeling komt dit standpunt van verweerder sub 1 niet onredelijk voor. Daarbij is in aanmerking genomen dat door appellant niet zodanige feiten of omstandigheden zijn aangevoerd dat aan de juistheid van de resultaten van het door verweerder sub 1 uitgevoerde onderzoek ten aanzien van de eventuele aanleg van een keerwand moet worden getwijfeld.

2.7.4. Gelet op het voorgaande is de Afdeling niet van oordeel dat het door verweerder sub 1 uitgevoerde onderzoek naar de ontsluitingsmogelijkheden van het pand [locatie 2] te beperkt is geweest. Nu blijkens de stukken appellant en de eigenaar van het pand [locatie 2] in de gelegenheid zijn gesteld op de in het onderzoeksrapport voorgestelde oplossingen te reageren en het uiteindelijke rapport tevens met het hen is besproken, is de Afdeling evenmin van oordeel dat het rapport op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

Gelet hierop kunnen de bezwaren van appellant niet leiden tot de conclusie dat verweerder sub 1 in zoverre niet in redelijkheid het tracébesluit heeft kunnen vaststellen. Het beroep van [appellant sub 7] is dan ook ongegrond.

Overigens is ter zitting gebleken dat verweerder sub 1 met appellant overeenstemming heeft bereikt over de aankoop van gronden voor de verbreding van de A16, het achterwege laten van de aanleg van een keerwand op zijn perceel en over de ontsluiting van het pand [locatie 2], waardoor aan zijn bezwaren tegemoet is gekomen.

Het beroep van [appellant sub 8a], [appellant sub 8b] en [appellant sub 8c]

2.8. [appellant sub 8a, ] [appellant sub 8b] en [appellant sub 8c] voeren in beroep aan dat verweerder sub 1 ten onrechte het tracébesluit heeft vastgesteld. Hun beroep richt zich tegen de gewijzigde bereikbaarheid van [appellant sub 8b] tijdens en na de aanleg van de HSL. Appellanten betwisten de resultaten van het door verweerder sub 1 in dit kader uitgevoerde onderzoek. Zij betwijfelen de deskundigheid en onafhankelijkheid van degene die het onderzoek heeft uitgevoerd. Voorts betogen zij dat de berekeningen teveel op aannames en persoonlijke ervaringsgegevens zijn gebaseerd en dat een passantenonderzoek ontbreekt. Appellanten stellen zich dan ook op het standpunt dat het onderzoek niet aantoont dat het café-restaurant tijdens de werkzaamheden door middel van verwijzingsborden en richtingaanduidingen exploiteerbaar blijft. Voorts betwisten zij de conclusie van verweerder sub 1 dat het café-restaurant na het voltooien van de werkzaamheden beter bereikbaar zal zijn dan in de huidige situatie. Volgens appellanten is de stelling van verweerder sub 1 dat, gelet op de toekomstige bereikbaarheid, niet aannemelijk is dat [appellant sub 8b] niet langer te exploiteren zal zijn dan ook niet houdbaar. Daarbij wijzen zij er nog op dat de huidige zichtlocatie zal verdwijnen. Tot slot voeren appellanten aan dat noch de gemeente, noch de provincie bereid is medewerking te verlenen aan uitbreiding dan wel verplaatsing van het [appellant sub 8b] naar een andere locatie.

2.8.1. De Afdeling heeft ten aanzien van de bereikbaarheid van [appellant sub 8b] in haar uitspraak van 6 september 1999 het volgende overwogen:

”Hiervoor bij de bespreking van de bezwaren van [partij 1],

[appellante sub 2], [partij 2] en [partij 3] heeft

de Afdeling het op zich zelf niet onredelijk geacht dat de in het tracébesluit

voorziene verlegging van de A16, het ombouwen van de N58 tot A58 en

de aanleg van de rechtstreekse verbindingen tussen de richtingen Etten-

Leur en Rotterdam en Etten-Leur en Antwerpen (knooppunt Princeville), tot

gevolg hebben dat de aansluitingen op het hoofdwegennet van

Breda-Princenhage ter hoogte van de [locatie 11] en de

[locatie 13] moeten worden vernieuwd en dat dientengevolge ook de

lokale wegenstructuur moet worden aangepast. Deze aanpassing van de

wegenstructuur heeft evenwel voor het café-restaurant van appellanten,

dat in de oksel van de A16 en de huidige N58 ligt waardoor zijn cliëntèle in

overwegende mate bestaat uit gebruikers van deze wegen en van het

doorgaande verkeer vanaf Breda, tot gevolg dat de vrijwel rechtstreekse

toegangen naar hun bedrijf vanaf en naar de A16 en N58 zullen vervallen.

De in het tracébesluit voorziene nieuwe ontsluitingen naar het

café-restaurant op de A16 en de A58 zullen tot ongeveer 2.5 km langer

zijn en bovendien uitkomen op de niet voor doorgaand verkeer bestemde

[locatie 11] waaraan het café-restaurant is gelegen. Ook het doorgaande

verkeer vanuit Breda zal door de verlegging van de [locatie 12] niet langer

langs het café-restaurant worden geleid. Weliswaar zal een nieuwe

randweg Princenhage worden aangelegd – voor de aanleg waarvan een

strook grond van appellanten moet worden verworven – maar in het

tracébesluit is niet voorzien in een ontsluiting op deze, voor doorgaand

verkeer bestemde weg naar het café-restaurant van appellanten. Verder zal

de zichtbaarheid van het restaurant verminderen door de plaatsing langs de

A16 van een geluidsscherm met een hoogte van 9 meter. De Afdeling acht

het dan ook niet uitgesloten dat het tracébesluit tot een omvangrijk

omzetverlies voor het bedrijf van appellanten zal kunnen leiden. De

Minister heeft zijn stelling dat het niet aannemelijk is dat het

café-restaurant niet langer ter plaatse te exploiteren zal zijn, niet

gebaseerd op een onderzoek ter zake noch heeft hij anderszins gegevens

hieromtrent overgelegd.

Ook heeft de Minister niet onderzocht of een aansluiting van het café-

restaurant op de Randweg Princenhage kan worden gerealiseerd en of

daarmee in voldoende mate aan de bezwaren van appellanten tegemoet

kan worden gekomen.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het beroep van appellanten

tegen het tracébesluit HSL-Zuid gegrond is. De overige bezwaren van

appellanten behoeven hierdoor geen bespreking. Het tracébesluit is in

zoverre het de bereikbaarheid van het café-restaurant van appellanten

betreft onzorgvuldig voorbereid en komt mitsdien voor vernietiging in

aanmerking wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet

bestuursrecht.”

2.8.2. Uit de stukken blijkt dat naar aanleiding van deze uitspraak in het tracébesluit HSL III in een nieuwe ontsluiting van het café-restaurant op de toekomstige Randweg Princenhage is voorzien. Blijkens de stukken – met name het deskundigenbericht – brengt dit met zich dat de nieuwe ontsluitingsroute vanuit en naar het noorden circa 1 km en de nieuwe route vanuit en naar het westen circa 500 m langer wordt dan de bestaande. De nieuwe ontsluitingsroutes vanuit en naar het oosten en zuiden blijven ten opzichte van de huidige situatie wat afstand betreft ongewijzigd. Voorts zal in de nieuwe situatie – zo blijkt uit het deskundigenbericht – het café-restaurant op een afstand van 140-150 meter van de rijbaan van de snelweg liggen en, afhankelijk van het materiaal van het geluidsscherm, vanaf de snelweg minder goed zichtbaar zijn. Wel zal de nieuwe in- en uitrit op de Randweg Princenhage het erf van het café-restaurant makkelijker toegankelijk maken.

2.8.3. Voorts is gebleken dat verweerder sub 1 een adviseur onderzoek heeft laten verrichten naar de gevolgen van de aanleg van de HSL, de A16 en het knooppunt Princeville voor de exploiteerbaarheid van het café-restaurant, zowel tijdens als na de realisatie. Uitgangspunt van dit onderzoek is de bereikbaarheid van het café-restaurant, zoals opgenomen in het voorliggende tracébesluit. In het onderzoek wordt geconcludeerd dat de realisering van de HSL, de A16 en het nieuwe knooppunt Princeville geen reden behoeft te zijn voor een zodanig nadeel in de exploitatie dat daardoor de continuïteit van het café-restaurant zal worden bedreigd. Voorts is volgens verweerder sub 1 uit het onderzoek niet gebleken van argumenten die verplaatsing van het café-restaurant naar een andere locatie rechtvaardigen.

2.8.4. De Afdeling ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de deskundigheid van de door verweerder sub 1 ingeschakelde onderzoeker. Evenmin zijn er aanknopingspunten om aan de onafhankelijkheid van de door verweerder ingeschakelde onderzoeker te twijfelen.

Voorts wordt het onderzoek naar omstandigheden voldoende zorgvuldig geacht. De Afdeling is dan ook niet van oordeel dat, gelet op de inhoud van dit rapport, verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een zodanige verslechtering van de bereikbaarheid dat het café-restaurant niet langer te exploiteren zou zijn. De Afdeling overweegt in dit verband dat in deze procedure slechts de exploitatiemogelijkheden na voltooiing van de werkzaamheden ter beoordeling staan. De bezwaren van appellanten, voorzover deze betrekking hebben op de uitvoeringsfase, kunnen derhalve in deze procedure niet aan de orde worden gesteld.

Voorts is er van de zijde van verweerder sub 1 ter zitting op gewezen dat de gemeenteraad van Breda op 28 februari 2002 het bestemmingsplan Princenhage heeft vastgesteld waarin, overeenkomstig de wens van appellanten, is voorzien in de mogelijkheid het café-restaurant op de huidige locatie uit te breiden met een hotelaccommodatie.

2.8.5. Het vorenstaande in aanmerking genomen kunnen de bezwaren van appellanten niet leiden tot het oordeel dat verweerder sub 1 in zoverre niet in redelijkheid het tracébesluit HSL III heeft kunnen vaststellen. Het beroep van [appellant sub 8a], [appellant sub 8b] en [appellant sub 8c] is dan ook ongegrond.

2.9. Ten aanzien van [appellant sub 4] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van de overige appellanten bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 4] gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van de Minister van Verkeer en Waterstaat in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 13 november 2000, voorzover dit besluit ziet op het geluidsscherm dat is gelegen aan de noordzijde van de parallelweg langs de A58 binnen het gebied waarop het tracébesluit HSL III betrekking heeft, zoals aangegeven op kaartblad 3 van dit besluit;

III. verklaart het beroep van [appellant sub 4] voor het overige en de beroepen van de overige appellanten geheel ongegrond.

IV. gelast dat de Staat der Nederlanden aan [appellant sub 4] het door hem voor de behandeling het beroep betaalde griffierecht (€ 102,10) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en drs. G.A. Posthumus en mr. P.J.J. van Buuren, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.G.L. de Vette, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. De Vette

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2002

196-363.