Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5741

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-07-2002
Datum publicatie
24-07-2002
Zaaknummer
200105869/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200105869/1.

Datum uitspraak: 24 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] wonend te [woonplaats] ,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Middelburg van 18 oktober 2001 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Reimerswaal.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 augustus 2000 hebben burgemeester en wethouders van Reimerswaal (hierna: burgemeester en wethouders) geweigerd appellant bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een agrarische bedrijfsloods op [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 12 februari 2001 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 18 oktober 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 november 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 21 december 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 17 januari 2002 hebben burgemeester en wethouders van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juni 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door

J.R. Snoek, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in de oprichting van een agrarische bedrijfsloods voor de vestiging van een paddestoelenkwekerij op het perceel.

2.2. Ingevolge het bestemmingsplan “Buitengebied” rust op het perceel de bestemming “Agrarische doeleinden, klasse D (AD)”.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de voor die doeleinden aangewezen gronden, voor zover hier van belang, bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven, alsmede voor niet grondgebonden agrarische nevenbedrijven, mits toegevoegd aan grondgebonden agrarische bedrijven.

Niet in geschil is dat een paddestoelenkwekerij moet worden aangemerkt als een niet grondgebonden agrarisch nevenbedrijf.

2.3. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat uit de planvoorschriften niet volgt dat een niet grondgebonden agrarisch bedrijf pas is toegestaan als een grondgebonden agrarisch bedrijf is gerealiseerd. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft zich niet beperkt tot de vraag of burgemeester en wethouders zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat appellant ten tijde van het nemen van de beslissing op het bezwaar geen grondgebonden agrarisch bedrijf uitoefende. Zij heeft tevens de vraag onder ogen gezien of ten tijde van het nemen van de beslissing op het bezwaar moest worden aangenomen dat een dergelijk bedrijf alsnog tot stand zal komen en terecht geconcludeerd dat burgemeester en wethouders onvoldoende grondslag voor die verwachting aanwezig konden achten.

Daarbij wordt nog overwogen dat het in de uitspraak van de Afdeling van 20 juni 2001, inzake 200001594/1, waaraan appellant refereert, niet om een vergelijkbaar geval gaat, reeds omdat het daar een bestemmingsplan in een andere gemeente en een andere rechtsvraag betrof, waarin de verhouding tussen grondgebonden agrarisch bedrijf en niet grondgebonden agrarisch nevenbedrijf niet aan de orde was. Het beroep op die uitspraak slaagt dus niet.

2.4. De rechtbank is derhalve op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat burgemeester en wethouders het bouwplan terecht in strijd hebben geacht met het bestemmingsplan.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Boot

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2002

202.