Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5731

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-07-2002
Datum publicatie
24-07-2002
Zaaknummer
200102148/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200102148/1.

Datum uitspraak: 24 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

gedeputeerde staten van Limburg,

appellanten,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Maastricht van 13 maart 2001 in het geding tussen:

[verzoekers], wonende te [woonplaats]

en

appellanten.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 december 1999 hebben appellanten (hierna: gedeputeerde staten) geweigerd aan burgemeester en wethouders van Maasbree (hierna: burgemeester en wethouders) ten behoeve van [verzoeker] verklaringen van geen bezwaar af te geven als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en artikel 50 van de Woningwet voor de bouw van een tweede bedrijfswoning op de [locatie].

Bij besluit van 27 juni 2000 hebben gedeputeerde staten het daartegen door [verzoekers] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 13 maart 2001, verzonden op 21 maart 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door [verzoekers] ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben gedeputeerde staten bij brief van 1 mei 2001, bij de Raad van State ingekomen op 2 mei 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 26 september 2001 is namens [verzoekers] een memorie ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van burgemeester en wethouders. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 april 2002, waar gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door drs. C.J.H. Maes en J.L.M. Wijnhoven, ambtenaren der provincie, en [verzoekers] in persoon, bijgestaan door mr. J. Breeuwer, gemachtigde, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit hebben gedeputeerde staten hun weigering om ten behoeve van [verzoeker] een verklaring van geen bezwaar af te geven als bedoeld in artikel 19 WRO voor de bouw van een tweede bedrijfswoning op het perceel, gehandhaafd. [verzoekers] exploiteren ter plaatse een agrarisch bedrijf, waar aardappelteelt, -opslag en -handel plaatsvindt.

2.2. De Afdeling stelt voorop dat het wettelijk vereiste van een verklaring van geen bezwaar een waarborg vormt dat op de uitkomst van de bestemmingsplanprocedure alleen wordt vooruitgelopen in geval van een bouwplan waartegen bij gedeputeerde staten uit planologisch oogpunt geen bedenkingen bestaan. In het algemeen kan van gedeputeerde staten dan ook niet worden verlangd dat zij medewerking verlenen aan het realiseren van een bouwplan langs de weg van een vrijstellingsprocedure, indien zij voornemens zijn goedkeuring te onthouden aan een bestemmingsplan dat de gewenste bouw mogelijk zou maken.

De in de “Handleiding bestemmingsplannen“ (hierna: de handleiding) bekendgemaakte beleidsregels ten aanzien van de mogelijkheden voor een tweede agrarische bedrijfswoning, waarmee gedeputeerde staten het bouwplan in strijd hebben geacht, zijn (onder meer) bedoeld om richting gemeenten ten behoeve van de ontwikkeling van bestemmingsplannen informatie over de ruimtelijke aspecten van het provinciaal- en rijksbeleid te verstrekken, en vormt als zodanig een referentiekader voor gedeputeerde staten bij de beoordeling van bestemmingsplannen. Gedeputeerde staten kunnen een verklaring van geen bezwaar in beginsel dan ook weigeren, indien zij van oordeel zijn dat een bouwplan niet in overeenstemming is met het in de handleiding neergelegde planologische beleid. Alsdan ligt goedkeuring van een bestemmingsplan dat de gewenste bouw mogelijk zou maken immers niet in de rede.

2.3. In de handleiding is ten aanzien van een tweede agrarische bedrijfswoning het navolgende vermeld:

"Alleen bedrijven met een zgn. toezichthoudende tak komen in aanmerking voor een tweede bedrijfswoning.

Toezichthoudende takken in dit kader zijn alleen:

- melkkoeien, zoogkoeien, fokzeugen en fokpaarden; alleen bij deze

takken is het hele jaar door toezicht bij geboorten van dieren noodzakelijk, ook zijn daarbij grote financiële risico's aanwezig;

- de tuinbouw open grond, de boomteelt en de sierteelt (de beide laatstgenoemde in open grond of op containerveld); bij deze takken kan langdurig en buiten normale werktijden en op een niet-inplanbare wijze toezicht nodig zijn voor bepaalde activiteiten zoals beregening, gewasbescherming, oogsten, bewerking en afzet van producten, en het aansturen van arbeidskrachten. Uiteraard dient per individueel geval beoordeeld te worden in welke mate de hiervoor genoemde toezichthoudende activiteiten ook daadwerkelijk voorkomen.

Dit betekent dat voor alle hierboven niet genoemde takken (zoals de mestvarkenshouderij, de pluimveesector, de glastuinbouw en champignonteelt) een tweede bedrijfswoning ongeacht de omvang van het bedrijf niet afdoende gemotiveerd kan worden."

2.4. Gedeputeerde staten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de in de handleiding neergelegde beleidsregel ten aanzien van de mogelijkheden voor een tweede agrarische bedrijfswoning een uitputtende opsomming geeft ten aanzien van de bedrijfstakken die in aanmerking komen voor een tweede bedrijfswoning.

2.5. Dit betoog slaagt. De Afdeling is van oordeel dat uit de hiervoor weergegeven tekst van de handleiding blijkt dat de genoemde bedrijfstakken geen voorbeelden betreffen, zoals de rechtbank heeft overwogen, maar een limitatieve opsomming. De Afdeling acht deze beleidsregel niet onredelijk. Zoals ook gedeputeerde staten hebben vastgesteld, valt het bedrijf van [verzoekers] niet onder de genoemde bedrijfstakken met een toezichthoudende tak. Het bouwplan is derhalve niet in overeenstemming met de geldende beleidsregel.

2.6. De Afdeling ziet voorts geen grond voor het oordeel dat gedeputeerde staten in het onderhavige geval niet in redelijkheid aan deze beleidsregel hebben kunnen vasthouden. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat de Adviescommissie Agrarische Vestigingen herhaaldelijk negatief advies heeft uitgebracht over het bouwplan en dat ook het (provinciale) coördinatie-overleg bouwplannen daarover negatief heeft geadviseerd. Niet gebleken is dat deze adviezen onjuist, gebrekkig of niet (meer) actueel zouden zijn. Naar het oordeel van de Afdeling bestond er teminder grond voor een afwijking van het beleid, nu de aanvraag voor de tweede bedrijfswoning mede verband houdt met de niet-agrarische tak van het bedrijf (aardappelhandel). De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat gedeputeerde staten onvoldoende hebben gekeken naar de specifieke bedrijfssituatie en daaraan ten onrechte de conclusie verbonden dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd.

2.7. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat gedeputeerde staten niet in redelijkheid de afgifte van de gevraagde verklaring van geen bezwaar hebben kunnen weigeren.

2.8. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [verzoekers] alsnog ongegrond verklaren.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Maastricht van 13 maart 2001, AWB 00/1025 WRO19 Z;

III. verklaart het bij de rechtbank door [verzoekers] ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C. de Gooijer, Voorzitter, en mr. C.A. Terwee-van Hilten en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. De Gooijer w.g. Roelfsema

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2002

58-369.