Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5722

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-07-2002
Datum publicatie
24-07-2002
Zaaknummer
200102005/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2002, 236K

Uitspraak

200102005/1.

Datum uitspraak: 24 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

burgemeester en wethouders van Rotterdam,

appellanten,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 12 maart 2001 in het geding tussen:

appellanten

en

de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 1999 heeft de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna: de minister) de aanvraag van appellanten om een vergunning als bedoeld in artikel 53 van de – grotendeels per 1 april 2002 vervallen - Jachtwet (hierna: de wet) voor het tijdvak van 1 april 1999 tot en met 31 maart 2000, om schade, veroorzaakt door konijnen, houtduiven en mollen, op gemeentelijke begraafplaatsen in Rotterdam te bestrijden, afgewezen.

Bij besluit van 13 juni 2000 heeft de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna: de staatssecretaris) het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 12 maart 2001, verzonden op 14 maart 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen per fax op 24 april 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 23 mei 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 21 augustus 2001 heeft de staatssecretaris van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 maart 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en G.J. Hommerson, werkzaam bij de Dienst Gemeentewerken, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 26, eerste lid, aanhef en onder l, van de wet is het verboden te jagen op begraafplaatsen.

Ingevolge artikel 53, eerste lid, van de wet, voor zover hier van belang, kan de minister, indien er naar zijn oordeel geen andere bevredigende oplossing bestaat dan het bejagen van wild, vergunning verlenen om met afwijking van de voorschriften bij of krachtens deze wet gegeven, te jagen op wildsoorten:

a. in het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid;

c. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren.

2.2. In geschil is de weigering van de staatssecretaris om appellanten vergunning te verlenen om op de gemeentelijke begraafplaatsen konijnen en duiven alsmede mollen te bejagen. Appellanten stellen dat deze dieren beplanting aanvreten en verzakkingen en bevuiling van de graven veroorzaken.

Als onomstreden tussen partijen geldt dat de jacht op mollen te dezen geen rol meer speelt nu het hoger beroep zich niet richt tegen hetgeen de rechtbank ter zake heeft overwogen.

2.3. De staatssecretaris heeft het besluit tot weigering in bezwaar gehandhaafd op de grond, voor zover van belang, dat in dit geval geen sprake is van schade als bedoeld in artikel 53, eerste lid, aanhef en onder c, van de wet en evenmin kan worden gezegd dat de door appellanten gestelde schade moet worden aangemerkt als schade waarop het belang van de volksgezondheid ziet.

2.4. De rechtbank heeft overwogen dat het in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder l, vervatte verbod en het bepaalde in artikel 53 van de wet en het daarop gebaseerde beleid, in beginsel geen grondslag bieden om de gevraagde vergunning ingeval van schade op begraafplaatsen te verlenen, alsmede dat in dit geval bovendien geen sprake is van schade als bedoeld in artikel 53, eerste lid, aanhef en onder c, van de wet en evenmin is gebleken dat de vergunning noodzakelijk is in het belang van de volksgezondheid.

2.5. Appellanten hebben in hoger beroep herhaald hetgeen zij in beroep naar voren hebben gebracht en hebben verder betoogd dat de rechtbank de schade die de Jachtwet beoogt te voorkomen te beperkt uitlegt, waardoor deze bepaling discriminerend werkt, alsmede dat de rechtbank ten onrechte bevestigt dat inbreuk kan worden gemaakt op het erkende recht van grondeigenaren om op hun eigendom te jagen, alsmede op de verplichting tot het instandhouden van een redelijke wildstand.

2.6. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat - mede gezien de geschiedenis van de totstandkoming van de wet - de schade aan en op begraafplaatsen, met het oog waarop appellanten de konijnen en duiven willen bejagen, niet onder landbouwschade als bedoeld in artikel 53, eerste lid, aanhef en onder c, van de wet valt.

Voorts ziet de Afdeling, anders dan appellanten, niet in dat het in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder l, van de wet neergelegde jachtverbod een discriminerende bepaling ten opzichte van appellanten is. Immers, het verbod geldt als een algemeen jachtverbod voor de gronden waarop begraafplaatsen zijn gelegen, ongeacht wie de eigenaar van de gronden is.

Het betoog van appellanten dat een niet gerechtvaardigde inbreuk wordt gemaakt op enerzijds het in de wet erkende recht van grondeigenaren om op hun eigendom te jagen en anderzijds de verplichting tot het instandhouden van een redelijke wildstand, faalt evenzeer nu de gevraagde vergunning reeds vanwege het hiervoor overwogene moest worden geweigerd.

De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat de minister geen reden had om – in strijd met het destijds geldende wetsregime - ten tijde van het besluit van 13 juni 2000 vooruit te lopen op de gunstiger mogelijkheden die de toen nog niet in werking getreden Flora- en Faunawet en de daarop gebaseerde nadere regelgeving, in een geval als dat van appellanten biedt (Wet van 25 mei 1998, Stb. 298, inmiddels, voor zover van belang, in werking getreden op 1 april 2002).

2.7. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.E. van der Does, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. D.A.C. Slump, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. de Koning, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Does w.g. De Koning

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2002

45-221-421.