Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5721

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-07-2002
Datum publicatie
24-07-2002
Zaaknummer
200002088/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/656

Uitspraak

200002088/1.

Datum uitspraak: 24 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant], wonend te [woonplaats]

2. [appellant], wonend te [woonplaats]

3. [appellant], wonend te [woonplaats]

4. [appellant], wonend te [woonplaats]

5. burgemeester en wethouders van Groningen,

6. gedeputeerde staten van Drenthe en burgemeester en wethouders van Tynaarlo,

7. [appellant] wonend te [woonplaats]

8. de vereniging “Buurtvereniging Eelderwolde”, gevestigd te Eelderwolde,

9. de stichting “Milieufederatie Drenthe”, gevestigd te Assen,

appellanten,

en

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 april 1999 heeft de gemeenteraad van Zuidlaren (thans: Tynaarlo) het bestemmingsplan “Ter Borch” vastgesteld. Het besluit van de gemeenteraad is aan deze uitspraak gehecht.

Gedeputeerde staten van Drenthe hebben bij hun besluit van 26 november 1999, kenmerk 6.11/1999004712, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan. Het besluit van gedeputeerde staten is aangehecht.

Bij besluit van 15 maart 2000, kenmerk M115, heeft verweerder het besluit van gedeputeerde staten vervangen wegens kennelijke strijd met het nationaal ruimtelijk beleid. Het besluit van verweerder is aangehecht.

Appellanten hebben beroep ingesteld. De beroepschriften zijn aangehecht.

Bij brief van 29 maart 2001 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 14 november 2001. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van burgemeester en wethouders van Tynaarlo. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 mei 2002, waar appellanten in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen. [Appellanten 1, 2 en 4] zijn niet verschenen. Ook verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2. Het plan heeft betrekking op de uiterste noordpunt van de voormalige gemeente Zuidlaren en is bedoeld om op deze locatie een woongebied tot stand te brengen, met westelijk daarvan natuurontwikkeling en noordelijk daarvan, in de zone langs de rijksweg A7, kantoren en bedrijven.

Gedeputeerde staten hebben bij hun besluit het bestemmingsplan goedgekeurd. Het vervangingsbesluit van verweerder ziet op de kennelijke strijd van het besluit van gedeputeerde staten met het nationaal ruimtelijk beleid voor het onderdeel waarbij kantoren worden toegelaten op de gronden met de bestemming “kantoren en bedrijventerrein uit te werken”. In verband hiermee is goedkeuring onthouden aan artikel 5, eerste lid, onder b, van de planvoorschriften. Verweerder heeft het besluit voor het overige in stand gelaten.

Uit de tekst van artikel 29 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals dat luidde tot 3 april 2000, volgt dat een op grond van dit artikel genomen vervangingsbesluit het besluit van gedeputeerde staten integraal vervangt.

2.3. [Appellanten 1], [appellant 2], [appellant 3], [appellant 4], [appellant 7] en Buurtvereniging Eelderwolde hebben - naast een aantal andere bezwaren – aangevoerd dat het ontwerp-plan niet overeenkomstig, artikel 23, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vier weken ter inzage heeft gelegen, aangezien inzage gedurende de laatste vier dagen van de termijn feitelijk niet mogelijk was. [Appellant 7] heeft tevens aangevoerd dat hij door deze gang van zaken niet tijdig een zienswijze heeft kunnen indienen. Hij betoogt dat, gelet hierop, de termijnoverschrijdiging verschoonbaar is en dat gedeputeerde staten van Drenthe zijn bedenkingen ten onrechte buiten beschouwing hebben gelaten.

2.4. Ingevolge artikel 23, tweede lid, van de WRO, voorzover hier van belang, ligt het ontwerp gedurende vier weken voor een ieder ter inzage en kan een ieder gedurende deze termijn schriftelijk zijn zienswijze omtrent het ontwerp kenbaar maken.

Blijkens de stukken is het ontwerp-plan met ingang van 1 december 1998 ter inzage gelegd, zodat de inzagetermijn en de termijn voor het kenbaar maken van zienswijzen, gelet op de hiervoor weergegeven wettelijke bepalingen, aanving op 1 december 1998 en eindigde op 28 december 1998.

Voorts is gebleken dat het gemeentebestuur door middel van een publicatie op 16 december 1998 in een lokaal nieuwsblad heeft bekend gemaakt dat tussen Kerstmis en de jaarwisseling alle diensten van de toenmalige gemeente Zuidlaren (met uitzondering van Burgerzaken en Sociale Zaken) gesloten waren.

Vanwege Kerstmis en de omstandigheid dat 27 december 1998 op een zondag viel, betekent dit dat het ontwerp-plan feitelijk tot en met donderdag 24 december kon worden ingezien.

2.4.1. De Afdeling overweegt allereerst dat blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet op de Ruimtelijke Ordening de voorgeschreven eisen ter zake van de terinzagelegging als minimale waarborgen voor de rechtzoekende dienen te worden beschouwd, waarvan strikte naleving noodzakelijk is.

Naar het oordeel van de Afdeling is in dit geval niet aan de wettelijke termijn voor inzage voldaan, nu op de laatste dag van deze termijn inzage feitelijk niet mogelijk was. Daarbij is in aanmerking genomen dat de wetgever, gelet op de regeling neergelegd in de Algemene termijnenwet, aan de laatste dag van een wettelijke termijn belangrijke betekenis toekent. De ter zitting van de zijde van het gemeentebestuur van Tynaarlo en gedeputeerde staten van Drenthe naar voren gebrachte stelling dat op maandag 28 december 1998, ondanks de publicatie van 16 december 1998, in verband met de tervisielegging van het plan op de desbetreffende afdeling van het gemeentehuis personeel aanwezig was, kan aan het voorgaande niet afdoen. Burgers mochten immers afgaan op de informatie uit de publicatie van 16 december 1998.

Voorzover door het gemeentebestuur van Tynaarlo is verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 3 november 1998, no. E01.96.0305, wordt overwogen dat in die zaak, anders dan in dit geval, het vastgestelde plan na de tijdelijke sluiting van het gemeentehuis en vóór het aflopen van de bedenkingentermijn nog gedurende enkele werkdagen kon worden ingezien.

De Afdeling acht in het vorenstaande voor [appellant 7] een verschoningsgrond aanwezig voor het te laat indienen van bedenkingen, zodat hij ontvankelijk is in zijn beroep.

2.4.2. Gelet op het vorenstaande is het plan vastgesteld in strijd met artikel 23, tweede lid, van de WRO. Reeds hierom zijn alle beroepen gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. In verband hiermee behoeven de overige bezwaren geen bespreking meer.

De Afdeling overweegt voorts het volgende.

In de Wet op de Ruimtelijke Ordening is niet geregeld welke procedure dient te worden gevolgd na vernietiging van een vervangingsbesluit. Zoals onder 2.2. is overwogen, wordt verweerder ingevolge het bepaalde in artikel 29 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening geacht het goedkeuringsbesluit integraal te vervangen, indien hij gebruik maakt van zijn vervangingsbevoegdheid.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, staat vast dat het goedkeuringsbesluit niet in stand zou kunnen blijven en dat rechtens slechts een te nemen beslissing mogelijk is. Gelet op dit samenstel van bijzondere omstandigheden ziet de Afdeling aanleiding zelf in de zaak te voorzien door alsnog goedkeuring te onthouden aan het bestemmingsplan.

2.5. Verweerder dient ten aanzien van [appellant 3], [appellant 7], de vereniging “Buurtvereniging Eelderwolde” en de stichting “Milieufederatie Drenthe” op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van de overige appellanten is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 15 maart 2000, kenmerk M115;

III. onthoudt goedkeuring aan het door de raad van de gemeente Zuidlaren op 20 april 1999 vastgestelde bestemmingsplan "Ter Borch";

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V. veroordeelt de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in de door [appellanten 3], [appellant 7], de vereniging “Buurtvereniging Eelderwolde” en de stichting “Milieufederatie Drenthe” in verband met de behandeling van de beroepen gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 406,74; het bedrag dient door de Staat der Nederlanden als volgt te worden betaald:

1. aan [appellant 3] een bedrag van € 135,58;

2. aan [appellant 7] een bedrag van € 67,79;

3. aan de vereniging “Buurtvereniging Eelderwolde” een bedrag van € 67,79;

4. aan de stichting Milieufederatie Drenthe een bedrag van

€ 135,58.

VI. gelast dat de Staat der Nederlanden aan de hieronder genoemde appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht € 102,10 voor [appellant 1], [appellant 2], [appellant 3], [appellant 4] en [appellant 7] en € 204,20 voor burgemeester en wethouders van Groningen, gedeputeerde staten van Drenthe en burgemeester en wethouders van Tynaarlo, de vereniging “Buurtvereniging Eelderwolde” en de stichting Milieufederatie Drenthe) vergoedt.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.G.L. de Vette, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. De Vette

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2002

196-363.