Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5719

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-07-2002
Datum publicatie
24-07-2002
Zaaknummer
200000110/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200000110/1.

Datum uitspraak: 24 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats], en anderen,

appellanten,

en

burgemeester en wethouders van Tholen,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 november 1999, kenmerk nr. 97.3716/IIIVMB, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een varkenshouderij op [locatie]. Dit aangehechte besluit is op 1 december 1999 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 5 januari 2000, bij de Raad van State ingekomen op 6 januari 2000, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 14 januari 2000. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 14 april 2000 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 20 december 2000. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 september 2001, waar appellanten in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en verweerders, vertegenwoordigd door G.J. Hertogs-van der Gouwe, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghouder als partij gehoord, bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Appellanten hebben de gronden inzake energie- en grondstoffenverbruik en voorschrift 8.3 niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten redelijkerwijs niet kan worden verweten op deze punten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.2. Appellanten betogen dat de Richtlijn 85/337/EEG van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (hierna te noemen: de Richtlijn) op onjuiste wijze is geïmplementeerd in het Nederlands recht. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 24 oktober 1996 (AB 1997, 133) leiden zij af dat niet op voorhand bepaalde projecten van een beoordelingsplicht tot het maken van een milieu-effectrapportage (hierna te noemen: mer) kunnen worden uitgesloten, indien niet door een algemene beoordeling vast is komen te staan dat de uitgesloten projecten geen aanzienlijk milieu-effect als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Richtlijn hebben. Indien een inrichting een dergelijk milieu-effect heeft, bestaat volgens appellanten een mer-beoordelingsplicht, ook indien het veebestand een kleinere omvang heeft dan 5.000 mestvarkeneenheden. De onderhavige inrichting veroorzaakt, gelet op de aard, omvang en ligging daarvan, volgens appellanten een aanzienlijk milieu-effect op de Oosterschelde, die is aangewezen als speciale beschermingszone in de Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (hierna te noemen: de Vogelrichtlijn). Verweerders hadden in verband hiermee moeten beoordelen of ten behoeve van de vergunningverlening een mer opgesteld had moeten worden, aldus appellanten.

2.2.1. In artikel 2, eerste lid, van de Richtlijn is bepaald dat de Lid-Staten de nodige maatregelen treffen om te verzekeren dat, voordat een vergunning wordt verleend, de projecten die een aanzienlijk milieu-effect kunnen hebben, met name gezien hun aard, omvang of ligging, worden onderworpen aan een beoordeling van die effecten.

In artikel 4, tweede lid, is bepaald dat de Lid-Staten met name bepaalde projecttypes die aan een beoordeling moeten worden onderworpen, specificeren of criteria en/of drempelwaarden vaststellen die noodzakelijk zijn om te bepalen welke projecten van de in bijlage II genoemde categorieën moeten worden onderworpen aan een beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10.

2.2.2. De aanvraag om vergunning is op 3 maart 1997 bij verweerders ingekomen.

Ingevolge artikel II van het Besluit van 7 mei 1999, houdende wijziging van onder andere het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna: het Besluit) blijft het voor 14 maart 1999 geldende recht van toepassing, onder meer indien voor bedoeld tijdstip met betrekking tot een activiteit als bedoeld in artikel 7.2 of 7.4 van de Wet milieubeheer, een aanvraag als bedoeld in artikel 7.28 van deze wet is ingediend.

In artikel 7.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten worden aangewezen, ten aanzien waarvan het bevoegd gezag krachtens artikel 7.8b en 7.8d moet bepalen of voor de activiteit, vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder zij wordt ondernomen, een milieu-effectrapport moet worden gemaakt. Daarbij worden een of meer besluiten van bestuursorganen ter zake van die activiteiten aangewezen, bij de voorbereiding waarvan, indien het bevoegd gezag daartoe besluit, het in de eerste volzin bedoelde milieu-effectrapport moet worden gemaakt.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het van toepassing zijnde Besluit worden als activiteiten als bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven.

In categorie 2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit is aangewezen als activiteit ten aanzien waarvan de procedure als bedoeld in de artikelen 7.8a tot en met 7.8d van de Wet milieubeheer van toepassing is, de oprichting van een inrichting bestemd voor het fokken, mesten of houden van pluimvee, varkens en rundvee, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een inrichting met een capaciteit van 5.000 mestvarkeneenheden of meer. Deze procedure moet worden gevolgd bij de besluiten waarop afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer van toepassing zijn.

Ingevolge artikel 7.8a, eerste lid, van de Wet milieubeheer moet degene die een activiteit onderneemt, aangewezen krachtens artikel 7.4, indien hij voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een krachtens dat artikel aangewezen besluit, dat voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag.

Ingevolge artikel 7.8b, eerste lid, van de Wet milieubeheer moet het bevoegd gezag, behoudens in het geval dat toepassing is gegeven aan artikel 7.8a, derde lid, uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder deze activiteit wordt ondernomen, een milieu-effectrapport moet worden gemaakt.

Ingevolge artikel 7.8b, vierde lid, van de Wet milieubeheer worden onder bijzondere omstandigheden als bedoeld in het eerste lid verstaan de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die de activiteit kan hebben, gezien:

a. de aard en omvang van de activiteit,

b. de samenhang met andere activiteiten ter plaatse, of

c. de ligging in of nabij gebieden die van bijzondere betekenis zijn of waarin het milieu reeds in ernstige mate is verontreinigd of aangetast.

Ingevolge artikel 7.28, tweede lid, van de Wet milieubeheer moet het bevoegd gezag de aanvraag buiten behandeling laten indien een besluit als bedoeld in artikel 7.8a krachtens wettelijk voorschrift op aanvraag wordt genomen en

a. bij het indienen van de aanvraag geen afschrift is gevoegd van de beslissing krachtens artikel 7.8b, eerste lid, inhoudende dat geen milieu-effectrapport behoeft te worden gemaakt, of

b. bij het indienen van de aanvraag geen milieu-effectrapport is overgelegd.

2.3. Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor het houden van 4.992 vleesvarkens in Groen Label-stallen BB 93.06.010. Verweerders hebben zich in zoverre terecht op het standpunt gesteld dat de drempelwaarde neergelegd in categorie 2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit niet wordt overschreden en dat de aanvraag niet op de in artikel 7.28, tweede lid, onder a, van de Wet milieubeheer genoemde grond buiten behandeling diende te worden gelaten.

Het bepaalde bij en krachtens de artikelen 7.4, 7.8a en verder van de Wet milieubeheer strekt tot uitvoering van de Richtlijn.

De Afdeling overweegt dat het, gelet op de stukken, waaronder het deskundigenrapport, en het verhandelde ter zitting, niet aannemelijk is geworden dat de vergunde activiteiten significante gevolgen hebben voor de ornithologische waarden in het krachtens de Vogelrichtlijn als speciale beschermingszone aangewezen gebied Oosterschelde. Gelet hierop heeft de Afdeling geen aanknopingspunten gevonden voor de conclusie dat in het onderhavige geval sprake is van zodanige omstandigheden dat bij het beantwoorden van de vraag of er een plicht bestaat tot beoordeling van de noodzaak van een milieu-effectrapport, gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Richtlijn, geen doorslaggevende betekenis zou toekomen aan het feit dat geen overschrijding plaatsvindt van de drempelwaarde die met toepassing van artikel 4, tweede lid, van de Richtlijn in de bijlage van het Besluit is vastgesteld.

2.4. Appellanten hebben aangevoerd dat verweerders er in het bestreden besluit ten onrechte van zijn uitgegaan dat binnen een straal van 3.000 meter rond de inrichting geen voor verzuring gevoelige gebieden in de zin van de Interimwet ammoniak en veehouderij (hierna: de Interimwet) zijn gelegen. Zij wijzen daarbij op de Annavosdijk, de Molendijk en de Breedenvlietsedijk.

De Afdeling heeft in haar uitspraken van 12 september 2001,

nrs. 199903467/1 en 200000065/1 (aangehecht), geoordeeld dat verweerders op goede gronden de Annavosdijk, de Molendijk en de Breedenvlietsedijk niet hebben aangemerkt als voor verzuring gevoelige gebieden in de zin van de Interimwet en de Uitvoeringsregeling ammoniak en veehouderij waarmee bij het beoordelen van de vergunningaanvraag rekening moet worden gehouden. Nu niet is gebleken van omstandigheden waardoor anders geoordeeld zou moeten worden, staat de Interimwet niet aan vergunningverlening in de weg. Dit bezwaar faalt derhalve.

2.5. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt, dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel moeten aan een vergunning de voorschriften worden verbonden, die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, moeten aan de vergunning de voorschriften worden verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Uit dit samenstel van bepalingen volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten voortvloeit.

2.6. Appellanten menen dat uit voorschrift 7.9 niet duidelijk is hoe vaak de mest uit de afdelingen moet worden verwijderd.

Voorschrift 7.9 luidt aldus: “De mest dient minimaal ,,nmaal per etmaal uit de afdelingen te worden verwijderd middels spoelen.”

Hoewel in voorschrift 7.9 twee letters zijn weggevallen is, indien dit voorschrift wordt bezien in samenhang met de voor het gebruik van het aangevraagde en vergunde Groen Label-systeem geldende eisen, welke eisen bij de aanvraag zijn gevoegd, voldoende duidelijk dat een spoelfrequentie van tenminste éénmaal per etmaal moet worden aangehouden. De Afdeling ziet derhalve in dit bezwaar van appellanten geen grond voor vernietiging van het bestreden besluit.

2.7. Appellanten hebben betoogd dat van de inrichting onaanvaardbare stankhinder te duchten is.

Daartoe hebben zij aangevoerd dat de vergunde Groen Label-stal geen reductie van stankhinder oplevert, zodat de omrekenfactor voor een traditionele stal had moeten worden gehanteerd. Zij merken voorts op dat op grond van de geëxtrapoleerde grafiek (die de werkelijkheid volgens hen geen recht doet) de aan te houden afstand 250 meter in plaats van 232 meter bedraagt. Met betrekking tot de werkelijke afstand tot de dichtstbijzijnde woning staan zij op het standpunt dat de ventilatoren zijn gelegen binnen de vereiste afstand van 250 meter, en dat niet vaststaat dat dit de enige openingen zijn waaruit stankhinder kan ontsnappen.

Appellanten hebben tevens bezwaren met betrekking tot cumulatieve stankhinder aangevoerd.

2.7.1. Ter invulling van de hen toekomende beoordelingsvrijheid hebben verweerders de Richtlijn Veehouderij en Stankhinder 1996 en met betrekking tot de categorie-indeling de brochure Veehouderij en Hinderwet gehanteerd.

Onbetwist is dat het bij het bestreden besluit vergunde stalsysteem door de Stichting Groen Label als Groen Label-stalsysteem is erkend. De Afdeling heeft eerder overwogen (uitspraak van 21 april 1998,

no. E03.97.0115, AB 1998, 199) dat de in bijlage 1 van de Richtlijn genoemde omrekeningsfactoren - met onder andere de omrekeningsfactoren voor het berekenen van de stankemissie van Groen-Labelstallen - kunnen worden aanvaard als de meest recente milieutechnische inzichten en verweerders hebben derhalve terecht de stankemissie van de inrichting bepaald met behulp van de in deze bijlage opgenomen omrekeningsfactoren. Hetgeen appellanten hieromtrent hebben aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.

Vaststaat dat met behulp van de hiervoor genoemde omrekeningsfactoren voor de onderhavige inrichting moet worden uitgegaan van 3.566 mestvarkeneenheden. Verweerders hebben de benodigde afstand berekend met behulp van de geëxtrapoleerde afstandsgrafiek. De Afdeling acht dit niet onjuist.

Bij een veebestand overeenkomend met 3.566 mestvarkeneenheden dient op grond van de geëxtrapoleerde afstandsgrafiek een afstand te worden aangehouden van ongeveer 235 meter tussen de emissiepunten van de inrichting en een categorie III-object.

Op grond van de stukken, waaronder het deskundigenrapport, en het verhandelde ter zitting, stelt de Afdeling vast dat de ventilatieuitlaten van de stallen moeten worden aangemerkt als emissiepunten. Nu de werkelijke afstand tussen de emissiepunten en het dichtstbijzijnde stankgevoelige categorie III-object circa 245 meter bedraagt, hebben verweerders zich terecht op het standpunt gesteld dat van onaanvaardbare stankhinder als gevolg van de bij het bestreden besluit vergunde dieren geen sprake is.

Verweerders hebben voorts voor de beoordeling van de van de inrichting te duchten cumulatieve stankhinder het rapport "Beoordeling cumulatie stankhinder door intensieve veehouderij" (Publicatiereeks Lucht nr. 46) tot uitgangspunt genomen. De Afdeling overweegt dat uit de stukken - waaronder het deskundigenrapport en de cumulatieberekeningen- en het verhandelde ter zitting is gebleken dat voor een ontoelaatbare cumulatie van stankhinder niet gevreesd behoeft te worden.

Verweerders hebben zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat de vergunning vanuit het oogpunt van stankhinder niet geweigerd behoefde te worden. Deze beroepsgronden treffen derhalve geen doel.

2.8. Appellanten betogen voorts dat de brijvoerinstallatie extra geurhinder oplevert.

2.8.1. Blijkens het bestreden besluit staan verweerders op het standpunt dat in verband met de brijvoerinstallatie zodanige voorschriften aan de vergunning zijn verbonden, dat van onaanvaardbare stankhinder ten gevolge van deze installatie geen sprake is.

2.8.2. Uit de stukken blijkt dat de brijvoerinstallatie op ongeveer

210 meter van het dichtstbijgelegen stankgevoelige object is gelegen.

De voorschriften 6.9-6.33 van de vergunning hebben betrekking op de brijvoederinstallatie. In deze voorschriften is onder andere bepaald dat de producten die als basis voor het brijvoer worden gebruikt alsmede het voer/brijvoer zelf, zodanig dienen te worden opgeslagen en de ventilatie van de brijvoerkeuken op zodanige wijze dient plaats te vinden, dat geen onaanvaardbare stankhinder wordt ondervonden door omwonenden. Uiensap, vismeel, bloed, ingewanden en kippenslik mogen niet in de inrichting in het voer verwerkt worden dan wel aan de dieren binnen de inrichting gevoerd worden. Voorts is bepaald dat indien naar het oordeel van het bevoegd gezag blijkt dat de mate van de door de brijvoederinstallatie of door de bereiding en de distributie van het voer, veroorzaakte geurhinder onacceptabel is, het bevoegd gezag nadere eisen kan stellen aangaande de bedrijfsvoering en eventuele voorzieningen ter voorkoming dan wel beperking van geurhinder kan voorschrijven. Verder dient het bij het spoelen van de brijvoerinstallatie ontstane spoelwater te worden opgevangen in een vloeistofdichte put en mag dit spoelwater niet in contact staan met de buitenlucht.

In aanmerking genomen dat de brijkeuken op circa 210 meter afstand van de dichtstbijzijnde woning van derden is gelegen hebben verweerders zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gestelde voorschriften toereikend zijn om onaanvaardbare stankhinder als gevolg van de brijvoederinstallatie te voorkomen. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.

2.9. Appellanten hebben gesteld dat de opgelegde geluidvoorschriften niet haalbaar zijn. Zij zijn van mening dat een akoestisch onderzoek had moeten worden uitgevoerd. Voorts staan appellanten op het standpunt dat verweerders ten onrechte in voorschrift 3.9 geen maximale geluidsbelasting hebben opgenomen voor de dagen dat de in de voorschriften 3.1 en 3.2 opgenomen geluidgrenswaarden worden overschreden.

2.9.1. Verweerders hebben in het bestreden besluit overwogen dat zij, gelet op de ervaring opgedaan bij vergunningverlening aan soortgelijke bedrijven, hebben kunnen vaststellen dat de betrokken inrichting aan de geluidgrenswaarden kan voldoen.

2.9.2. In voorschrift 3.1 is bepaald dat het equivalente geluidniveau (LAeq) geproduceerd door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en plaatsvindende activiteiten, op de referentiepunten 1 t/m 4 niet meer mag bedragen dan 45, 40 en 35 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. In voorschrift 3.2 is bepaald dat op de genoemde referentiepunten het maximale geluidniveau (Lmax) niet meer mag bedragen dan 65, 60 en 55 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Ingevolge voorschrift 3.9 mag overschrijding van de grenswaarden uit de voorschriften 3.1 en 3.2 maximaal gedurende 12 dagen per jaar plaatsvinden. Deze dagen mogen geen aaneengesloten periode vormen langer dan 3 dagen. Degene die de inrichting drijft is daarbij gehouden te doen en na te laten hetgeen redelijkerwijs gevergd kan worden om overmatige hinder te voorkomen. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen met betrekking tot geluid- en trillingshinder die gedurende deze dagen in acht moeten worden genomen.

2.9.3. Gelet op de aard van de inrichting en de omvang van de vergunde activiteiten ziet de Afdeling, anders dan appellanten, geen grond voor het oordeel dat bij de referentiepunten 1 tot en met 4 niet aan de in de voorschriften 3.1 en 3.2 gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan.

De Afdeling stelt voorts vast dat voorschrift 3.9 een uitzondering bevat op zowel de equivalente- als de piekgeluidniveaus en bovendien gedurende het gehele etmaal, terwijl aan de overschrijding van de in voorschrift 3.1 en 3.2 opgenomen geluidgrenswaarden geen maximum is verbonden. Verweerders hebben de in voorschrift 3.9 opgenomen uitzondering van de equivalente- en piekgeluidgrenswaarden gemotiveerd met een verwijziging naar niet nader genoemde jurisprudentie en aangegeven dat dit voorschrift noodzakelijk is in verband met het ledigen van de gierkelders. Verweerders hebben hieraan echter geen onderzoek ten grondslag gelegd, terwijl zij evenmin onderzocht hebben in hoeverre aan de overschrijding van de geluidgrenswaarden een maximum kan worden verbonden. Gelet hierop kan de op dit punt aan het bestreden besluit ten grondslag liggende voorbereiding niet zorgvuldig en de daarin neergelegde motivering niet toereikend worden geacht. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroepsonderdeel treft doel.

2.10. Appellanten zijn beducht voor schade door de uitstoot van ammoniak aan bloemen en bloemzaden die in de omgeving van de inrichting gekweekt worden. Zij wijzen daarbij op het rapport "Effecten van ammoniak op planten in de directe omgeving van stallen; Update van een risicoschatting", rapport 72, van AB-DLO van december 1996.

2.10.1. Verweerders hebben bij de beoordeling van de effecten van de ammoniakemissie uit de stallen van de inrichting op gewassen in de omgeving van de inrichting het rapport Stallucht en Planten 1981, opgesteld door het Instituut voor Plantenziektenkundig Onderzoek (hierna: het rapport) gehanteerd. De Afdeling overweegt dat verweerders hiermee, in tegenstelling tot hetgeen appellanten menen, geen onjuiste toepassing aan de wet hebben gegeven.

Uit het rapport blijkt dat directe schade door uitstoot van ammoniak zich in de praktijk kan voordoen bij intensieve kippen- en varkenshouderijen. Ter voorkoming van dergelijke schade wordt een afstand van minimaal

50 meter tussen stallen en meer gevoelige planten en bomen en een afstand van minimaal 25 tot minder gevoelige planten en bomen aanbevolen. Daarbij wordt uitgegaan van de afstand van het gevoelig object tot de dichtstbijzijnde gevel van de dichtstbijzijnde stal.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat zich binnen de hiervoor genoemde afstanden geen beschermenswaardige bomen of planten bevinden. De Afdeling is derhalve van oordeel dat verweerders terecht hebben geconcludeerd dat de vergunning niet behoefde te worden geweigerd op grond van directe ammoniakschade. De beroepsgrond treft geen doel.

2.11. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, gegrond wat voorschrift 3.9 betreft. Dit voorschrift dient vernietigd te worden. Het beroep is voor het overige ongegrond.

2.12. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover het energie- en grondstoffenverbruik en voorschrift 8.3 betreft;

II. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Tholen van 23 november 1999, nr. 97.3716/IIIVMB, voorzover het voorschrift 3.9 betreft;

IV. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt burgemeester en wethouders van Tholen in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 764,30, waarvan een bedrag € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Tholen te worden betaald aan appellanten;

VI. gelast dat de gemeente Tholen aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 102,10) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.P.H. Donner, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. Th.G. Drupsteen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.L. van der Weele, ambtenaar van Staat.

w.g. Donner w.g. Van der Weele

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2002

189-324.