Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5714

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-07-2002
Datum publicatie
24-07-2002
Zaaknummer
200200105/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200200105/1.

Datum uitspraak: 24 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats]

en

burgemeester en wethouders van Hardenberg,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2001, kenmerk 01-31, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het veranderen van een pluimveehouderij op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummer […]. Dit aangehechte besluit is op 19 december 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 7 januari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 8 januari 2002, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 13 maart 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juli 2002, waar appellanten, van wie [appellant], in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en verweerders, vertegenwoordigd door P. Hermans en A. Schuurman, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. S.J.Th. Homan, advocaat te Zwolle.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 7 november 1989 hebben verweerders een vergunning krachtens de Hinderwet verleend voor het houden van 12.375 stuks pluimvee (ouderdieren van vleeskuikens) in de onderhavige inrichting.

Het bestreden besluit ziet op de uitbreiding van de inrichting tot 16.049 ouderdieren van vleeskuikens en met 2 paarden ouder dan 3 jaar. De gevraagde veranderingsvergunning is geweigerd voor 16 ouderdieren van vleeskuikens.

2.2. Appellanten betogen dat verweerders van vergunninghouder een aanvraag om een revisievergunning hadden moeten verlangen.

2.2.1. Ingevolge artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag, indien een vergunning wordt aangevraagd als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, onder b, voor het veranderen van een inrichting of van de werking daarvan en voor die inrichting al een of meer vergunningen krachtens deze wet zijn verleend, uit eigen beweging of op verzoek, bepalen dat een vergunning moet worden aangevraagd voor de verandering en voor het in werking hebben na die verandering van de gehele inrichting of onderdelen daarvan, waarmee die verandering samenhangt.

2.2.2. De Afdeling stelt voorop dat, gelet op artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, verweerders beleidsvrijheid toekomt bij het al dan niet verlangen van een revisievergunning indien een veranderingsvergunning is aangevraagd. Mede gelet op het vergunningenbestand en op de aard van de inrichting en de aangevraagde wijzigingen daarvan, hebben verweerders bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid kunnen afzien van hun bevoegdheid een revisievergunning te verlangen.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4. Appellanten betogen dat de inrichting te veel stankhinder zal veroorzaken. De afstand van de ventilatoren van de inrichting tot het dichtstbijgelegen stankgevoelig object is volgens hen niet 85 meter, maar 83 meter. Bovendien mogen bij een afstand van 85 meter niet 357 maar 349 mestvarkeneenheden worden vergund, aldus appellanten.

2.4.1. Verweerders hebben voor de beoordeling van de van de inrichting te duchten stankhinder de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna te noemen: de Richtlijn) gehanteerd. Wat betreft de indeling in omgevingscategorieën hebben zij de brochure Veehouderij en Hinderwet (hierna te noemen: de brochure) als uitgangspunt genomen.

De Afdeling stelt op grond van het verhandelde ter zitting vast dat de afstand van de dichtst bij een stankgevoelig object gelegen ventilator-uitlaat van de inrichting en dat stankgevoelig object, de woning van [appellant], welke moet worden aangemerkt als een categorie III-object als bedoeld in de brochure, 85 meter bedraagt.

Voorts overweegt de Afdeling dat gezien de afstandsgrafiek van de Richtlijn bij een afstand van 85 meter tot genoemde woning 357 mestvarkeneenheden mogen worden gehouden. Het vergunde veebestand is gelijk te stellen met 356,6 mestvarkeneenheden. Derhalve wordt voldaan aan de op grond van de afstandsgrafiek van de Richtlijn minimaal aan te houden afstand.

Verweerders hebben zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat van de inrichting geen onaanvaardbare stankhinder is te duchten.

2.5. Appellanten maken er voorts bezwaar tegen dat de aan de veranderingsvergunning verbonden voorschriften op de gehele inrichting betrekking hebben en niet alleen op dat gedeelte waarop de onderhavige vergunningaanvraag ziet.

2.5.1. In voorschrift 2.1 van de veranderingsvergunning is bepaald dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) in dB(A), veroorzaakt door de in de inrichting, inclusief uitbreiding, aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting, inclusief uitbreiding, verrichte werkzaamheden en de daarin plaatsvindende activiteiten, op 50 meter van de grens van de inrichting niet meer mag bedragen dan:

- 45 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur;

- 40 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur;

- 35 dB(A) tussen 23.00 en 07.00 uur.

In voorschrift 2.1, zoals dit is verbonden aan de Hinderwetvergunning van 7 november 1989, voorzover thans relevant, mag de geluidbelasting niet hoger zijn dan:

45 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur;

40 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur en op zon- en algemeen erkende christelijke feestdagen;

35 dB(A) tussen 23.00 en 07.00 uur.

In voorschrift 2.2 van de veranderingsvergunning is bepaald dat, onverminderd het gestelde in voorschrift 2.1 de maximale geluidniveaus (LMax), voorzover deze een gevolg zijn van de in de inrichting, inclusief uitbreiding, aanwezige toestellen en installaties, alsmede van de in de inrichting verrichte werkzaamheden en de daarin plaatsvindende activiteiten, gemeten in de meterstand “fast”, ter plaatse van de in voorschrift 2.1 genoemde immissiepunten, niet groter mag zijn dan:

- 55 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur;

- 50 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur;

- 45 dB(A) tussen 23.00 en 07.00 uur.

In voorschrift 2.2, zoals dit is verbonden aan de eerder genoemde Hinderwetvergunning, is bepaald, voorzover thans relevant, dat de door de inrichting veroorzaakte maximale geluidniveaus de onder 2.1 genoemde waarden van het equivalente geluidniveau in de bijbehorende perioden met maximaal 10 dB(A) mogen overschrijden.

In voorschrift 2.3 van de veranderingsvergunning is bepaald dat voorschrift 2.2 niet van toepassing is op het laden en lossen van goederen en het ten behoeve hiervan manoeuvreren van motorvoertuigen, voorzover dit plaatsvindt tussen 07.00 en 19.00 uur, niet zijnde zondagen en algemeen erkende feestdagen.

In voorschrift 2.3, zoals dit is verbonden aan de eerder genoemde Hinderwetvergunning, is het pneumatisch vullen of doen vullen van voedersilo’s of van tankwagens voor dunne mest en gier verboden tussen 19.00 en 06.00 uur.

In voorschrift 3.8 van de veranderingsvergunning is bepaald dat in de inrichting ten hoogste de navolgende dieren aanwezig mogen zijn:

- 16.049 stuks ouderdieren van vleeskuikens, overige bedrijven;

- 2 paarden, ouder dan 3 jaar.

In voorschrift 3.8, zoals dit is verbonden aan de eerder genoemde Hinderwetvergunning, mogen in de inrichting ten hoogste de navolgende aantallen dieren aanwezig zijn: 12.375 stuks pluimvee.

2.5.2. De Afdeling overweegt dat de aan de veranderingsvergunning verbonden voorschriften betrekking hebben op de gehele inrichting. De aan de vigerende Hinderwetvergunning verbonden voorschriften 2.1, 2.2, 2.3 en 3.8 zijn echter niet expliciet ingetrokken of gewijzigd. Bovendien vloeien in dit geval de wijzigingen die zijn aangebracht in de voorschriften 2.1, 2.2 en 2.3 niet voort uit de veranderingen waarom blijkens de vergunningaanvraag is verzocht. Het bestreden besluit verdraagt zich dan ook niet met het systeem van de Wet milieubeheer.

2.6. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Gelet hierop behoeven de beroepsgronden met betrekking tot geluid geen nadere bespreking.

2.7. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Hardenberg van 17 december 2001, kenmerk 01-31;

III. veroordeelt burgemeester en wethouders van Hardenberg in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 777,09, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Hardenberg te worden betaald aan appellant;

IV. gelast dat de gemeente Hardenberg aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. van Breda, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van Breda

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2002

310.