Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5712

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-07-2002
Datum publicatie
24-07-2002
Zaaknummer
200106001/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200106001/1.

Datum uitspraak: 24 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats]

en

gedeputeerde staten van Drenthe,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 februari 2001 heeft de gemeenteraad van Borger-Odoorn, op voorstel van burgemeester en wethouders van 13 februari 2001, vastgesteld het bestemmingsplan "Drouwenerzand".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 4 september 2001, kenmerk 6.2/2001002190, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 5 december 2001, bij de Raad van State ingekomen op 6 december 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 19 maart 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juni 2002, waar appellanten, in persoon en vertegenwoordigd door mr. W.R. van der Velden, advocaat te Groningen, en verweerders, vertegenwoordigd door B.K. Hendriks, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Tevens is daar verschenen de raad van de gemeente Borger-Odoorn, vertegenwoordigd door H.G.J.C. Brink, ambtenaar van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Het plangebied omvat een recreatiegebied in het dorp Drouwen in de gemeente Borger-Odoorn en wordt begrensd door de Gasselterstraat, de Rijksweg N 34 en de Steenhopenweg. Aan de west- en noordzijde wordt het terrein omsloten door bossen en natuurgebieden.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.3. Appellanten bezitten een woning aan de [locatie] te [plaats]. Deze woning bevindt zich ten zuiden van het recreatiegebied Drouwenerzand en heeft deel uitgemaakt van het recreatiegebied. De gemeenteraad heeft aan het perceel in het onderhavige bestemmingsplan de bestemming “Wonen” toegekend, overeenkomstig de wens van appellanten de woning permanent te bewonen. Appellanten kunnen zich derhalve niet verenigen met de onthouding van goedkeuring aan die bestemming, temeer nu zij beschikken over een brief van burgemeester en wethouders waarin wordt aangegeven dat de woning permanent bewoond mag worden. Vóór aankoop van de woning hebben appellanten de gemeente immers gevraagd of deze woning permanent kon worden bewoond.

Bij brief van 20 januari 1999 hebben burgemeester en wethouders aan appellanten medegedeeld dat de woning aan de [locatie] waarschijnlijk bestemd is als dienstwoning, waarbij werd opgemerkt dat “in ieder geval geen sprake is van een recreatiewoning”. Vervolgens komen burgemeester en wethouders, bij brief van 17 februari 1999, op hun eerdere brief terug met de mededeling dat het pand aan de [locatie] toch een recreatiewoning betreft. Zij geven in laatstgenoemde brief aan dat “aangezien het pand door u reeds is aangekocht en gebruikt zal worden voor “permanent wonen”, wij in verband met de door ons gemaakte fout daartegen niet zullen optreden”.

Appellanten stellen dat door deze brief verwachtingen zijn gewekt van de zijde van de gemeente en dat verweerders hiermee onvoldoende rekening hebben gehouden. Ten slotte hebben verweerders bij het besluit omtrent goedkeuring van het onderhavige plandeel, volgens appellanten, onvoldoende terughoudend getoetst.

2.4. Het gemeentebestuur heeft aan het betreffende perceel de bestemming “Wonen” gegeven, mede in aanmerking genomen voornoemde brief waarin is aangegeven dat ter zake niet handhavend zal worden opgetreden.

2.5. Bij hun bestreden besluit hebben verweerders goedkeuring onthouden aan de bestemming “Wonen” van bovengenoemd perceel. Verweerders stellen zich op het standpunt dat het omzetten van een recreatiewoning in een permanent te bewonen woning in strijd is met het provinciaal beleid.

2.6. Appellanten voeren aan dat verweerders onvoldoende terughoudend hebben getoetst ten aanzien van het betrokken plandeel.

De gemeenteraad heeft het standpunt ingenomen dat op het betreffende perceel de bestemming “Wonen” gewenst wordt geacht. De bestemming is overeenkomstig het huidige gebruik. De gemeenteraad heeft een bepaalde mate van vrijheid om bestemmingen aan te wijzen die hij uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Dit gaat echter niet zo ver dat het zelfstandige toetsingskader van verweerders kan worden ingeperkt. Vaststaat dat het plan in strijd is met het provinciale beleid. Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat niet kan worden gesteld dat verweerders onvoldoende terughoudend hebben getoetst.

2.7. Wat betreft het bezwaar van appellanten dat verweerders niet voorbij hebben kunnen gaan aan de brief van burgemeester en wethouders waarin wordt aangegeven dat de woning permanent bewoond mag worden, merkt de Afdeling het volgende op.

Het provinciaal beleid is gericht op het voorkomen van permanente bewoning van recreatiewoningen in het buitengebied. De omstandigheid dat de betrokken woning reeds permanent wordt bewoond en de voornoemde handelswijze van burgemeester en wethouders, brengt niet zonder meer met zich dat de woning in strijd met het provinciale beleid overeenkomstig het huidige gebruik moet worden bestemd. Verweerders zijn daarbij in dit geval echter ten onrechte voorbij gegaan aan de door appellanten naar voren gebrachte omstandigheden, in het bijzonder de brieven van burgemeester en wethouders. Dit leidt immers tot twijfel of een andere bestemming dan de in het plan neergelegde bestemming binnen de planperiode zal kunnen worden verwezenlijkt.

2.8. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit op dit punt is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep van appellanten is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het betreft de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming “Wonen”, zoals in de beslissing is aangegeven.

2.9. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Drenthe van 4 september 2001, kenmerk 6.2/2001002190, voorzover het betreft de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming “Wonen”, zoals nader aangegeven op de bij de uitspraak behorende gewaarmerkte kaart;

III. veroordeelt gedeputeerde staten van Drenthe in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00 welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Drenthe te worden betaald aan appellanten;

IV. gelast dat de provincie Drenthe aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 102,02) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J.W.P. van Gastel, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Van Gastel

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2002

261-416