Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE5711

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-07-2002
Datum publicatie
24-07-2002
Zaaknummer
200200437/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200200437/1.

Datum uitspraak: 24 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats]

en

burgemeester en wethouders van Beesel,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2001 hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het veranderen van een rundveehouderij gelegen aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummers […]. Dit aangehechte besluit is op 28 december 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 23 januari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 24 januari 2002, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 20 maart 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juni 2002, waar appellanten, in persoon, en bijgestaan door mr. Ph.W.A.M. van Roy, advocaat te Beek, en verweerders, vertegenwoordigd door E. van Herpen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord vergunninghouder, vertegenwoordigd door mr. G.D. Bosman, advocaat te Horst.

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor het houden van 100 melkkoeien, 75 stuks vrouwelijk jongvee, 250 geiten, 102 geiten in opfok en 15 paarden.

Op grond van de in 1997 verleende revisievergunning mochten in de inrichting 150 melk- en kalfkoeien, 105 stuks vrouwelijk jongvee en 15 paarden worden gehouden.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3. Appellanten vrezen voor stankhinder. Zij betogen dat verweerders miskennen dat er sprake is van een aanmerkelijke uitbreiding van het veebestand nu het aantal mestvarkeneenheden toeneemt van 0 naar 83,3. Zij voeren hiertoe onder verwijzing naar paragraaf 2, subparagraaf 2.2, onderdeel 6, derde alinea, van de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) aan dat deze aanmerkelijke uitbreiding van het veebestand niet voorzienbaar was. Verder zijn zij van mening dat, ondanks de verplaatsing van het emissiepunt, de afstand van de inrichting tot de dichtstbijzijnde woningen [locaties] onveranderd is gebleven. Ook zijn er onvoldoende maatregelen genomen tegen de van de inrichting te duchten stankhinder, aldus appellanten.

2.3.1. Verweerders hebben in het bestreden besluit allereerst overwogen dat de uitbreiding van de onderhavige veehouderij voorzienbaar was, zodat de woningen [locaties] nu deze woningen zich binnen hetzelfde in het bestemmingsplan vastgestelde bouwblok als de onderhavige veehouderij bevinden, op grond van paragraaf 2, subparagraaf 2.2, onderdeel 6, derde alinea, van de Richtlijn voor de veehouderij geen stankgevoelige objecten zijn. Verweerders betogen voorts dat de vraag of de uitbreiding al dan niet voorzienbaar was echter geen beantwoording meer behoeft nu op grond van de op 6 september 2001 ingediende wijziging van de aanvraag de emissiepunten van de inrichting zijn verlegd naar een afstand van minimaal 50 meter van de gevel van de dichtstbijzijnde woning, [locatie]. Verweerders zijn, gelet op deze afstand, van oordeel dat, ook al zou de woning [locatie] worden aangemerkt als stankgevoelig object, voor onaanvaardbare stankhinder niet behoeft te worden gevreesd. Zij menen voorts dat zij ter voorkoming dan wel beperking van stankhinder in voorschrift A.18 de technische aanpassingen als gevolg van de wijziging van de aanvraag afdoende hebben geregeld.

2.3.2. Verweerders hebben bij de beoordeling van de stankhinder de Richtlijn gehanteerd, voorzover het betreft de minimaal aan te houden afstanden. Bij de bepaling van de omgevingscategorieën hebben zij de brochure Veehouderij en Hinderwet (hierna: de brochure) gehanteerd.

Ter voorkoming dan wel beperking van stankhinder hebben verweerders onder andere voorschrift A.18 aan de vergunning verbonden. In dit voorschrift is bepaald dat binnen een straal van 50 meter van de buitengevel van de dichtstbijzijnde woning geen openingen aanwezig mogen zijn waardoor emissie van stank naar de buitenlucht kan plaatsvinden.

2.3.3. Niet in geschil is dat het bij het bestreden besluit vergunde veebestand met toepassing van de omrekeningsfactoren van de Richtlijn overeenkomt met 83,3 mestvarkeneenheden. Volgens de bij de Richtlijn behorende afstandsgrafiek moet in het geval van een categorie III- dan wel IV-omgeving, bij genoemd aantal mestvarkeneenheden, een minimale afstand van 50 meter worden aangehouden tussen de vergunde inrichting en de dichtstbijzijnde woning van derden. Daarbij dient te worden uitgegaan van de afstand tussen de buitenzijde van het stankgevoelige object en het dichtst bij dit object gelegen emissiepunt van de veehouderij. Voor mechanisch geventileerde stallen is dit emissiepunt de dichtstbijstaande ventilatoruitlaat en voor natuurlijk geventileerde stallen moet de dichtstbijzijnde ventilatie-uitlaat worden aangehouden.

Voorts is niet in geschil dat de dichtst bij de inrichting gelegen woning de woning [locatie] is.

De Afdeling overweegt dat zowel uit de wijziging van de aanvraag van 6 september 2001 als uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat de dichtst bij de woning [locatie] gelegen emissiepunten van de inrichting de ventilatoren op de stal van de opfokgeiten zijn. Door het plaatsen van de ventilatoren op de stal van de opfokgeiten en het dichtmaken van de nok en de buitenpoort van het eerste gedeelte van de geitenstal, het dichtmaken van de deuren in de opfokgeitenstal en het dichtmaken van de overige openingen in de gevel, zoals dit blijkt uit de wijziging van de aanvraag, is het emissiepunt van de inrichting verlegd naar een afstand van minimaal 50 meter van de woning [locatie]. Voorts hebben verweerders in voorschrift A.18 opgenomen dat binnen een straal van 50 meter van de buitengevel van de dichtstbijzijnde woning geen emissiepunten aanwezig mogen zijn.

Gezien het vorenstaande, de afstand van minimaal 50 meter tot de woning [locatie] en het bepaalde in voorschrift A.18, overweegt de Afdeling dat, ook indien de woning [locatie] wordt aangemerkt als stankgevoelig object - hetgeen de Afdeling thans in het midden laat -, verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat voor onaanvaardbare stankhinder niet behoeft te worden gevreesd.

2.3.4. Voorzover appellanten vrezen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften niet worden nageleefd, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en om die reden niet kan slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.

2.4. Het beroep is gelet op het vorenstaande ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door drs. E.L. Berg, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Berg w.g. Plambeck

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2002

159-374.